Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


Een reactie plaatsen

Kaskaardespin, nieuw voor Almere.

“Ga je mee naar het tuincentrum? Ik wil een kerstboom met kluit.” Zelden heeft de uitnodiging van mijn vrouw om “gezellig” te gaan winkelen in het tuincentrum zoveel enthousiasme bij mij opgewekt. Niet dat ik het hele jaar uitkijk om de kerstmarkt van Intratuin te bezoeken. Het tegendeel kan niet minder waar zijn. Ik heb dan ook een andere reden, ik wil de verwarmde afdeling met kamerplanten aan een onderzoek onderwerpen.

Eerder dit jaar las ik in de Nederlandse Faunistische Mededelingen een artikel over een spinnensoort die recent in Nederland vaste grond onder de acht poten probeert te krijgen: de kaskaardespin (Uloborus plumipes). Dertig jaar terug werd deze tropische en subtropische spin in Nederland, in Groningen, voor het eerst ontdekt. Deze eerste vondst was in een verwarmde kassencomplex en alle latere vondsten waren in vergelijkbare situaties. Maar uit Almere is de soort nog niet bekend. Met name tuincentra zijn goede locaties om naar dit spinnetje te gaan zoeken. Het is een makkelijk herkenbaar beestje. Onze eigen spinnensoorten dienen veelal op basis van uitgeprepareerde genitaliën te worden gedetermineerd. Een lastig klein karweitje. De kaskaardespin is direct op het oog herkenbaar. Een vreemd driehoekig achterlijf, de lange voorpoten met een flink bosje haren halverwege, een makkie als je er eentje ziet.

De kerstboom is uitgezocht, een Servische spar (Picea omorica) met kluit. Nu is het eindelijk tijd om naar de kamerplanten te gaan. In mijn herinnering stond in het artikel dat de webben van de kaskaardespin vooral bij de stellagetafels te vinden zijn. Gelukkig heeft deze Intratuin stellages op stellages staan. Ik hoef dus niet te bukken om onder de tafels te kijken. Bij de eerste tafel is het al raak, een spinnenweb. Ik kan echter geen spin ontdekken. Zachtjes tik ik tegen een webdraad aan. Als een spin in hinderlaag ligt, komt die misschien wel tevoorschijn. Helaas, er gebeurt niets. Verderop heeft Annemiek een ander web gevonden, met een spinnetje.

Het is in één oogopslag duidelijk, hier zit de eerste kaskaardespin van Almere! In mijn enthousiasme realiseer ik me nog net dat een foto van de spin wel zo handig is. Ik spreek een medewerker van het tuincentrum aan: een keukentrapje zou mij helpen om er dichtbij te komen voor een goede foto. Als de medewerker van zijn verbazing is bekomen gaat hij op zoek naar een trapje. Ook andere medewerkers beginnen interesse in die rare van enthousiasme overstromende bioloog te krijgen. Gelukkig heb ik vrijwel altijd een plastic potje op zak om beestjes te vangen en goed te bekijken. Opgesloten in een plastic doorzichtig potje durven de medewerkers er wel naar te kijken. Het beestje is echter volstrekt ongevaarlijk. De Nederlandse spinnen hebben wel gif, maar zijn niet gevaarlijk voor ons mensen. Deze spinnensoort heeft niet eens gifklieren. Onder de bezwerende woorden dat de kaskaardespin kan helpen in de bestrijding van tijgermuggen, tripsen en ander ongemak laat ik het beestje weer los. Ondanks alles blijf ik het gevoel houden dat het lot van de spin toch bezegeld is.

Ton Eggenhuizen

Advertenties


4 reacties

Zwanenhals

Een krijsende golf kokmeeuwen komt van alle kanten aanstormen, er wordt duidelijk weer ergens gevoerd. Jawel, op de Weerwater-steiger bij het Stedenwijkstrandje zie ik een vrouw een flink zak brood leegschudden. Niet alleen kokmeeuwen komen eropaf. Stormmeeuwen, zilvermeeuwen, zelfs een Pontische meeuw, meerkoeten en wilde eenden delen in de feestvreugde. En twee knobbelzwanen.

Dit paar knobbelzwanen heeft de plek als territorium ingenomen en als alles goed gaat verwachten we hier in het voorjaar een broedgeval. Weinig andere zwanen worden hier geduld. Het vrouwtje zit inmiddels midden in het vogelgejoel, de man lijkt wat moeite met zwemmen te hebben. En wat het meest opvalt is de houding van de nek. Waar kan ik dat van? O, ja, in “the Mute Swan” het boek van Birkhead en Perrins, heb ik dat eerder gezien. Het is een symptoom van loodvergiftiging. In de jaren zeventig van de vorige eeuw ontdekte men dat vogels sterk te lijden hebben van loodkorrels in het milieu. Zwanen, ganzen en eenden (en kippen doen dat ook) eten grindkorreltjes en gebruiken deze als maalstenen in de maag. De gespierde maag kneedt het voedsel samen met de maalsteentjes waardoor de plantencelwanden gesloopt worden en het verteren een stuk beter gaat.

