Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


1 reactie

Feiten of alternatieve feiten: het factsheet nijlgans.

Het paartje nijlganzen van de Stedenwijk heeft jongen. Vorig jaar bracht dit paar samen met vijf eigen jongen ook nog een grauwe ganzenjong groot. Dit jaar waren ze er laat bij want pas eind augustus zagen we de vogels met een vijftal kleine donskuikens. Vandaag wandel ik weer langs hun favoriete stek en tot mijn tevredenheid zie ik de familie nog compleet. De jongen zijn al flink gegroeid en wandelen al wat verder van de beide oudervogels weg. De hele familie loopt op de grasoever van de vaart, een plek die ze delen met een familie knobbelzwanen.

Van nijlganzen wordt beweerd dat ze agressief zijn ten opzichte van andere vogelsoorten. In de risicobeoordeling van de Europese Unie, en door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit in een “fact-sheet” gekopieerd, staat dan ook dat de soort agressief gedrag vertoont ten opzichte van andere vogels, waardoor deze verdrongen worden en minder foerageergebied hebben. De EU en de NVWA zijn niet de eerste de beste, die doen niet zo maar loze beweringen (las ik onlangs). Er staan gelukkig bronnen bij: onder andere de Atlas van de Nederlandse broedvogels uit 1979. Er zijn twee redenen om die veertig jaar oude atlas er even bij te pakken.

In dit boek wordt een geval aangehaald van een tam paartje nijlgans dat zich vergreep aan andere vogels in de vijver. Maar er wordt ook gesteld: van wilde of verwilderde vogels is dit gedrag niet bekend. En: het verdient aanbeveling eens te onderzoeken in hoeverre concurrentie optreedt tussen nijlgans en inheemse vogelsoorten. Dat onderzoek heeft, meen ik, nooit structureel plaats gevonden. De twee andere genoemde bronnen onderbouwen ook al niet dat er sprake zou zijn van een negatief effect op andere vogelsoorten. Kortom, dit is eerder cherry-picking (en nog 40 jaar oude cherries bovendien!) van de EU en de NVWA dan een goede inhoudelijke onderbouwing van het schadelijk effect.

De andere reden om het stof van die oude atlas af te blazen is de beschrijving van de knobbelzwaan. De Atlas vermeldt dat ook verwilderde knobbelzwanen (men meende ten onrechte dat dat toen voor vrijwel alle knobbelzwanen gold) agressief waren ten opzichte van andere vogels. Maar zien we hier niet de bevederde versie van het aloude verhaal van te veel ratten in één kooi? Een overvolle eendenvijver, concurrentie om voedsel, opgebouwde stress; dan is het toch logisch dat de vogels knorrig worden? Het zogenaamde “fact”-sheet van de NWVA heeft nog een andere bijzondere bewering over de nijlgans. De vogels zouden met hun poep het oppervlaktewater vervuilen. Kennelijk vind met exotenpoep erger dan poep van inheemse vogels. Maar het is wel erg bout om dat als een feit te presenteren.

Ik sta dus deze ochtend kennelijk oog en oog met twee van de meest agressieve vogelsoorten in Nederland. Twee vogelsoorten die in de meest stressvolle periode van het jaar, als ze hun jongen proberen groot te brengen, in volstrekte harmonie en zonder enige onderlinge animositeit op het zelfde stukje grasland vertoeven. De nijlgansjongen scharrelen gewoon tussen de zwanen door. En dit is niet de enige waarneming van vreedzame nijlganzen. Inmiddels heb ik al vele uren besteed aan het observeren van nijlganzen zonder ernstige agressie van de vogels te zien. Dat zijn geen alternatieve feiten meer, mensen!

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Wegedoorndonsbedje

Met verbazing hoorde ik Jetze Kamerling van de Beheergroep Buurtbewoners Beatrixpark praten over de wegedoorn in het park. Ik ken deze struik met geelgroene bloemen en blauwzwarte bessen wel van uit de duinen en was tot op dat moment onwetend over het voorkomen in Almere. Toch blijkt deze struik buiten het Beatrixpark op zeker nog vijf andere plekken in de stad te staan. Dikwijls als aanplant.

