Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


2 reacties

Chemische oorlogsvoering

Stel je hebt een bloempje en een bijtje, of beter nog een plant en een insect. Een blad etend insect. De bladeren zijn voor de plant van levensbelang, dus die vraat is ongewenst. Om de vraat tegen te gaan ontwikkelt de plant afweerstoffen. De nakomelingen van die plant die de beste stofjes maken, hebben de beste overlevingskansen.

De insectenevolutie zit echter ook niet stil. Een aantal insecten weet vervolgens om te gaan met die afweerstoffen. De vraat die daarop volgt leidt weer tot nog betere afweerstoffen en dat leidt weer tot verdere evolutie van het insect. Pure chemische oorlogsvoering! Uiteindelijk leidt dit tot specialisatie en nauwe plant-dierrelaties. In de natuur zijn veel van deze relaties te vinden. De zebrarups is nagenoeg de enige die de chemische wapenwedloop met het jacobskruiskruid aan kan. De zomereik heeft daarentegen vele bladvretertjes.

De crux van deze specialisatie is dat ondanks de vraat de planten er doorgaans geen last en soms zelfs profijt bij hebben. De sleutel hierbij is biodiversiteit. De zomereik is voor zangvogels een geliefde boom vanwege de immer gedekte dis. Koolmezen en ander vogelgrut houden zo de insectenpopulaties in de eik in bedwang. Het is wel van belang om ook andere boomsoorten in de buurt te hebben voor de momenten dat die eik even te weinig voer oplevert voor de vogels. Daarom is een bos met meer boomsoorten ook altijd veel productiever, zelfs voor houtvesters. Hoe hoger de biodiversiteit, hoe kleiner de kans op plaagvorming. Een hoge biodiversiteit betekent ook dat er vast organismen (aaltjes, schimmels) zijn die de zebrarups weer in bedwang houden.

De laatste jaren is een andere specialisatie tussen plant en dier in het nieuws: de buxus met zijn buxusmot. En daarbij kunnen we vanuit het perspectief van de plant – vooralsnog – niet spreken van “geen last” en al helemaal niet van “profijtelijk”. Ook hier is biodiversiteit een sleutelbegrip. In veel tuinen is de buxus als goed snoeibaar sierplantje het enige groen langs een tegelplaats. Of ze staan in een sierpot op de tegels. Zulke plekken worden door koolmezen gemeden. Te weinig variatie in voer, geen vluchtmogelijkheden voor de kat. Bovendien, koolmezen kennen de buxus (nog) niet. Zowel buxus als buxusmot komen van elders. Bij de introductie in West-Europa is eerst alleen de buxus en veel later de buxusmot uit het natuurlijke ecosysteem hier naartoe gehaald. In de tuin is hierdoor een extreem soortenarm ecosysteem aanwezig: buxus met zijn mot. Geen andere organismen die de buxusmot eronder kunnen houden. Dit is te vergelijken met een gazelle in de leeuwenkuil van Artis. Het levert slechts een heel korte en heel hevige ecologische relatie op.

Hoe nu verder? In ieder geval moeten de buxusliefhebbers niet meedoen aan de chemische oorlogsvoering. Er zijn inmiddels duidelijke aanwijzingen dat koolmezen – die schoorvoetend beginnen aan buxus-bezoek – door bespuiting van de buxus met “gewasbeschermingsmiddelen” dood neervallen. Verhogen van de biodiversiteit is de enige sleutel om de buxus te behouden en de rups tot aanvaardbare proporties terug te dringen. Dus vergroenen, structuur in de tuin, vluchtmogelijkheden en zo veel mogelijk planten gebruiken die hier van nature voorkomen.

Ton Eggenhuizen

Advertenties


1 reactie

Lessen uit de natuur

De Japanse makaak is een intensief bestudeerde apensoort. Veel onderzoek is gedaan naar de hiërarchische structuur van een grote groep makaken op een eiland.

Op een gegeven moment zagen de onderzoekers een vrouwtje gedrag vertonen wat hij nog nooit eerder had gezien en wat nog niet beschreven stond. Zinvol gedrag, zelfs. Zij had uitgevogeld dat fruit wat op het strand lag, in het zeewater kon worden afgespoeld. Ze had geen zand meer in haar bek wat ook wel minder gebitsslijtage zou opleveren. De onderzoekers waren benieuwd of groepsgenoten het gedrag zouden na-apen. En wie vooral.