Die loodkorrels kwamen in de eerste plaats van door jagers gebruikte loodhagel. Bij de jacht op watervogels belandde het grootste deel daarvan niet in de vogel maar in het water. De vogels pikken het later wel als maagmaalsteentjes op. De kneedmaag zorgt vervolgens voor slijtage van de loodkorrels waardoor vervolgens het bloed het lood eenvoudig kan opnemen. Na de ban op loodhagel bleef er nog één loodbron in het water over, de verzwaringsloodjes van hengelaars. In Engeland zijn vele dood gevonden knobbelzwanen onderzocht en werden post mortem enorme hoge doses lood in het bloed aangetroffen.

Lood is een gevaarlijk goedje en kan leiden tot een flinke set aan gevolgen. Je kan er zelfs dood aan gaan. Een bekend fenomeen is de slappe pols en slappe enkel bij mensen met een loodvergiftiging. De spieren verslappen waardoor de normale houding en kracht niet meer mogelijk is. Dit leidt bij zwanen dan ook tot de kinky-neck. Een ander fenomeen bij watervogels is dat ook de beweging van het darmstelsel wegvalt. De vogel eet nog wel, maar verder dan de slokdarm komt het niet. Door loodvergiftiging omgekomen zwanen hebben dan ook enerzijds een volledig volgepropte slokdarm maar wel een leeg darmstelsel.

Maar zou de “kinky-neck” van onze zwaan ook een andere oorzaak kunnen hebben? Vast wel. Ik ben natuurlijk geen dierenarts en al helemaal geen toxicoloog. We hopen dat de zwaan erbovenop komt. Maar als hij wel “het loodje legt” gaat hij direct naar de Dutch Wildlife Health Center in Utrecht voor nader onderzoek. We houden hem in de gaten.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Handzame notenkraker

Een vogelaar zal bij een notenkraker direct aan een vogelsoort denken. Die vanzelfsprekendheid is veel andere mensen echter vreemd. Die denken aan het schaaltje te pellen hazelnoten, de suite van Tjaikovski of het ballet. De berichten over een extreem tamme notenkraker in Wageningen zal veel mensen dus op het verkeerde been hebben gebracht.

Notenkrakers zijn broedvogels uit de taigawouden in het noorden en het oosten. Heel sporadisch zwerven die wel eens naar onze contreien. Als het broedseizoen goed is verlopen en de populatie dus op zijn grootst is en vervolgens voedseltekort ontstaat door een slechte zaad en notenproductie van de bomen, gaan veel vogels op zoek naar andere gebieden. Voor vogelaars is het zien van zo een zeldzame notenkraker dus een fijn moment. De tamheid die de vogels vaak aan de dag leggen, draagt nog eens bij aan de vogelaarsvreugde.

Broedvogels in de taiga zijn geen mensen gewend. Gelukkig leidt dat in veel gevallen tot een grote mate van vertrouwen bij de vogels. Pestvogels zijn daar ook een voorbeeld van. Ook pestvogels kunnen invasiegewijs naar onze contreien afdwalen. De vogels zijn vaak super-benaderbaar en een buitenkans voor vogelfotografen. Helaas zijn er bij zulke invasies ook steeds de signalen dat er vogels worden gevangen voor de kooi. Ze zijn immers ook door kwaadwillenden makkelijk te benaderen. De Wageningse notenkraker heeft niet over aandacht te klagen en de vele vogelaars die van de vogel komen genieten en de vele fotografen die hun plaatje komen maken zullen kwaadwillenden voorlopig wel op afstand houden.

Zo een notenkraker, kan die ook in Almere opduiken? Jazekerwel. Ze zijn verzot op hazelnoten en die struiken zijn volop in Almere aangeplant. In de laatste decennia is het aantal waarnemingen in Flevoland echter zeer beperkt, de vogel uit 2001-2002 aan de elzenlaan in Zeewolde was één van de weinige vogels. In 1968 vond echter een grote invasie plaats met honderden vogels over heel Nederland. Het kan dus wel. Wie ontdekt de eerste notenkraker van Almere? En nee, stuur nu niet foto’s door met de verkeerde notenkraker. De vogel, daar gaat het ons, vogelaars, om!

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

De techniek, betere vogelaars of meer vogels?

We schrijven 20 oktober 1987. Plaats van handeling is de noordpunt van Texel. De allereerste siberische boompieper van Nederland wordt hier in een windsingel van een camping ontdekt. De vogelaarsgemeenschap wordt gek. Zo een zeldzame soort wil menigeen graag zelf ook zien en velen reizen af. De vogel blijft welgeteld een week zitten dus veel soortenjagers kunnen hem op hun lijstje bijschrijven. Ik ook.

