Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


Een reactie plaatsen

Microwereld

Met een pipet laat ik een druppel water op het objectglas vallen, ik schuif schuin het dekglaasje tegen de druppel en laat deze vervolgens rustig over de druppel vallen. De technieken uit de biologieles van vroeger zijn nog niet verleerd. Met de kruistafel breng ik het beeld in de rechter bovenhoek en scan vervolgens van rechts naar links en eronder weer van links naar rechts over deze microwereld, op zoek naar algen, raderdiertjes, amoeben en kiezelwieren.

Het waterleven heeft een enorme diversiteit, ook in Almere. Aanvankelijk verbaasde mij dat wel. Wateren op de voedselrijke zeeklei hebben niet de naam een grote biodiversiteit te herbergen. Vaak zijn het dan enkele soorten die op al dat fosfaat en stikstof erg goed doen, vergelijkbaar met de brandnetel en kleefkruid in onze bossen. Het zijn vooral de geïsoleerde watertjes die interessant zijn. Ik scan voortdurend de stadsplattegrond op zoek naar kleine vijvers, zelfs midden in woonwijken zijn deze interessant. De druppel die ik zojuist op het objectglas pipetteer, komt uit een kraakhelder vijvertje uit de Literatuurwijk.

Het is al vrij snel raak. Ik zie een wimperdiertje (Strombidium sulcatum) de gewone kogelwatervlo en een mosselkreeftje (Potamocypris smaragdina) langskomen. Alle drie soorten die ik nog niet eerder in Almeerse wateren heb aangetroffen. Hoe zijn die beestjes in deze vijver terecht gekomen? Het water staat niet in verbinding met ander water, dus zelfstandig zwemmend is uitgesloten. Daarmee is transport door watervogels het meest voor de hand liggend. Een wilde eend die uit een sloot of plas opvliegt, transporteert met het “aanhangend water” onbedoeld een hele menagerie van plas naar meer en van sloot naar vijver. Maar dat verklaart niet waarom ik bij iedere monstername toch weer een heel eigen flora en fauna per plasje aantref.

Hier speelt toeval een rol, maar ook de specifieke chemische en biologische kwaliteit van het water. Juist door die isolatie ontstaan zelfs in naast elkaar liggende vijvers dus hele unieke gemeenschappen. Ecologen zijn in de regel erg blij met verbindingen tussen natuurgebieden, maar op een andere schaal kan isolatie dus ook erg waardevol zijn.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Ik ben een spin!

Akkerdistels zijn voor ecologen altijd interessant. Deze algemene plant – onkruid zouden veel anderen denken – trekt door de lange bloeitijd veel insecten aan. De paarse bloemen zijn een magneet voor atalanta’s, kortschildkevers en zweefvliegen. En niet alleen de bloemen zijn geliefd. Op een akkerdistel in het Beatrixpark vind ik ronde gezwellen, de gallen van de akkerdistelgalboorvlieg.

Dat is een lange naam voor een vliegje van net meer dan een halve centimeter groot. Een tijdje geleden heeft de boorvlieg een gaatje in een vers stengeldeel geboord en daar een eitje in gelegd. Stoffen uit het eitje hebben de plant vervolgens aangezet tot het vormen van de zwelling, de gal. Uit het eitje komt een larve die zich tegoed zal doen aan het galweefsel en uiteindelijk zal er na het popstadium een nieuw akkerdistelgalboorvliegje het luchtruim kiezen, op zoek naar een nieuwe akkerdistel.

Het vliegje is herkenbaar aan een aantal opmerkelijke zwarte strepen op de vleugel. In rust lijken de strepen vooral voor de sier. Inderdaad, het is een sierlijk vliegje. Een sierlijk vliegje wat ook opvalt. Tal van andere insecten zouden er een lekker hapje in zien, maar daar komen de strepen goed van pas. Niet alleen de tekening, ook de wijze waarop een zittende vlieg de vleugels blijft bewegen werkt afschikwekkend. Het vliegje beweegt de vleugels langzaam ten opzichte van elkaar, waardoor het net lijkt of een aantal spinnenpoten bewegen. Het vliegje acteert een spin te zijn! Belagers zijn even in verwarring, voldoende voor de vlieg om het hazenpad te kiezen.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Stekelig

Een manshoge speerdistel in Almere Poort trekt mijn aandacht. Niet alleen omdat het een fraaie plant is, maar ook de hoogte vind ik aangenaam. Voor eventueel aanwezig insecten hoef ik dan niet te bukken. Fijn als je wat geplaagd wordt door een rugkwaaltje.