Een inheemse boom of struik betekent vaak dat er insecten en andere beestjes op leven die zich geheel aan die plant hebben aangepast. Tijd dus om de Beatrixparkse wegedoorn die door Jetze werd aangewezen aan een bladkerende inspectie te onderwerpen. Deze struik heeft boomaspiraties, met een kroonhoogte van zeker een meter of vijf. Gelukkig hangen ook wat takken langs het pad op reikhoogte. Bij het tweede twijgje is het raak. Aan de onderzijde van een blad zie ik twee veldjes met grijs dons. In eerste instantie denk ik aan een meeldauw. Omdat die schimmelsoorten toch echt microscopisch onderzocht moeten worden, wordt het blaadje met het donsbedje meegenomen.

Thuis zie ik met een loep al snel dat het een vergalling is van het blad, en geen meeldauw. Ook zie ik een groengelig mijtje in het donslaagje wegkruipen. OK, dat maakt het vinden van een naam op de website www.bladmineerders.nl al een stuk makkelijker. Dit is een website die meer levert dan de naam belooft. Het geeft niet alleen informatie over bladmineerders, maar is ook uitvoerig over allerlei andere dieren en schimmels die op en in plantenbladeren leven. Al snel blijk ik dus oog in oog te staan met de wegedoornbladmijt. Zou die al eerder op een andere Almeerse wegedoorn zijn aangetroffen?

Daarvoor spring ik over naar www.waarneming.nl, de website waar duizenden natuurfanaten jaarlijks een paar miljoen waarnemingen aan toevertrouwen. Voor het grootste deel vogels, maar ook tal van andere soortgroepen worden op deze manier bestudeerd. De site meldt over de wegedoornbladmijt dat die zeldzaam is. Nog niet eerder in Almere waargenomen. Sterker nog, zelfs nog nooit in Flevoland. Het blijkt notabene pas de derde vermelding voor Nederland! En als ik die twee eerdere waarnemingen bekijk en vergelijk met de informatie op bladmineerders.nl denk ik zelfs dat het geval in het Beatrixpark de eerste van Nederland zou kunnen zijn.

De wegedoorn bestaat al miljoenen jaren, de bladmijt idem dito. Zulke diertjes vormen dus zelden een probleem voor de plant. Alleen als die plant op een ongunstige plek staat (of in een monocultuur) kan de plant aan het beestje ten onder gaan. Dat is dan natuurlijk niet het beestje aan te wrijven maar de planter die een verkeerde plek heeft uitgekozen. De vraag is nu of de wegedoornbladmijt echt zeldzaam is of dat er maar zelden naar gezocht wordt. Je ziet het immers pas als je het doorhebt. Dus, zie je een wegedoorn staan, keer gerust wat blaadjes op zoek naar het donsbedje van deze mijt.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Sterke kwetsbaarheid

Voorover gebogen lopen we in de berm van de Dashorstdijk. Voorbijgangers zullen denken dat we op zoek zijn naar een contactlens of een ander klein object. Het eerste klopt niet, het tweede wel. We zijn op zoek naar het blauw walstro.

Blauw walstro is een (ver) familielid van het kleefkruid en de bekende tuinplant het lievevrouwenbedstro. En inderdaad een klein object. Onlangs vond mede-soortenzoeker Richard het plantje hier en meldde het op waarneming.nl. En aangezien ik zelf al een tijdje op zoek ben naar dit kleine plantje, toog ik de volgende dag naar de dijk. Waarneming.nl heeft een functie om je direct naar de plek van een eerdere waarneming te loodsen. Met de mobiel in de hand was de plek dan ook snel gevonden (“bestemming bereikt”). Kat-in-t-bakkie zou je dan denken. Dat bleek toch lastiger. Op de aangegeven plek werd het paar centimeter hoge plantje met nietig lila-blauwe bloempjes niet gevonden. Cirkelend rond de aangegeven plek spendeerden we al snel een half uur.

Toch maar weer terug naar de oorspronkelijke plek, en niet vooroverbuigen maar op handen en knieën. En plots, half onder een reukloze kamille, valt ons oog op het blauw walstro. De kamille ziet er wat armetierig uit, verder wat laagblijvende kleine klaver en zachte ooievaarsbek, zelfs het duizendblad komt hier op het hoogste deel van de dijk niet hoger dan tien centimeter. Het glad en het geel walstro dat iets lager op de dijk welig tiert, waagt zich niet eens bovenop. De groeiomstandigheden staat het alleen specialisten toe om hier te groeien.