Drie jaar later op 25 oktober ben ik met een aantal andere vrijwilligers vogels aan het ringen in de Kennemerduinen en tot onze blijdschap beland een siberische boompieper in het net. Het is dan al de derde waarneming in Nederland. En zo gaat het tot 2010, steeds maar één of twee waarnemingen per jaar. Het blijft een zeldzame gast. Vanaf 2011 lijkt de soort met een opmars bezig. Jaarlijks worden nu enkele tientallen vogels waargenomen waarbij de kuststrook tussen Groningen en Zeeland het leeuwendeel voor haar rekening neemt. Toch worden mondjesmaat ook vogels in het binnenland waargenomen. De eerste Flevolandse waarneming kon op 16 oktober van dit jaar door Hugo Wieleman worden genoteerd. Hij hoorde en zag een vogel over de Gooimeerdijk vliegen.

Is de siberische boompieper nu algemener geworden? Zijn de vogelaars beter in staat om hem te herkennen, of is er nog iets anders in het geding? Daarvoor moeten we in iets meer detail naar de waarnemingen kijken. Veel waarnemingen zijn van roepende overvliegende vogels. In de veldgidsen wordt over de roep van de siberische boompieper geschreven dat het iets minder hees, iets lager en iets korter is. Iets meer van dit, iets minder van dat. Dat is dus best lastig. Maar gelukkig lopen nu veel vogelaars, net als Hugo met handig draagbare geluidsapparatuur rond waarmee opnames gemaakt kunnen worden. En hoewel de verschillen voor ons oor lastig te detecteren zijn, zijn die in een sonogram goed in beeld te brengen. En dan speelt ook de revolutie van de digitale fotografie een belangrijke rol. Waar vroeger met de analoge fotografie ter nauwer nood gezien kon worden dat er wel degelijk “een of andere vliegende vogel” op de plaat stond, is met de snelle digitale flink wat meer detail zichtbaar.

We zouden echter de vogelaars te weinig recht doen als we de toename van waarnemingen volledig aan de digitale mogelijkheden zouden ophangen. Ik hou het er dus op dat betere vogelaars met betere middelen naar een toename van de doortrek van deze noordelijke broedvogel kijken. Een boeiende hobby, dat vogelen.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Bladpootrandwants

Met zijn dikke “kuiten” en een lengte van zo een twee centimeter is de bladpootrandwants een opvallende verschijning. De soort is met een opmerkelijke opmars bezig. In 2007 werd de wants voor het eerst in Nederland waargenomen, het jaar erop was de eerste Flevolandse waarneming in Lelystad een feit. Inmiddels komt de soort in heel Nederland voor. De laatste jaren wordt de soort in Flevoland twintig tot dertig keer waargenomen, met een piek in september en oktober.

Aangezien de wants leeft van het sap uit dennenkegels wekt het geen verwondering dat de soort in Almere nog schaars is. Zo veel dennenbossen hebben we niet. Dit jaar lijkt de soort evenwel algemener dan ooit met alleen al vijftien waarnemingen in Almere. Ook opvallend is dat er diverse dieren zijn aangetroffen op hoge gebouwen, met als hoogtepunt de 14e verdieping in een flat aan het Weerwater. De soort verspreidt zich vliegend en weet zich kennelijk aangetrokken tot hoge objecten, mogelijk door de nachtelijke verlichting. Ze overwinteren graag binnenshuis.

De bladpootrandwants komt van origine in Noord-Amerika voor en wordt daar af en toe gezien als plaaginsect. Of het in Nederland zo een vaart loopt laat zich slechts raden. Feit is wel dat het beestje inmiddels zo algemeen is dat hij niet meer is weg te krijgen.


Een reactie plaatsen

Redmond

Charles Darwin, geboren in 1809. Schreef zijn wereldvermaarde boek over het ontstaan van plant- en diersoorten toen hij 50 jaar oud was. Het jaar 2009 was daarmee zijn 200ste geboortejaar en de 150ste verjaardag van zijn “Origin of species”. In het ‘Darwinjaar-2009‘ is terecht over de hele wereld veel aandacht besteed aan deze grote onderzoeker. Nederland blies een flinke partij mee met de VPRO-documentaire over de reis die Darwin met de Beagle maakte en al dobberend de evolutietheorie bedacht.

Iedere aflevering zaten we op het puntje van onze stoel. Historie, nieuw onderzoek, inzicht in de toestand van de natuur, het kwam allemaal aan bod. Het was de eerste keer dat ik van Redmond O’Hanlon hoorde. Met bakkebaarden als Amazonewouden, een houding die een leven lang in weer en wind achter het roer van een 19e eeuwse klipper deed vermoeden en een flinke dosis Engelse humor stal hij menig hart, en in ieder geval ook het onze. Met speels gemak en een grote eruditie sneed hij vele relevante onderwerpen aan, van nietige eencellige dieren tot walvissen, alles heeft zijn interesse. Wat een bijzondere kerel!

