Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


Een reactie plaatsen

Stadsnatuur – een contradictio in terminis?

bijenOp 16 september stond een groot artikel in de Trouw met als titel: “In dit tempo is Nederland binnenkort wereldkampioen soortenverlies”.  Een niet vrolijk-stemmend verhaal, maar de afname van biodiversiteit is inderdaad ongekend.  Eén zinnetje over herstelkansen trok mijn aandacht. De raadselachtige formulering luidde: “daarbij moeten we ook kijken naar plaatsen waar natuur niet traditioneel aanwezig is, zoals de stad”.

Wat vooral traditioneel is, is de gedachte dat natuur pas zou beginnen bij het bordje van Natuurmonumenten, SBB of het Flevo-landschap. Dat natuur alleen echte natuur is als de mens er met zijn handen van af is gebleven. Ook Frank Berendse, hoogleraar natuurbeheer, lijkt in zijn boek over natuurbescherming in Nederland (Wilde apen) weinig op te hebben met de door mensen beïnvloede natuur. Zo heeft hij het over ‘de toenemende invloed […] van het stedelijk gebied op de stukken natuur die nog over zijn’. Later in zijn boek maakt hij, in een overzicht over natuur, een tweedeling tussen ‘nagenoeg-natuurlijke landschap’ en ‘namaakwildernis’. Vervolgens maakt hij nog een heel klein stapje naar mensennatuur door te stellen: ‘En misschien zouden stadsnatuur en de natuur van het aangeplante bos een aparte plek in het overzicht verdienen’. Misschien?

Het is een romantisch beeld, de niet door mensen aangeraakte natuur. Maar in mijn ogen ook een fout beeld. Los van de vraag of er ergens op de wereld nog een plek te vinden is waar de mens géén invloed heeft (het antwoord daarop is ontkennend), is het ook verkeerd om te denken dat de mens en de natuur twee verschillende los van elkaar staande zaken zijn. 

Die tweedeling is eigenlijk helemaal niet zo vanzelfsprekend. Toen Chautuileo Umeyman uit Chili bij de stem van de Natuur vertelde dat de mensen uit haar volk (Mapucho) geen naam voor “natuur” hebben, viel bij mij het kwartje. Als je net als de oorspronkelijke inwoners uit Zuid-Amerika onderdeel bent van de natuur, is alles natuur. Wij hebben in het westen met het geven van een naam die natuur op afstand gezet. En dat is helemaal sterk als je het een natuurmonument of natuurreservaat noemt. Dan wordt het een gebruiksvoorwerp: iets om te bezoeken, om in te picknicken (of om een bankstel te dumpen).

De natuur is voor de Mapucho in Chili hun alles, hun “huis”. Zo zou ook onze natuur, inclusief de stadsnatuur ons huis moeten zijn. Door stadsnatuur te bagatelliseren, zoals Frank Berendse lijkt te doen, lopen we het risico dat die stadsnatuur met knobbelzwanen in de grachten, bijenorchissen op de oevers daarvan en slechtvalken op de wolkenkrabbers niet het beschermen waard is. Juist deze dicht-bij-de- mensen-natuur verdient aandacht en bescherming. Niet misschien, maar zeker!

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Tikkeltje te laat

zwaan2“Ken je dan ook dat lied van de gebraden zwaan uit de Carmina Burana?” Die vraag kreeg ik tijdens de nazit van een bijeenkomst in Pakhuis de Zwijger waar ik ook mijn aanstaande boek over de knobbelzwaan mocht promoten.  Natuurlijk ken ik de Carmina Burana, of in ieder geval het muziekstuk dat Carl Orff hieraan wijdde. Vroeger zelfs best veel naar geluisterd. Maar bij het onderzoek vóór en het schrijven ván het boek heb ik ‘de Carmina’ en de daarin gebraden zwaan volledig over het hoofd gezien. En dat terwijl er wel drie hoofdstukken zijn waarin de Carmina Burana genoemd kan worden.