Het is met name de vochthuishouding die voor veel planten de bottleneck is. De zandige goed doorluchte grond en het gemak waarmee regenwater naar lagere delen afvloeit, maken het een droge plek. Wind en zon doen de rest. Vroeger werd de zon minnende plant gevonden in graanakkers op de zandgronden. Maar sinds daar door bemesting veel efficiënter wordt geboerd staan de graanhalmen zo dicht op elkaar en is het blauw walstro daar verdwenen. Tegenwoordig is de plant alleen nog te vinden in de kleistreken en op het krijt, het meest in Zuid-Limburg, de Zeeuwse Delta en de IJsselmeergebied. Natuurlijk niet in de echte voedselrijke delen van kleigebieden waar ze snel overwoekerd zouden raken door andere vegetatie. De sterkte is gelijk zijn zwakte. De omstandigheden dicteren dat de plant maar klein blijft.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Zeer zeldzaam vliegje, of toch niet?

Begin juni ruim ik steevast een groot deel van mijn vrije tijd in voor roofvogelonderzoek. De jongen van buizerd en havik zijn dan precies groot genoeg om te ringen. Dit is het 28ste seizoen dat ik hiermee een bijdrage lever aan het landelijk roofvogelonderzoek. Maar denk niet dat het dan na zoveel jaar routine wordt. Ieder jaar leren we weer bij.

Neem bijvoorbeeld dat nest aan de Vogelweg dat we onlangs bezochten. Een buizerd, op 22 meter hoogte in een abeel. Casper, een van mijn vaste klimmers want zelf heb ik hoogtevrees, helpt me deze avond. Als hij veilig en wel bij het nest is geklommen, hoor ik hem roepen dat er twee jongen in liggen: “twee, maar er is wel iets geks mee aan de hand!”. De jongen worden in een tas gestopt en langzaamaan een touw naar beneden getakeld. Daar kan ik de vogels meten, wegen en ringen. Als ik de tas open, zie ik direct wat er zo gek is. Twee jongen met een enorm verschil in grootte.

Bij roofvogeljongen is verschil in grootte op zich wel gebruikelijk. De buizerd begint direct te broeden als het eerste ei is gelegd. Twee dagen later wordt het tweede ei gelegd, twee dagen later het derde, en soms nog een vierde en heel soms een vijfde. Daardoor komt het eerste ei ook als eerste uit, het tweede twee dagen later, etc. Bij drie jongen is het leeftijdsverschil dus bijna een week. Het verschil bij deze twee is echter – op basis van de vleugellengte – ruim twee weken. Naar de oorzaak is het slechts gissen.

Enige tijd geleden vroeg een insectendeskundige of ik wel eens parasieten zag op de nestjongen. Daar zouden namelijk wel eens weinig waargenomen soorten bij kunnen zitten. Die vraag spoorde mij aan om eens wat van die beestjes te verzamelen. De jonge buizerds zullen dat wegvangen van die irritante huidkruipertjes vast niet erg vinden. In mijn ringkoffer zit nu dus ook standaard een insectenzuigbuis (exhauster). Als ik de beide buizerdjongen onder de oksels kijk, zie ik inderdaad diverse beestjes kruipen. Snel zuig ik ze op en bewaar ze vervolgens in de alcohol voor nader onderzoek. De buizerdjongen kunnen gewogen en gemeten, ontdaan van de parasieten maar mét vogeltrek-ring weer naar boven naar het nest.

Thuis blijken de parasieten heel kleine vliegjes te zijn. Vliegjes van een millimeter groot en met rudimentaire vleugeltjes. Na wat speurwerk en hulp van collegaringers blijken het zogenaamde okselvliegjes te zijn, geen gekke naam voor vliegjes uit een vogel-oksel. De wetenschappelijke naam: Carnus hemapterus. Als ik de soort wil invoeren in de landelijke database van waarneming.nl komt direct de waarschuwing “Dit is een zeer zeldzame soort” in beeld. De soort blijkt nog maar drie keer ingevoerd, twee daarvan door de voornoemde insectendeskundige. Maar ja, wie kijkt nou gericht buizerdjonkies onder de vleugels?

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Dagactieve nachtvlinder

Ik ben op safari. Op tuin-safari wel te verstaan. De Corona kluistert ons immers meer aan huis dan normaal. Gelukkig valt ook daar altijd iets te beleven. De grootte van de tuin dwingt mij daarbij te kijken naar het kleine. Daardoor valt mijn oog op een heel klein vlindertje van een paar millimeter groot. Je oog moet er ook maar net opvallen. Ik kan ook niet goed beschrijven waaraan ik kon zien dat het vliegend insect een ieniemienienachtvlindertje was. Het is iets in de vleugelslag, het weinig doelgerichte. Hoe klein ook, die vleugelslag valt wel op. Gelukkig vliegen er meer, dus de kans om het beestje in rust te zien lacht mij toe. En om het beestje te determineren, is een stilzittende mot wel een absolute voorwaarde.