Speerdistels hebben het “distel-zijn” tot het ultieme opgevoerd. De plant wordt gekenmerkt door enkele centimeters lange doorns, een perfecte manier om de bladeren te beschermen tegen koeien, reeën en andere grazende zoogdieren. Maar ieder voordeel heeft zijn nadeel. De stekelige plant vormt voor insecten ook een veilige plek om te schuilen voor insectenetende vogels. Want ook die wagen zich niet graag tussen die kris-krasstekels. En die insecten zitten er niet alleen om te schuilen. Een aantal van die insecten vreten wel van de bladeren.

Op ooghoogte zie ik al twee vliegjes “in copula”. The making of kleine vederdistelgalboorvliegjes! Straks legt het vrouwtje haar eieren op de speerdistel en de larfjes zullen gallen in de bloemhoofdjes gaan veroorzaken. Ik moet vervolgens iets bukken om een wit vlindertje met zwarte stipjes te bekijken. Het lijkt wel een stippelmot, maar hij is daar te groot voor. Bovendien klopt het stippelpatroon niet voor een stippelmot. Het is de distelhermelijn. Ook dit motje legt eieren op de speerdistel en de rupsen zullen de komende tijd haast geen genoeg krijgen van het sappige distelgroen. Hetzelfde geldt voor de rups van het distelknoopvlekje, een motje dat weer een blad lager zit te vertrouwen op zijn schutkleur.

Ik moet vervolgens toch echt door de knieën voor een paar kleine rode beestjes op de onderste bladeren. Voordat ik ze goed en wel heb kunnen bekijken, springen ze weg. Gelukkig is de kleur en dit wegspringen voldoende om er de rode distelaardvlo in te herkennen. Geen echte vlo maar een klein kevertje van de familie van de bladhaantjes. En ook de larven van dit kevertje zijn distelbladvretertjes. Op speerdistel zijn ruwweg vijftig verschillende soorten te vinden die zich aan het blad en stengel en bloem tegoed doen. Bladluizen, snuitkevers, boorvliegen, galmuggen, mineermotten: een bonte stoet. Daarnaast bezoeken veel insecten de bloemen voor nectar en stuifmeel, zweefvliegen, dag- en nachtvlinders, bijen, hommels. Bij elkaar opgeteld zijn bijna honderd diersoorten verzot op de speerdistel. Een fraaie en nuttige plant!

Ton Eggenhuizen


2 reacties

Chemische oorlogsvoering

Stel je hebt een bloempje en een bijtje, of beter nog een plant en een insect. Een blad etend insect. De bladeren zijn voor de plant van levensbelang, dus die vraat is ongewenst. Om de vraat tegen te gaan ontwikkelt de plant afweerstoffen. De nakomelingen van die plant die de beste stofjes maken, hebben de beste overlevingskansen.

De insectenevolutie zit echter ook niet stil. Een aantal insecten weet vervolgens om te gaan met die afweerstoffen. De vraat die daarop volgt leidt weer tot nog betere afweerstoffen en dat leidt weer tot verdere evolutie van het insect. Pure chemische oorlogsvoering! Uiteindelijk leidt dit tot specialisatie en nauwe plant-dierrelaties. In de natuur zijn veel van deze relaties te vinden. De zebrarups is nagenoeg de enige die de chemische wapenwedloop met het jacobskruiskruid aan kan. De zomereik heeft daarentegen vele bladvretertjes.