De Carmina Burana is een set Middeleeuwse teksten die gaat over de lente, drinken en gokken en de zinnelijke liefde. In het tweede deel wordt gezongen over een zwaan die ooit meren bewoonde maar nu zwart en gaar gebraden aan het spit is geregen. In die Middeleeuwen gold de zwaan als een exquise gerecht dat alleen aan hoge edelen en hooggeplaatsten in de kerk was voorbehouden. Ook het recht om zwanen te houden (de zogenaamde zwanendrift), te slachten en te eten was maar aan enkele hoge heren toebedeeld. Vaak werd de zwaan na het braden weer terug genaaid in zijn oorspronkelijke vel en zo als spektakelstuk op tafel gezet. En als je echt wilde tonen hoe groot je macht was, overlaadde je de tafel met zwaan. Zo liet de Engelse koning Henry III voor het kerstfeest in 1251 maar liefst 125 zwanen opdienen en bij de benoeming van George Nevill tot de aartsbisschop van York in 1466 kwamen zelfs 400 zwanen op tafel.

De ‘Carmina-zwaan’ hangt zwart geblakerd boven het vuur. In het gedicht wordt het “ellendige zwart” tegenover het “mooie wit” geplaatst:

“Ooit bewoonde ik meren,
Ooit was ik mooi,
toen ik een zwaan was.

Ellendig, ellendig!
nu zwart
en gaar gebraden!”

Het smetteloze wit is vaak bezongen en ook de Maagd Maria werd regelmatig met een zwaan afgebeeld. Juist dat witte verenkleed heeft er toe bijgedragen dat de zwaan een mythische status heeft gekregen.

Het middeleeuwse recht, de zwanenmaaltijd en de zwarte zwaan behandel ik uitgebreid in mijn boek. De tip van de Carmina-zwaan kwam een tikkeltje te laat, of beter nog, ik had mijn onderzoek nog diepgravender kunnen doen. Aan de andere kant, dit voorval biedt mij de gelegenheid om mijn zwanenboek nu definitief aan te kondigen. Medio oktober ook bij u in de lokale boekhandel!

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Duivels naaigaren

WhatsApp Image 2021-09-08 at 12.18.33Een flinke kruiwagen weggegooide spagetti, daar lijkt het nog meest op. Een aantal rode bietjes op een akker in Almere Pampus worden overgroeid door een geeloranje massa slierten. Slierten die om de bietenplantjes winden en er mee zijn vergroeid. Het is warkruid, een plantenfamilie die in de volksmond ook wel wordt duivelsnaaigaren wordt genoemd.

Het warkruid heb ik niet zelf gevonden, ik kreeg een tip en was meteen geïnteresseerd. Warkruiden zijn bijzondere planten, bovendien ze stonden haast in mijn achtertuin (als ik dat begrip ruim neem). Een rap bezoek was geboden, voordat een schoffelploeg de boel heeft weggehaald. Van de warkruiden komen zeven soorten in Nederland voor, vier van nature en allen behoorlijk zeldzaam. En in Flevoland zijn ze zelfs nog nooit eerder gezien. Het bijzondere zit hem in de parasitaire levenswijze. De plant heeft nauwelijks bladgroen en is dus vrijwel geheel afhankelijk van een andere plant en in dit geval van de rode bieten. Als een warkruidzaadje kiemt heeft het eventjes een worteltje voor de noodzakelijke bouwstoffen en vocht. Als het eenmaal een waardplant heeft gevonden windt het stengeltje zich – doorgaans rechtsdraaiend – om de stengels en bladeren van de waard.

Waar het warkruid de waardplant innig verstrengelt ontstaan wortelachtige structuurtjes de waardplant in. Op dat moment voedt de waard het warkruid. De verschillende soorten warkruiden zijn redelijk kieskeurig, wat soms ook in de naam terugkomt. Het vlaswarkruid en het hopwarkruid komen vooral op vlas en hop voor. Het klein warkruid groeit doorgaans op struikheide maar het groot warkruid is wat minder kieskeurig al lijkt een voorkeur voor brandnetel wel te bestaan. Welk warkruid groeit er dan in Pampus? De gelige kleur is al een goede aanwijzing maar vooral de details in de kleine bloempjes zijn voor determinatie van belang, het blijkt veldwarkruid te zijn.