Eerst waren het haar eigen kinderen. Dat was vrij logisch. Maar ook niet verwante dieren gingen van lieverlee het fruit eerst afspoelen. Het gedrag verspreide zich steeds sneller. Maar niet iedere aap nam het slimme gedrag over. Op dat moment kwam het hiërarchie onderzoek van pas. Het bleek dat alle na-apers een gelijke of lagere positie op de ladder hadden. Dieren hoger op de ladder waren niet genegen het gedrag over te nemen.

Het na-apen van een dier dat lager op de hiërarchische ladder zit, heeft een risico. Als andere dieren dat zien, kan het als teken van zwakte worden ervaren. Carrièremakers zullen hun kans groot zien om ten koste van de na-aper de ladder te beklimmen. Kopiëren van gedrag van een lager geplaatst dier kan je wat treden kosten. Zelfs als het te kopiëren gedrag profijtelijk is, waren de top-apen niet van zins het te adopteren.

Mensen zijn ook apen. Het wekt dan ook geen verbazing dat het hierboven gedrag ook wel bij mensen is te zien. Maar ook, wij zijn vooral denkende apen. Daardoor gaat de vergelijking gelukkig lang niet altijd op. Het is eerder een apenreflex waar mensen soms in schieten. En het is voor mensen die het makakenverhaal kennen, zoals “lezer dezes”, meestal erg vermakelijk om mensen in die reflex bezig te zien.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is

De dagen worden langer, het voorjaar zit in de lucht. In de tuin laten de vogels zich in het vroege licht van de ochtend weer van zich horen. Maar vogelzang hoort niet alleen bij het voorjaar en het maken van nestjes. In mijn blog zingen in de winter schreef ik al dat vogelzang meerdere doelen dient.

Bij vogelzang denken we al snel aan het lokken van een partner. En bij de braamsluiper, een zomergast die in onze streken broedt, dient het ook haast alleen dat doel. Eenmaal in het broedgebied aangekomen zingen braamsluipers vrijwel continu hun eentonig ratelliedje. Tot wel tien keer per minuut! Maar als hij een vrouwtjesbraamsluiper heeft geschaakt, verstomt hij vrijwel volledig. Nog maar aan handvol keer per uur is hij dan te horen. Andere soorten gebruiken hun zang om zowel te lokken als om af te schrikken. Ze lokken een potentiele partner, maar rivalen moeten worden weggejaagd.

Rivalen kunnen het op de partner voorzien hebben, maar ook op het leefgebied met voedselmogelijkheden en andere kwaliteiten zoals voldoende dekking. In het voorjaar valt dat samen, de partner zit immers ook in dat leefgebied. Maar vogels die in de winter zingen, doen dat in de regel alleen om een winterterritorium te verdedigen. Door te zingen toon je je fitheid en maak je potentiele rivalen duidelijk dat er met jou niet te spotten valt. Een bekend voorbeeld van winterzang kennen we van de roodborst. Aangezien de wens om een winterterritorium te  hebben voor vrouwtjes- en mannetjesroodborsten gelijk is, zingen beide geslachten dan ook gedurende de winter. Beide geslachten houden er dus hun eigen territorium op na. In het voorjaar overlappen die territoria vanzelfsprekend weer. Het vrouwtje lift dan  mee op de territoriumdriften van haar partner en zal maar hoogst zelden tot zang overgaan.

De zang van roodborsten is zeer complex. Alleen met een goed muzikaal gehoor of met sonogrammen zijn verschillen goed herkenbaar. Maar wat voor het menselijk gehoor lastig is, is voor het roodborsten-oor natuurlijk gesneden koek. Uit dergelijk onderzoek weten we dat vrouwtjes kortere zangstrofes hebben dan mannen en dat mannen in de winter anders zingen dan in het voorjaar. Ieder zangtype heeft zijn eigen functie. Maar waar ik nog niet goed uit ben is waarom koperwieken dan in het vroege voorjaar voorafgaand aan de trek naar hun broedgebieden in het noorden dan volop in onze populierenbossen zingen. Een territorium hoeft niet meer te worden verdedigd en paarbinding zal vast niet hier plaats vinden. Is het opwinding? Groepsbinding voor de trek? Wat anders?