De crux van deze specialisatie is dat ondanks de vraat de planten er doorgaans geen last en soms zelfs profijt bij hebben. De sleutel hierbij is biodiversiteit. De zomereik is voor zangvogels een geliefde boom vanwege de immer gedekte dis. Koolmezen en ander vogelgrut houden zo de insectenpopulaties in de eik in bedwang. Het is wel van belang om ook andere boomsoorten in de buurt te hebben voor de momenten dat die eik even te weinig voer oplevert voor de vogels. Daarom is een bos met meer boomsoorten ook altijd veel productiever, zelfs voor houtvesters. Hoe hoger de biodiversiteit, hoe kleiner de kans op plaagvorming. Een hoge biodiversiteit betekent ook dat er vast organismen (aaltjes, schimmels) zijn die de zebrarups weer in bedwang houden.

De laatste jaren is een andere specialisatie tussen plant en dier in het nieuws: de buxus met zijn buxusmot. En daarbij kunnen we vanuit het perspectief van de plant – vooralsnog – niet spreken van “geen last” en al helemaal niet van “profijtelijk”. Ook hier is biodiversiteit een sleutelbegrip. In veel tuinen is de buxus als goed snoeibaar sierplantje het enige groen langs een tegelplaats. Of ze staan in een sierpot op de tegels. Zulke plekken worden door koolmezen gemeden. Te weinig variatie in voer, geen vluchtmogelijkheden voor de kat. Bovendien, koolmezen kennen de buxus (nog) niet. Zowel buxus als buxusmot komen van elders. Bij de introductie in West-Europa is eerst alleen de buxus en veel later de buxusmot uit het natuurlijke ecosysteem hier naartoe gehaald. In de tuin is hierdoor een extreem soortenarm ecosysteem aanwezig: buxus met zijn mot. Geen andere organismen die de buxusmot eronder kunnen houden. Dit is te vergelijken met een gazelle in de leeuwenkuil van Artis. Het levert slechts een heel korte en heel hevige ecologische relatie op.

Hoe nu verder? In ieder geval moeten de buxusliefhebbers niet meedoen aan de chemische oorlogsvoering. Er zijn inmiddels duidelijke aanwijzingen dat koolmezen – die schoorvoetend beginnen aan buxus-bezoek – door bespuiting van de buxus met “gewasbeschermingsmiddelen” dood neervallen. Verhogen van de biodiversiteit is de enige sleutel om de buxus te behouden en de rups tot aanvaardbare proporties terug te dringen. Dus vergroenen, structuur in de tuin, vluchtmogelijkheden en zo veel mogelijk planten gebruiken die hier van nature voorkomen.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Klimopbloesem

De kogelronde bloeiwijze van de klimop met ruim twintig afzonderlijke bloempjes is niet te missen en op een zwoele nazomeravond geldt hetzelfde voor de geur. Het blad aan de bloeiende takken is echter minder kenmerkend. Vaak egaal groen en altijd langwerpig zonder de kenmerkende ‘hedera-vorm’. Nu, in het najaar is het één van de weinige bronnen van nectar en stuifmeel. Aan de andere kant, ook bestuivers zoals bijen en (nacht)vlinders zijn nu niet algemeen meer.

Met zaklamp en mobiele telefoon (voor de foto’s) kan een avondwandeling langs de bloeiende klimop in de wijk best nog wat opleveren. Naast de lekkere en zoet-bedwelmende geur zijn ook nog aardig wat nachtvlinders te vinden. En een deel van die nachtvlinders hebben hun vliegtijd vooral in het najaar. Wil je de bruine herfstuil zien, dan is oktober daarvoor de beste kans. Er vliegen nu nog een kleine veertig soorten. In de zomermaanden is het soortenpalet veel rijker gevuld. De nachtvlinderverwachting van www.vlindernet.nl geeft aan dat in juli zo een 150 soorten in Almere zijn te verwachten. Het gaat nu dus ook niet zozeer om de aantallen, maar om de typische herfstvlinders.