Veldwarkruid is één van die soorten die niet van nature in West-Europa voorkomt. Van origine is het een Noordamerikaanse soort. In dat licht bezien is het wel geinig dat in Nederland onder andere Canadese fijnstraal door het veldwarkruid wordt overwoekerd. En dus de rode bietjes. De parasiet lijkt zich in Nederland vooral via zaaigoed van akkergewassen te verspreiden. Af en toe duikt de soort ergens op, maar verdwijnt dan ook weer na een paar jaar. De natuurlijke verspreiding verloopt vooral via grazende zoogdieren en vogels. De planten worden begraast, inclusief de bloemen en zaden en een flink deel van de zaden overleeft de reis door de ingewanden. Aan het eind van die reis wordt het zaadje inclusief bemesting weer ergens anders gedropt.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Kleine burgemeester

kleine bur
Foto: Hugo Wieleman

Nonnetje, paapje, putter, kwak, bokje, snor, voor vogelaars is dat allemaal gesneden koek. Maar iemand die een vogelgids nog nooit van binnen heeft gezien zal allicht een ander beeld daarbij hebben. Dat geldt ook voor de burgemeester.

Als ambtenaar denk ik bij “burgemeester” aan het hoofd van het gemeentebestuur. Maar als vogelaar denk ik aan meeuwen. Misschien wel de spectaculairste meeuwen die er zijn. De Grote burgemeester doet zijn naam ook eer aan. Een bakbeest van een meeuw die met kop en schouders boven de andere meeuwen uitsteekt. In een groep met vretende meeuwen is die ook steevast de dominante gast. En dat is vermoedelijk ook de reden dat hij de burgemeester genoemd wordt.  Maar als je een Grote burgemeester hebt, heb je automatisch ook de kleine burgemeester. Een slag kleiner en minder dominant. Net als zijn grote neef is deze meeuw opvallend getekend.

Eerstejaars burgemeesters zijn licht zandkleurig getekend met zeer lichte vleugelpunten. Een jaar later worden ze nagenoeg wit. Volwassen burgemeesters krijgen vervolgens een licht grijze rug en bovenvleugel. Deze zeer lichte meeuwen vallen direct op als je ze in een groep meeuwen treft. En dat gebeurt niet vaak. In onze contreien zijn het zeldzame soorten, de kleine nog zeldzamer dan de grote. In het binnenland zijn ze beide nog schaarser. Het is in Flevoland met recht een “omrijsoort”.

kleine bur1
Foto: Hugo Wieleman

Maar soms krijg je hem zo maar in de schoot geworpen. Na een soortenzoekactie in het NP NieuwLand stopten Victor en ik nog even bij een groepje meeuwen op industrieterrein de Vaart. Ineens roept Victor “burgemeester!”.  En omdat onlangs nog op Urk een grote Burgemeester was gezien, was dat ook het eerst waar we aan dachten.

Maar het koppie was te rond, de vogel een tikkie kleiner dan de ernaast staande zilvermeeuwen, de snavel te klein en niet de kenmerkende tekening van de grote (een diffuus zwart getekende in plaats van gelig-roze snavel met een schijnbaar in de inkt gedoopte punt). Dit was een heuse Kleine burgemeester!

De Kleine burgemeester broedt op Groenland en in Noord-Canada. Langs de Noordzeekust worden jaarlijks maar enkele vogels gezien, in het binnenland is het ronduit een zeldzaamheid. Via de vogelaars-whatsapp-groep werd het bericht gedeeld en vele vogelaars hebben vervolgens van dit hoge bezoek uit het hoge noorden kunnen genieten. Helaas net buiten het Nationaal Park Nieuwland Dus hij telt niet mee voor het #2021soortenjaar. Misschien toch nog maar bij het Markermeer posten om te kijken of hij daar komt overvliegen.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Strooisel

WhatsApp Image 2021-04-07 at 09.54.38Gewapend met een witte bak en een insectenopzuiger (een zogenaamde zuigexhauter) loop ik met beestjes-zoekmaat André op het Verbindingspad. Af en toe pakken we een handje strooisel van de bosbodem en schudden dat voorzichtig uit in de bak. Zo vinden we mospissebed, gewone wegmier, berkensmalsnuit, glanzende agaathoren, schapenteek.

Deze zoekactie doen we in het kader van de #2021soortenjaar in het Nationaal Park Nieuw Land. Het doel is om de biodiversiteit van dit gebied in kaart, en vooral ook onder een brede aandacht te brengen. We nemen dan ook steevast even de tijd als we door passanten worden aangesproken met de voor de hand liggende vraag: “mag ik vragen waar jullie naar op zoek zijn?” Maar nu is onze aandacht gericht op de bakjes. Met het onderzoeken van de strooisellaag hebben we voor onszelf een heel nieuw biotoop in beeld gebracht. Dat betekent ook dat we een hoop nieuwe soorten vinden. Nieuw voor onszelf, nieuw voor het #2021soortenjaar, soms nieuw voor Almere en soms zelfs nieuw voor Flevoland.