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Exotennood

Mensen hebben van oudsher planten en dieren over de hele wereld versleept. Soms ging dat onbewust, bijvoorbeeld doordat mensen per ongeluk plantenzaden in lading of aan de kleding meenamen. Soms zijn het heel bewuste introducties zoals de fazant of het konijn omdat het ‘fijn te bejagen soorten’ zijn. In de regel weten die nieuwelingen – door biologen aangeduid met de term exoten – niet vaak vaste grond onder de voeten te krijgen. Als ze al een zichzelf bedruipende populatie weten te stichten, leidt dit zeer zelden tot zo grote populaties dat ze een bedreiging vormen voor de van nature aanwezige plant- en diersoorten.

Is de angst voor exoten dan onzin? Nee zeker niet. Op eilanden zijn rampen gebeurd met exoten. Daar is het ecosysteem meestal veel minder soortenrijk dan op het continent. Een exoot kan in die situaties juist een groot en desastreus effect hebben. De vogelbevolking op zeevogeleilanden bijvoorbeeld heeft zwaar te lijden onder vegetatiedegradatie door geiten en het aanvreten van eieren en jongen door ratten. En meestal zijn het heel bijzondere vogelsoorten die zich door vele jaren van isolatie hebben geëvolueerd tot aparte soorten. In de regel zien we op die eilanden dus weinig soorten, maar wel heel gespecialiseerde soorten. De sleutel zit hem inderdaad in die relatief soortenarme situatie waarin een exoot ruimte vindt om uit te groeien tot een plaag, een plaag die een effect heeft op de andere plant- en diersoorten. Het is juist in verarmde ecosystemen op het continent waar exoten ook de ruimte vinden om tot plaag uit te groeien.

In steden vinden we vaak zulke verarmde ecosystemen. En daar weten soorten als halsbandparkiet, reuzenberenklauw en Amerikaanse rivierkreeft hun weg wel te vinden. De populaties van die exoten zijn daar inmiddels zo groot dat actieve directe bestrijding geen zin meer heeft. Daarom is het beter om de exoot te zien als een signaalsoort van mankerende systemen. Door die systemen verder op te krikken, te vervolmaken, bestrijden we ook op een indirecte en veel duurzamere manier de exoten. Vaak worden de doemscenario’s van de oceaaneilanden met groot gemak geprojecteerd op onze eigen leefomgeving. Maar welbeschouwd hebben de halsbandparkiet en de nijlgans nergens ook maar een beetje het effect gehad op boomklever en waterhoen zoals we zien op de eilanden waar ratten en katten de stand van de albatrossen decimeerden.

En toch hebben stadsecologen het vaak bij de aanplant van stedelijk groen over de wens van “streekeigen” soorten. Een Kaukasische vleugelnoot en ecologische armoe. Een zomer eik is daarentegen een Ark van Noach. Dus een exoot als de vleugelnoot is ongewenst, de allochtone zomereik juist zeer gewild. Soms wordt deze hang naar streekeigen soorten als een xenofoob trekje gezien. Daarom heb ik het liever ook over relatierijke en relatiearme soorten. Een zomereik heeft in onze streken de kans om met honderden insectensoorten een relatie aan te gaan, terwijl op een witte esdoorn hooguit vijftien soorten te vinden zijn (waarvan de witte esdoornmijt ook een exoot is die meegenomen is met plantgoed uit Amerika). Door voor relatierijke soorten te kiezen, kies je voor biodiversiteit, voor volwaardige ecosystemen, voor duurzame en toekomstbestendige natuur.

Ton Eggenhuizen


1 reactie

Zwanenhals gevuld met druiven

Trouwe volgers van deze blog zullen zo langzamerhand wel weten dat ik iets met knobbelzwanen heb. Voor mij is het de ultieme verbinder tussen de stedelingen en natuur. De statig zwemmende vogels in een stadsgracht zijn immers een lust voor het oog. In de stad zal vrijwel iedereen dat plaatje wel waarderen. Ik ben de laatste tijd zo veel bezig met zwanen dat bij mij de vraag opborrelde in hoeverre de zwaan ook culinair gewaardeerd wordt.