Een jaar later deed Redmond een en ander nog eens dunnetjes over in zijn VPRO-serie Redmond’s Helden. En weer etaleerde Redmond O’Hanlon die bijzondere combinatie van kennis, begeestering en humor. Redmond heeft zijn helden, mijn held is Redmond! En toen de gemeente Almere Redmond uitnodigde om in Almere te komen wonen en een boek over deze groene stad te schrijven (‘writer in residence’) wisten we zeker, dit is onze kans om hem te ontmoeten. Het duurde even maar uiteindelijk kwamen de twee stadsecologen (mijn vrouw Annemiek en ik) in de radar. Of we een excursie wilde organiseren met Redmond naar een mooi natuurgebied in Almere. Maar natuurlijk! Het excursiedoel was snel gevonden. Het Almeerderstrand was door ons net ontdekt als walhalla voor korstmossen en paddenstoelen. Dus enige dagen later liepen Redmond en zijn vrouw Marijn, Annemiek en ik vrolijk keuvelend over het strand en knielend op een bed van korstmossen.

Een diner bij Marijn en Redmond thuis volgde. Zij woonden toen in een penthouse in Nobelhorst, maar ondanks de hoge positie, kreeg je onwillekeurig het gevoel in een scheepsruimte van de Beagle te zijn, werkelijk volgepakt met curiosa en boeken, vondsten en artefacten. Een derde ontmoeting vond plaats nabij het stadshart waar Redmond alles wilde weten over stadsecologie en de knobbelzwanen die in mijn ogen daar perfecte ambassadeurs voor zijn. Ik zou het enorm eervol hebben gevonden als ik het dankwoord van zijn boek genoemd zou worden, het werd een heel hoofdstuk. Hoe gaaf is dát?

In september van dit jaar is het boek van Redmond over Almere verschenen: de Groene Stad. Een ode aan het urbane groen, aan de Almeerse historie van de steentijd tot de moderne stadsplanning en aan de mensen die de stad hebben gemaakt. Een stad om trots op te zijn en Redmond deelt daar met dit boek de lauwerkransen voor uit.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Klimopbloesem

De kogelronde bloeiwijze van de klimop met ruim twintig afzonderlijke bloempjes is niet te missen en op een zwoele nazomeravond geldt hetzelfde voor de geur. Het blad aan de bloeiende takken is echter minder kenmerkend. Vaak egaal groen en altijd langwerpig zonder de kenmerkende ‘hedera-vorm’. Nu, in het najaar is het één van de weinige bronnen van nectar en stuifmeel. Aan de andere kant, ook bestuivers zoals bijen en (nacht)vlinders zijn nu niet algemeen meer.

Met zaklamp en mobiele telefoon (voor de foto’s) kan een avondwandeling langs de bloeiende klimop in de wijk best nog wat opleveren. Naast de lekkere en zoet-bedwelmende geur zijn ook nog aardig wat nachtvlinders te vinden. En een deel van die nachtvlinders hebben hun vliegtijd vooral in het najaar. Wil je de bruine herfstuil zien, dan is oktober daarvoor de beste kans. Er vliegen nu nog een kleine veertig soorten. In de zomermaanden is het soortenpalet veel rijker gevuld. De nachtvlinderverwachting van www.vlindernet.nl geeft aan dat in juli zo een 150 soorten in Almere zijn te verwachten. Het gaat nu dus ook niet zozeer om de aantallen, maar om de typische herfstvlinders.

Het lijkt een domme strategie om te bloeien als het aantal insecten flink is afgenomen, maar daar kan je ook anders naar kijken. Een nachtvlinder die in de zomer van bloem naar bloem vliegt, kan stuifmeel van de ene plantensoort naar de andere brengen. Maar dat levert geen bevruchting en dus ook geen zaad op. In het najaar met weinig andere bloeiende soorten heeft de klimop wel een monopolie op de bestuivers. De kans dat een bruine herfstuil het klimopstuifmeel bij een andere plantensoort aflevert is maar heel klein.

Ook overdag is het genieten bij een bloeiende klimop. De geur is minder aanwezig, maar het aantal bestuivers is best aan de maat. Zweefvliegen als de blinde bij, gewone wespen en zelfs de zeldzame klimopbij zijn dan volop rond de klimop te vinden. En als laatste, ook spinnen hebben een voorliefde voor de lokkende klimop, getuige de vele spinnenwebben. Die hebben weer geleerd dat het goed vliegenvangen is bij de geurende klimop.

Ton Eggenhuizen