Het determineren van al die beestjes is geen sinecure. Daarvoor moeten thuis boeken en internet worden geraadpleegd. En hoe kleiner het beestje, hoe kleiner ook de details waaraan de soorten onderscheiden worden. Details die alleen onder een binoculair zichtbaar zijn. Voor het meenemen van de beestjes komt dan de zuigexhauster van pas. Daarmee zijn de heel kleine beestjes te verzamelen zonder ze stuk te maken.  Kleine bodemwantsen, heel kleine slakjes en spinnetjes. Op het eerste oog is dat meestal nog wel te zien tot welke groep de beestjes behoren. Ineens valt ons oog op een klein insectje zonder vleugels. Een mier? Nee, dat is het toch niet. Een vleugelloze wespensoort? Zoiets moet het wel zijn. Met de opzuiger wordt het beestje verzameld.

Het standaard bouwplan van een insect is een kop, borststuk en achterlijf, en aan het borststuk 3 paar poten en twee paar vleugels. Maar niet alle soorten houden zich aan die standaard. Dat geldt met name voor die twee paar vleugels. Onder de binoculair is te zien dat ons beestje weldegelijk vleugels heeft, maar heel kleine en waarschijnlijk ongeschikt om mee te vliegen. Rudiment-vleugeltjes zogezegd.  En onder die vleugels zie ik aan weerszijde een staafje met een bolletje. Een zogenaamde halter. Halters zijn de overblijfsels van het tweede paar insectenvleugels en een typisch kenmerk van de vliegen en muggen (de zgn diptera, di-ptera = twee-vleugels). Okee, dit is dus geen wesp maar een vliegje. Dat helpt. Het brengt het aantal te overwegen soorten al weer terug van ca 18.000 insecten naar zo’n 1000.

Het meest doet de vlieg me denken aan een zogenaamde halmvlieg. Kleine vliegjes die wel wat weg hebben van de fruitvlieg, maar tot een andere familie behoren. Die gok blijkt juist. En het gelukkige toeval wil dat er van de ongeveer honderdvijftig verschillende soorten halmvliegen er ééntje is met rudimentvleugels: Elachiptera brevipennis. Deze vlieg wordt maar weinig gezien (op waarneming.nl slechts 55 waarnemingen voor heel Nederland) en het blijkt zelfs de eerste waarneming in Flevoland! Hij staat te boek als vrij algemeen, maar ook hier geldt weer, je ziet het pas als je gaat kijken.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Vervaarlijk

Met het blote oog is het bijna niets. Iets waar je heel makkelijk overheen kijkt. Maar met een loep is het een vervaarlijk monster, een schorpioen!

Ik ben er al een paar jaar naar op zoek, Nederlandse schorpioenen. In het buitenland ben ik ze best vaak tegen gekomen. In gebieden waar je toch iedere ochtend even de schoenen uitschudt om te voorkomen dat de voetzool kennis maakt met de gifklier aan het achterlijf van het beest.  Maar een schorpioen in Nederland? Menigeen zal toch wel even aan dat idee moeten wennen. De soorten die hier voorkomen zijn echter allemaal heel klein, én bezitten niet die vervaarlijke gifklier op het achterlijf. Het zijn dan ook niet echte schorpioenen, het zijn pseudoschorpioenen.

Mijn eerste pseudoschorpioen vond ik onlangs onder een plak hout bij het Wilgenbos. Ik was hier in het kader van het soortenzoekjaar die dit jaar in het Nationaal Park NieuwLand gehouden wordt. Veldbiologen hebben een dwangmatige behoefte om hout dat ze tegen komen, om te draaien. Veel dieren, van nietige springstaartjes tot muizen en padden mogen graag die donkere beschutte vochtige plekken bevolken. En zo kwam ik nu een klein roodbruin beestje tegen. Snel even in een bewaarpotje. Het beestje was zo klein, dat een vergrootglas nodig was om te bekijken wat ik gevangen had.