Sinds de Middeleeuwen geldt de knobbelzwaan als een zeer voorname soort waar alleen de hoge adel op mocht jagen. Wetgeving en adellijke rechten werden speciaal voor zwanen opgetuigd. Zo gold het Heerlijke Recht van Zwanendrift, waarbij heerlijk niet op de smaak van toepassing was, maar op het recht dat aan “heren” was toebedeeld. En ook die heren aten niet dagelijks zwaan. Alleen bij feestmaaltijden kwam zwaan op tafel. Daarbij was het niet voldoende om de zwanenbout op te dienen. De gasten moesten wel zien dat de gastheer zwanenbout aanbood. Daarvoor werd de zwaan gevild en de bout gebraden. Daarna werd de bout weer in het verenpak genaaid en aldus opgediend. In andere gevallen werd een zwanenpastei gemaakt. Het vlees werd verwerkt in de pastei en bovenop de pastei werden vleugels, kop en hals en de staart van de zwaan gestoken.

Maar tegenwoordig? Al lang hoor ik dat het vlees van knobbelzwaan taai en tranig is. De leversmaak van het vlees zou velen weerhouden om zwaan in de keuken te gaan bereiden. Maar ik lees ook dat jonge zwaan wel lekker is, zelfs als biefstuk zou smaken. Ten tijde van de Heerlijke rechten van Zwanendrift waren het ook vooral de jonge zwanen die gevangen, terzijde gezet en vetgemest werden. Deze zwanen hadden bij de slacht nog nooit gevlogen en hadden daarom dus mals vlees. Deze praktijk is echter niet meer toegestaan. Wellicht dat emotionele aspecten ook wel meespelen bij de culinaire teloorgang. Die statige witte zwaan, symbool van liefde en reinheid, dat is haast zoiets als hond of paard eten.

Toch zou ik het wel graag willen weten of zwaan tegenwoordig nog gegeten wordt. Ik krijg er maar geen vinger achter. Niet om het zelf ook te proberen, maar om het stillen van mijn hongerige nieuwsgierigheid. Als u, lezer, meer weet van “zwaan op tafel”, dan hoor ik het graag.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Kaskaardespin, nieuw voor Almere.

“Ga je mee naar het tuincentrum? Ik wil een kerstboom met kluit.” Zelden heeft de uitnodiging van mijn vrouw om “gezellig” te gaan winkelen in het tuincentrum zoveel enthousiasme bij mij opgewekt. Niet dat ik het hele jaar uitkijk om de kerstmarkt van Intratuin te bezoeken. Het tegendeel kan niet minder waar zijn. Ik heb dan ook een andere reden, ik wil de verwarmde afdeling met kamerplanten aan een onderzoek onderwerpen.

Eerder dit jaar las ik in de Nederlandse Faunistische Mededelingen een artikel over een spinnensoort die recent in Nederland vaste grond onder de acht poten probeert te krijgen: de kaskaardespin (Uloborus plumipes). Dertig jaar terug werd deze tropische en subtropische spin in Nederland, in Groningen, voor het eerst ontdekt. Deze eerste vondst was in een verwarmde kassencomplex en alle latere vondsten waren in vergelijkbare situaties. Maar uit Almere is de soort nog niet bekend. Met name tuincentra zijn goede locaties om naar dit spinnetje te gaan zoeken. Het is een makkelijk herkenbaar beestje. Onze eigen spinnensoorten dienen veelal op basis van uitgeprepareerde genitaliën te worden gedetermineerd. Een lastig klein karweitje. De kaskaardespin is direct op het oog herkenbaar. Een vreemd driehoekig achterlijf, de lange voorpoten met een flink bosje haren halverwege, een makkie als je er eentje ziet.

De kerstboom is uitgezocht, een Servische spar (Picea omorica) met kluit. Nu is het eindelijk tijd om naar de kamerplanten te gaan. In mijn herinnering stond in het artikel dat de webben van de kaskaardespin vooral bij de stellagetafels te vinden zijn. Gelukkig heeft deze Intratuin stellages op stellages staan. Ik hoef dus niet te bukken om onder de tafels te kijken. Bij de eerste tafel is het al raak, een spinnenweb. Ik kan echter geen spin ontdekken. Zachtjes tik ik tegen een webdraad aan. Als een spin in hinderlaag ligt, komt die misschien wel tevoorschijn. Helaas, er gebeurt niets. Verderop heeft Annemiek een ander web gevonden, met een spinnetje.