Voor een buitenstaander moet het een vreemde aanblik zijn. Ik sta met mijn mobiel in de hand naar de heg te staren. En als ik er dan uiteindelijk eentje zie zitten aan de zijkant van een takje, moet ik mij in bochten wringen om het op de foto te krijgen. Gelukkig sta ik in mijn eigen tuin, huisgenote en buren kijken er niet meer van op. Bingo, de rakker staat op de plaat. De combinatie van de geveerde antenne en de twee witte vlekken op de donkerbruine ondergrond maakt de determinatie rechttoe rechtaan: de witvlekmot. De grote geveerde antenne maakt duidelijk dat het een mannetje is. Met die antennes vangen de mannetjes de geurstof van de vrouwtjes die zelf slechts over dunne draadvormige sprietjes beschikken.

De witvlekmot is een zogenaamde micro. Een kleine nachtvlinder die ik dus overdag in de tuin zag vliegen. Vreemd? De overgrote meerderheid van de nachtvlinders vliegt inderdaad in het donker, maar een klein aantal laat zich juist ook overdag fladderend zien. Die diertjes worden dan ook met de ietwat tegenstrijdige “dagactieve nachtvlinders”-term aangeduid. Zoals alle vlinders, begint ook dit motje als een rups. Die rupsen zijn soms te zien op hazelaar, haagbeuk, eik, linde en een aantal andere bomen en struiken. Nog makkelijker zijn de vraatsporen te vinden. Ovale gaten van iets minder dan een halve centimeter. Die gaten zijn het achter gelaten bewijs van de rups. De vrouwtjesmot legt namelijk haar eitje met een legboor in het blad, in de dunne laag tussen de bovenkant en onderzijde. Het rupsje maakt een klein ovaal kamertje in die tussenlaag, het bladmoes. Dat kamertje wordt een blaasmijntje genoemd.

Als het rupsje een stuk gegroeid is, vreet die een uitsnede uit het hele blad door de bovenlaag en onderlaag en laat zich “gesandwiched” op de grond vallen. Daar voedt de rups zich verder met dood bladmateriaal. Eenmaal volgevreten verpopt die zich en in het voorjaar kruipt er een vlindertje uit. Dan kan de hele geschiedenis zich weer herhalen. Maar hopelijk ben ik dan weer minder aan de tuin gekluisterd dan in deze periode.

Blijf gezond!

Ton Eggenhuizen


1 reactie

Natuur in corona-tijd

Door de Corona-uitbraak werken we zo veel als mogelijk is thuis. Met de laptop aan de huiskamertafel heb ik daardoor nu zicht op voor- en achtertuin. Dat is een grote verandering van perspectief. Niet langer het zicht van de negende verdieping van het stadhuis over de stad, maar een werkplek op straatniveau. Ik zie nu met regelmaat mensen langs de voortuin lopen en even stilstaan. Waar kijken ze naar?

Langs onze gevel hebben we een groot bijenhotel gebouwd. Twee meter lang en bijna 60 centimeter hoog. Ik schat in dat dit een van de grootste private hotels is Almere is. De gevel ligt op het zuidoosten waardoor het op een zonnige ochtend al snel behaaglijk warm wordt. Tientallen bijen zwermen voor het hotel. Op dit moment vliegen hier vooral veel gehoornde metselbijen, herkenbaar aan de lange voelsprieten, een witte snoet en een gouden kont. Vooral de afgezaagde bamboestokjes zijn in trek. Ze kruipen het stokje in, stoppen er wat voedsel in (verzameld stuifmeel) en leggen er een eitje. De cel wordt met een laagje modder afgesloten, waarna een nieuwe cel wordt volgestopt met proviand en een eitje. En weer een cel, en weer een cel. Totdat het bamboestokje vol is.