Het beestje van 2 millimeter groot, stak zijn twee scharen naar mij uit. Scharen die voorop de kop staan. Eindelijk gevonden! In Nederland komen ruim twintig soorten pseudoschorpioenen voor. Het diertje moest dus mee naar huis voor fotografie en determinatie. Thuis onder de binoculair  was ik er snel uit: mosschorpioentje. Na de determinatie en foto heb ik het beestje weer losgelaten onder een blok hout in de eigen tuin. De diertjes hebben dan wel geen gifklier op het achterlijf, in de scharen hebben ze die wel. Volstrekt ongevaarlijk voor ons mensen, maar springstaartjes en ander klein grut hebben er wel voor te vrezen. Wat ze ook niet hebben, zijn vleugels. Toch kunnen ze vliegen! Met een van de scharen klampen ze zich vast aan een muggenpoot en zo liften ze mee, de mug als piloot.

Een paar dagen later ben ik met Victor in het Vaartsluisbos. Weer op zoek naar verschillende soorten. Een oude halfdode wilg met loszittende bast trekt onze aandacht. Ook zo een ecologen-dwangmatigheid, pulken aan losse schors. Net als onder het hout op de grond zit er van alles achter losse boombast. Vaak zijn het pissebedden, kevertjes en duizendpoten. Maar ook nu weer zo een heel klein frutje. En in een bewaarpotje vallen weer die scharen op. Ditmaal blijkt het niet een mosschorpioentje maar een soort die vaak op boombast wordt gevonden: Chernes cimicoides. Jaren vergeefs zoeken en dan in één week twee verschillende soorten vinden. Het kan verkeren!

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Varkenspest en kippenkoorts

In tijden van corona krijgen dierziekten eenvoudig aandacht in de pers. De vogelgriep (Aviaire influenza) en Afrikaanse varkenspest, beide door virussen veroorzaakte veeziekten, worden nu het meest genoemd. De rol die wilde dieren (watervogels en wilde zwijnen) spelen bij de verspreiding van de ziekte, doet de roep toenemen om die wilde dieren in toom te houden.

Voor wilde zwijnen is het wellicht makkelijker om met het geweer de populatie te beperken dan voor watervogels. Vogels vliegen immers beter dan zwijnen. De zwijnenjacht wordt dan ook ingezet voor het indammen van de Afrikaanse varkenspest. Natuurlijk worden ook maatregelen op de boerderijen getroffen. Hygiënische maatregelen en rond het transport van dieren en dier-producten. Het is, op de keper beschouwd, wel vreemd dat wilde zwijnen hier zo een zware tol betalen.  De wilde zwijnen hebben de Afrikaanse varkenspest immers niet zelf uit Afrika geïmporteerd.

Voor vogelgriep ligt dat wat genuanceerder. De hiervoor genoemde capaciteit van vogels tot vliegen stelt het vogelgriep-virus in staat zich over grote afstanden te verplaatsen. En er is een bulk aan bewijs en aanwijzingen dat de sterk ziekmakende (hoog pathogene) vogelgriepvirussen inderdaad door wilde vogels wordt verspreid. En over grote afstanden. Watervogels die in Azië overwinteren en in het hoge noorden broeden, komen na de broedtijd bijeen op grote meren waar ook vogels zich opmaken voor de trek naar Europa. Deze ketting stelt het virus zelfs in staat om van continent naar continent te verplaatsen. De nuance is echter gelegen in het feit dat het ene vogelgriepvirus het andere niet is.

Het vogelgriep (Aviaire influenza, AI) komt in verschillende varianten (genoemd naar de verschillende vormen waarin twee eiwitten op het virus kunnen voorkomen, Hemagglutinine en Neuraminidase). De verschillende stammen worden ingedeeld in hoog-pathogene en laag-pathogene virussen (HPAI en LPAI). De LPAI’s komen van oudsher bij watervogels voor. Omdat deze niet of nauwelijks ziekmakend zijn, vallen ze ook nauwelijks op. Virussen kunnen echter betrekkelijk eenvoudig muteren, onder andere van een laag  pathogene naar een hoogpatogene stam. Daarvoor is echter wel een groot reservoir aan dieren nodig. De HPAI’s ontstaan dan ook op plekken waar zeer veel vogels lange tijd zeer dicht opeen gepakt zitten in situaties waar veel stress heerst. De bekende hoog-pathogene vogelgriepvormen zijn ontstaan in pluimveehouderijen in Azië.