Het is in één oogopslag duidelijk, hier zit de eerste kaskaardespin van Almere! In mijn enthousiasme realiseer ik me nog net dat een foto van de spin wel zo handig is. Ik spreek een medewerker van het tuincentrum aan: een keukentrapje zou mij helpen om er dichtbij te komen voor een goede foto. Als de medewerker van zijn verbazing is bekomen gaat hij op zoek naar een trapje. Ook andere medewerkers beginnen interesse in die rare van enthousiasme overstromende bioloog te krijgen. Gelukkig heb ik vrijwel altijd een plastic potje op zak om beestjes te vangen en goed te bekijken. Opgesloten in een plastic doorzichtig potje durven de medewerkers er wel naar te kijken. Het beestje is echter volstrekt ongevaarlijk. De Nederlandse spinnen hebben wel gif, maar zijn niet gevaarlijk voor ons mensen. Deze spinnensoort heeft niet eens gifklieren. Onder de bezwerende woorden dat de kaskaardespin kan helpen in de bestrijding van tijgermuggen, tripsen en ander ongemak laat ik het beestje weer los. Ondanks alles blijf ik het gevoel houden dat het lot van de spin toch bezegeld is.

Ton Eggenhuizen


4 reacties

Zwanenhals

Een krijsende golf kokmeeuwen komt van alle kanten aanstormen, er wordt duidelijk weer ergens gevoerd. Jawel, op de Weerwater-steiger bij het Stedenwijkstrandje zie ik een vrouw een flink zak brood leegschudden. Niet alleen kokmeeuwen komen eropaf. Stormmeeuwen, zilvermeeuwen, zelfs een Pontische meeuw, meerkoeten en wilde eenden delen in de feestvreugde. En twee knobbelzwanen.

Dit paar knobbelzwanen heeft de plek als territorium ingenomen en als alles goed gaat verwachten we hier in het voorjaar een broedgeval. Weinig andere zwanen worden hier geduld. Het vrouwtje zit inmiddels midden in het vogelgejoel, de man lijkt wat moeite met zwemmen te hebben. En wat het meest opvalt is de houding van de nek. Waar kan ik dat van? O, ja, in “the Mute Swan” het boek van Birkhead en Perrins, heb ik dat eerder gezien. Het is een symptoom van loodvergiftiging. In de jaren zeventig van de vorige eeuw ontdekte men dat vogels sterk te lijden hebben van loodkorrels in het milieu. Zwanen, ganzen en eenden (en kippen doen dat ook) eten grindkorreltjes en gebruiken deze als maalstenen in de maag. De gespierde maag kneedt het voedsel samen met de maalsteentjes waardoor de plantencelwanden gesloopt worden en het verteren een stuk beter gaat.

Die loodkorrels kwamen in de eerste plaats van door jagers gebruikte loodhagel. Bij de jacht op watervogels belandde het grootste deel daarvan niet in de vogel maar in het water. De vogels pikken het later wel als maagmaalsteentjes op. De kneedmaag zorgt vervolgens voor slijtage van de loodkorrels waardoor vervolgens het bloed het lood eenvoudig kan opnemen. Na de ban op loodhagel bleef er nog één loodbron in het water over, de verzwaringsloodjes van hengelaars. In Engeland zijn vele dood gevonden knobbelzwanen onderzocht en werden post mortem enorme hoge doses lood in het bloed aangetroffen.

Lood is een gevaarlijk goedje en kan leiden tot een flinke set aan gevolgen. Je kan er zelfs dood aan gaan. Een bekend fenomeen is de slappe pols en slappe enkel bij mensen met een loodvergiftiging. De spieren verslappen waardoor de normale houding en kracht niet meer mogelijk is. Dit leidt bij zwanen dan ook tot de kinky-neck. Een ander fenomeen bij watervogels is dat ook de beweging van het darmstelsel wegvalt. De vogel eet nog wel, maar verder dan de slokdarm komt het niet. Door loodvergiftiging omgekomen zwanen hebben dan ook enerzijds een volledig volgepropte slokdarm maar wel een leeg darmstelsel.

Maar zou de “kinky-neck” van onze zwaan ook een andere oorzaak kunnen hebben? Vast wel. Ik ben natuurlijk geen dierenarts en al helemaal geen toxicoloog. We hopen dat de zwaan erbovenop komt. Maar als hij wel “het loodje legt” gaat hij direct naar de Dutch Wildlife Health Center in Utrecht voor nader onderzoek. We houden hem in de gaten.

Ton Eggenhuizen