Als het eitje uitkomt vreet het zich vol met het stuifmeel, verpopt een aantal keer en sluipt het volgend jaar uit zijn cel. Daarvoor moeten de bijtjes die achterin zitten eerst wachten tot de voorste dieren de stengel verlaten hebben. Het is hier last-in, first-out. Gehoornde metselbijen zijn vroeg vliegende soorten. Als het niet streng wintert zijn ze in februari al te zien. Voor hun voedsel zijn ze afhankelijk van vroegbloeiende planten, zoals de wilg met zijn wilgenkatjes. Het is daarom zaak om bij het wilgenknotten niet alle bomen in de rij hetzelfde jaar te ontdoen van de takken. Zo blijft er ieder jaar voldoende stuifmeel beschikbaar. Een andere belangrijke nectarbron in het vroege voorjaar is de paardenbloem. En daar is – eerlijk is eerlijk – nog een wereld te winnen met ons maaibeleid.

Ik denk dat ik morgenochtend mij maar op een stoel in de voortuin posteer. Niet vanuit de negende verdieping over de stad uitkijken, maar op straatniveau. Zo kom ik ook sneller in gesprek met mijn buurtgenoten over natuur in de stad. Zolang we maar die anderhalve meter afstand bewaken. En hoewel die gehoornde metselbijen niet gaan steken, zullen ze me vast wel helpen bij het afstand houden. Soms is een beetje angst voor beestjes best wel handig.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Brandnetels zijn ook groen

Ik ben een groot liefhebber van brandnetels. Tientallen insecten zijn afhankelijk van deze plant. Sommige soorten zijn ook naar de plant vernoemd, zoals de viervlekbrandnetelsnuitkever, het donker brandnetelkapje, de brandnetelrolgalmug en de brandnetelblindwants. Zonder grote brandnetels ook geen kleine vos, dagpauwoog en atalanta. De rupsen van deze vlinders leven vrijwel geheel van brandnetel. Brandnetels zijn door de brandharen ook goede veilige nestelplaatsen voor nachtegaal en tal van andere zangvogels. Zij voelen zich daar veilig.

Brandnetels groeien op voedselrijke bodem. Vandaar dat de brandnetel ook veel genoemd wordt in het stikstofdebat: “stikstof is helemaal geen probleem, het is goed voor de natuur. Brandnetels zijn toch ook groen?” Als brandnetelaficcionado zou mij dat als muziek in de oren moeten klinken, nietwaar? Niet waar. Het is om zeker twee redenen namelijk grote flauwekul. Zeker, brandnetels zijn nuttig. In gebieden met een natuurlijk rijke bodem, zoals onze zeekleipolder, is de brandnetel algemeen. Ze hoort bij onze bodem. In onze streken hoort zij thuis. Maar in voedselarme zand- en veengronden horen weer andere planten thuis. Andere planten waar weer andere insecten van afhankelijk zijn, waar andere ecosystemen horen te floreren. Overal brandnetels zou een enorme aderlating voor de biodiversiteit opleveren. Bovendien, ook die voedselrijke systemen hebben baat bij de afwisseling met voedselarmere systemen. Een monocultuur van brandnetels maakt deze kwetsbaar voor ziekten en plagen.

Een nog belangrijker reden is dat het met die brandnetels en het ecosysteem in de overbemeste gebieden ook niet goed gaat. Veel van de hiervoor genoemde insecten die afhankelijk zijn van de brandnetel, laten zelfs een achteruitgang zien. En ook de nachtegaal laat qua populatiegrootte een flinke veer. De vermesting met stikstof en meer brandnetels heeft in ieder geval niet over de hele linie geleid tot grotere populaties van brandnetelvretertjes. Dit komt vooral door de ontstane disbalans tussen de verschillende meststoffen (stikstof en fosfaat) en sporenelementen in de bodem, ook een gevolg van de stikstofoverload. Kort en goed, aan de ene kant verliezen we karrevrachten aan biodiversiteit, aan de andere kant komt er niets bij. “Brandnetels zijn ook groen” is het simplisme voorbij.

Ton Eggenhuizen

bio


Een reactie plaatsen

Dode eik leeft

Het winterse Pampushout oogt in eerste aanblik doods. Geen blad aan de boom, de ondergroei afgestorven. De regen en wind verhogen de feestvreugde ook al niet. Toch valt er voor mij genoeg in het bos te beleven. Het bos is zeker niet dood.