In Azië zijn de hygiënische maatregelen minder strikt dan in West-Europa. In Bangladesh heb ik pluimveehouders met hun stal van duizenden eenden de moerasgebieden in zien trekken. De loopeenden graasden overdag op de plekken waar we in de schemer de wilde watervogels naar toe zagen vliegen. Eenvoudiger is het voor het virus nauwelijks te maken. Net als de wilde zwijnen bij de Afrikaanse varkensgriep zijn onze wilde watervogels onbedoeld het transportmiddel van een door de mensen veroorzaakt probleem.

Indammen van de populaties wilde dieren is niet de oplossing. Het is dweilen met een vol opengedraaide kraan. Het beperken van de overdracht zal vooral bij de bedrijven moeten plaatsvinden. Daarbij kan gekeken worden naar de ruimtelijke spreiding (geen pluimveehouderij in waterrijke gebieden), naar hygiënische maatregelen maar wellicht ligt de best werkende maatregel  in de handen van de consument. Hoeveel vlees eet ú?

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Inheemse bomen

Ramshoorngalwesp op een Wintereik

Ramshoorngalwesp op Europese zomereik

Een Amerikaanse eik van, zeg, honderd jaar oud. In West Europa zal je daarin niet snel boven de twintig verschillende insectensoorten komen. Bekijk een Europese zomereik en je zal, als je ze kan herkennen, snel meer dan vierhonderd verschillende soorten turven. Een krachtiger aanwijzing dat het planten van inheemse bomen en struiken meer biodiversiteit oplevert is nauwelijks denkbaar.

Toch hoor ik daar met enige regelmaat weerwoord op. Er wordt dan gewezen op onderzoek waarbij aangetoond is dat insecten van de inheemse vogelkers overwipten op de amerikaanse vogelkers (ook wel bospest genaamd). En inderdaad, uit onderzoek blijkt dat de amerikaanse vogelkers inmiddels in toenemende mate door inheemse bladvretertjes wordt bezocht. Vretertjes die voorheen alleen bekend waren op inheemse struiken en bomen. Eerst schoorvoetend, de rupsjes van de hangmatmot begonnen wel aan de bospest maar kwamen niet tot wasdom, maar inmiddels lijkt het dat de mot de bospest-code heeft gekraakt. En zo zijn er een aantal soorten die nu in Europa een Amerikaans dieet volgen.

Het weerwoord van aanpassing op de bospest lijkt een krachtig argument om je niet meer tot inheemse soorten te beperken. De natuur komt wel met een oplossing. Toch valt daar naast het trage verloop wel wat meer op af te dingen. Natuurlijk zijn er méér redenen dan alleen biodiversiteit om voor bepaalde planten te kiezen. Esthetische redenen bijvoorbeeld. In het kader van de achteruitgang van biodiversiteit is de vraag echter relevant welke soorten je het best kan kiezen om die biodiversiteit weer te verbeteren. De noodzaak is gelegen in het feit dat de biodiversiteit wereldwijd, maar ook bij ons in Nederland onder druk staat.

De redenen van de achteruitgang zijn legio. Ontbossing, vermesting, vervuiling, intensiever landgebruik, het is maar een greep uit de trits van factoren die de natuur bedreigen. En net als er veel factoren zijn die de natuur bedreigen, zijn er ook veel factoren die juist aan het herstel kunnen bijdragen. We zullen lang niet alle bedreigende factoren kunnen elimineren (direct of op termijn), en dat maakt het dubbel zo belangrijk om alle mogelijke positieve maatregelen te omarmen. Gebruik van inheemse bomen, stuiken en kruidgewassen in tuin, park en bos is daar een belangrijke stap in.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Rellende eksters

In de winterse kale platanen in de straat zijn de twee eksternesten eenvoudig te zien. Rond de nesten is het een drukte van belang. Maar liefst negen eksters vliegen luid krassend rond, vleugelgewapper, staart op en neer slaand. Als ik beter kijk zijn twee vogels het meest actief, die lijken de nesten fel te verdedigen. Is de natuur van slag en is de broedtijd al aangebroken?

Nee, zo een vaart loopt dat nog niet. Maar het is weldegelijk een territoriumdispuut. De straat is het toneel van een zogenaamde Ceremoniele Samenkomst (Ceremonial Gathering), een eufemisme van biologen voor “even lekker rellen”. Eksters zijn het hele jaar territoriaal. Het territorium wordt niet alleen voor en tijdens de broedtijd verdedigd, ook in de winter zien gevestigde eksters andere eksters liever gaan dan komen. Maar hoe beter een territorium (voldoende voedsel, geschikte nestbomen) hoe groter ook de aandrang van nog niet gevestigde jonge eksters om zich daar in te vechten. Uit onderzoek is bekend dat een derde van de territoriumwissels ontstaat doordat één van de gevestigde vogels sterft. Eénderde doordat in het najaar nieuwe vogels vanuit een aanvankelijk klein territorium zich probeert in te wurmen (squizing in) en éénderde via de zogenaamde Ceremoniele Samenkomst.

Wat zich in de straat voltrekt is dus niet zomaar rellen om het rellen, er staat ook wel wat op het spel. Namelijk de kans om in het komend broedseizoen in een goed territorium nageslacht te produceren. Het territorium van een paar eksters meet ongeveer 5 hectare. Als ik die 5 hectare op de kaart uitzet met het betwiste nest in het centrum, kan ik eenvoudig vijf tot tien andere eksternesten vinden die allemaal in de afgelopen jaren door het territoriale paar zijn gebouwd. Die zullen komend jaar niet door andere eksters gebruikt worden. Het zijn stevige bouwwerken en kunnen jaren achtereen in de bomen achter blijven. Nutteloos geworden? Nee, het werkt ook als signaal voor indringers dat hier al een ervaren en sterk paartje eksters aanwezig is.

Vaak wordt het grote aantal eksternesten gezien als teken dat het met de eksterstand uit de hand loopt. Eksters hebben nu eenmaal een slechte naam. Maar die veelheid aan nesten zegt erg weinig over het aantal aanwezige eksters. Hoe meer de eksters met rust worden gelaten, hoe groter de territoria worden (en het aantal daarin gebouwde lege nesten) en hoe kleiner uiteindelijk het aantal eksters! De nesten hebben ook nog een ander onbedoeld effect. Er zijn tal van soorten die de leegstaande woningen kraken zoals torenvalk, boomvalk, ransuil en boommarter.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Lockdown

Het is geen gekke strategie, in november wegkruipen en in april wel weer zien hoe de wereld er dan voor staat. Een gedachte die me met regelmaat in deze pandemie-tijd bekruipt. Ik benijd dan af en toe de egel die al die tijd achter in de tuin in het egelhuisje zijn bivak houdt. Onze egel wordt natuurlijk niet geplaagd door het tumult over avondklokken, bestorming van het Capitool, Brexit, vaccinaties en wat dies meer zij. Hij heeft andere zorgen.

Het menu van de egel is gevarieerd. Regenwormen, slakken, insecten, spinnen, eieren van op de grond broedende vogels. Maar hoe breed het menu ook is, in de winter is die tafel maar spaarzaam gedekt. Egels zijn net als alle zoogdieren warmbloedig en het op temperatuur houden van dat bloed kost energie. De diertjes eten zich in het najaar tonnetje-rond maar dat is niet genoeg om in de winter wakker en warm te blijven. Daarom kruipen ze weg, de lichaamstemperatuur daalt flink, ademhaling en hartslag vertraagt. De vetvoorraad die de egel heeft verzameld is net genoeg om in winterslaap deze periode door te komen. Net als onze winter, is ook winterslaap een rekbaar begrip. Als het warm wordt, kan ook de egel ontwaken en even de benen strekken. In een tuin met rommelige overhoekjes en bladhopen is dan nog vast wel wat te snaaien.

Egels zijn niet de enige zoogdieren in Almere die een winterslaap houden. Al onze vleermuizen, afhankelijk als ze zijn van vliegende insecten, zijn winterslapers. Sommige soorten overwinteren hier in de stad zoals de gewone dwergvleermuis, anderen zoals de meervleermuis trekken weg en overwinteren in grotten (Limburg) en bunkers (duinen). Verder zijn er tal van koudbloedige dieren die als volwassen dier overwinteren. De bruine kikker die ook in onze tuinen voorkomt, kan in dezelfde hoop bladeren wegkruipen als waar de egel winterslaapt. Dagpauwogen overwinteren in schuurtjes en soms op zolder. En van de gewone wesp overwintert de reeds bevruchte koningin als enige om in het voorjaar weer een nieuw volk te stichten.

Welbeschouwd is een winterslaap de ultieme lockdown.

Ton Eggenhuizen