Ik struin nu door het bos op zoek naar roofvogelnesten van voorgaand jaar. Die nesten zijn in de kale bomen redelijk eenvoudig te vinden. In de wetenschap dat roofvogels nesten meerdere jaren achtereen kunnen gebruiken, kan ik op deze winterse dag de roofvogelstand al aardig in beeld brengen. Boven het geluid van de wind in de takken hoor ik bovendien de koorzang van koperwiek,  de scherpe tik van de appelvink en zelfs de voorzichtige eerste roffel van de grote bonte specht. Verder zijn ook nu nog volop paddenstoelen te vinden. Ik noteer rode kelkzwam, slanke anijstrechterzwam, ziekenhuisboomkorst en klontjestrilzwam. Hoezo, doods bos?

Waar door werkzaamheden het bospad onbegaanbaar wordt, steek ik het naastliggende perceel in. Struinen over omgevallen bomen en door braamstruweel. Een gesneuvelde eik met losliggende bast is een nadere inspectie waard. Voorzichtig til ik een stuk van de bast op en het eerste wat beweegt zijn tientallen pissebedden. Mospissebed en kelderpissebed. Een grote zwarte kever met knobbels op het dekschild laat zich makkelijk benoemen, de gekorrelde veldloopkever. Een kluitje kleinere kevers zijn slakkenaaskevers. Wat duizendpoten, een regenworm, de grote zwartschild (ook een loopkever). En een sluipwesp. Van die laatste moet ik even de naam schuldig blijven. Ik maak snel wat foto’s in de hoop daarmee de determinatie te kunnen volbrengen. Voorzichtig leg ik de boombast weer terug en zo kunnen de beestjes weer rustig het voorjaar afwachten.

De wesp heeft een witte stip op de rug en achter op het achterlijf. Halverwege de antennes zit een  witte band. Na wat gepuzzel kom ik uit op Chasmias paludator. Het blijkt dat deze opvallende wesp nog niet eerder in Almere is vastgesteld en dit is pas de tweede waarneming in Flevoland. Ook buiten Flevoland zijn nog niet veel waarnemingen. Ik liep het bos in voor buizerdnesten, en kom er weer uit met tal van leuke waarnemingen. Dat is niet de eerste keer dat ik mezelf verlies, dit keer bij een dode eik die wemelt van het leven.

Ton Eggenhuizen


1 reactie

Lessen uit de natuur

De Japanse makaak is een intensief bestudeerde apensoort. Veel onderzoek is gedaan naar de hiërarchische structuur van een grote groep makaken op een eiland.

Op een gegeven moment zagen de onderzoekers een vrouwtje gedrag vertonen wat zij nog nooit eerder hadden gezien en wat nog niet in de boeken beschreven stond. Zinvol gedrag, zelfs. Het makaakvrouwtje had uitgevogeld dat fruit wat op het strand lag, in het zeewater kon worden afgespoeld. Ze had geen zand meer in haar bek wat op termijn ook wel minder gebitsslijtage zou opleveren. De onderzoekers waren benieuwd of groepsgenoten het gedrag zouden na-apen. En wie vooral.

Eerst waren het haar eigen kinderen. Dat was vrij logisch. Maar ook niet verwante dieren gingen van lieverlee het fruit eerst afspoelen. Het gedrag verspreide zich steeds sneller. Maar niet iedere aap nam het slimme gedrag over. Op dat moment kwam het uitgebreide onderzoek naar de hiërarchie binnen de apengroep van pas. Het bleek dat alle na-apers een gelijke of lagere positie op de ladder hadden. Dieren hoger op de ladder waren niet geneigd het gedrag over te nemen.

Het na-apen van een dier dat lager op de hiërarchische ladder zit, heeft een risico. Als andere dieren dat zien, kan het als teken van zwakte worden ervaren. Carrièremakers zullen hun kans groot zien om ten koste van de na-aper de ladder te beklimmen. Kopiëren van gedrag van een lager geplaatst dier kan je dus wat treden op die hiërarchie-ladder kosten. Ondanks het feit dat het te kopiëren gedrag profijtelijk was, waren de top-apen niet van zins het te adopteren.

Mensen zijn ook apen. Het wekt dan ook geen verbazing dat het hierboven gedrag soms ook bij mensen is te zien. Maar let wel, wij zijn vooral denkende apen. Echt slimme mensen weten zich aan hun “aap-zijn” meestal wel te onttrekken. De vergelijking met apen gaat gelukkig lang niet altijd op. Ondanks dat, soms schieten mensen dus wel in die apenreflex. En het is voor mensen die het makakenverhaal kennen, zoals nu ook “lezer dezes”, zeer vermakelijk om mensen in die reflex bezig te zien.

Ton Eggenhuizen