Het lijkt een domme strategie om te bloeien als het aantal insecten flink is afgenomen, maar daar kan je ook anders naar kijken. Een nachtvlinder die in de zomer van bloem naar bloem vliegt, kan stuifmeel van de ene plantensoort naar de andere brengen. Maar dat levert geen bevruchting en dus ook geen zaad op. In het najaar met weinig andere bloeiende soorten heeft de klimop wel een monopolie op de bestuivers. De kans dat een bruine herfstuil het klimopstuifmeel bij een andere plantensoort aflevert is maar heel klein.

Ook overdag is het genieten bij een bloeiende klimop. De geur is minder aanwezig, maar het aantal bestuivers is best aan de maat. Zweefvliegen als de blinde bij, gewone wespen en zelfs de zeldzame klimopbij zijn dan volop rond de klimop te vinden. En als laatste, ook spinnen hebben een voorliefde voor de lokkende klimop, getuige de vele spinnenwebben. Die hebben weer geleerd dat het goed vliegenvangen is bij de geurende klimop.

Ton Eggenhuizen


1 reactie

Stadssafari

Duizenden voetstappen heb ik al gezet op de planten tussen de stoeptegels: straatgras, harig vingergras, varkensgras. Planten die zo algemeen zijn dat je er nauwelijks oog voor hebt. Toch besluit ik zomaar om een stukje varkensgras te plukken. Het is een klein onooglijk plantje – en niet eens een grassoort – dus met het blote oog is er niet veel aan te zien.

Bij het plukken drentelen al wat zwarte wegmieren weg. Ik realiseer mij dat die er niet voor niets zitten. En inderdaad, met het blote oog zie ik al een aantal bladluizen. Mieren zijn verzot op de zoete luizenpoep, dus de aanwezigheid van die mieren is daarmee eenvoudig te verklaren. Ik heb altijd wel een paar potjes op zak, dus het varkensgras met luizen gaat mee om eens goed door de binoculair te bekijken.

Thuis door de binoc blijken het ongevleugelde donkerbruine luizen te zijn met bleke uitstekels op het achterlijf, de zogenaamde siphunculi. Samen met de waardplant kom ik met de online determinatiewerken dan uit op de bladluis Aphis polygonata. De luis staat als algemeen te boek, maar de luizen op het Almeerse varkensgras blijken nog niet eerder binnen Nederland te zijn waargenomen. Althans, volgens de online database van waarneming.nl.

Ik ga er maar van uit dat de kwalificatie van een algemene soort klopt. Het feit dat de soort verder nog nooit in waarneming.nl is ingevoerd, zal wel komen doordat niet veel mensen de moeite nemen om zo een doodgewone straatplant eens nauwgezet te bekijken. Dit is echte stadsecologie, planten en dieren met onderlinge relaties. Om Johan Cruijff maar weer eens van stal te halen (en lichtjes aan te passen): je neemt het pas waar als je gaat kijken.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Pestvogelvoorraad

Een bezorgde bewoner heeft ons op de hoogte gesteld van een giftige paddenstoel vlakbij een school. Dat is genoeg aanleiding om ter plaatse even poolshoogte te nemen en meteen in die buurt de natuur eens aan een onderzoekje te onderwerpen. Het zijn van die klusjes die na het diner nog wel even kunnen worden meegepakt.

Plaats van handeling is de Seizoenenbuurt. Een weelderige begroeiing langs de busbaan is een ogenvanger van formaat. Hazelaar, kornoelje zijn zoals overal algemeen, maar in die groene muur springt het felle rood van de Gelderse roos-bessen er tussen uit. In het voorjaar heeft de plant met witte schermen gebloeid. Dat moet toen ook een fraai gezicht zijn geweest. Die schermen hebben een typische opbouw. Rond de vruchtbare bloempjes van enkele millimeters groot, staat een krans van veel grotere onvruchtbare bloemen. Op die wijze worden de bloemen bestuivende insecten gelokt en in het voorjaar worden ze dan ook druk bezocht door zweefvliegen en bijen. En ook de bladeren hebben bezoek gehad. We zien volop de kenmerkende vraatsporen van het sneeuwbalhaantje, een klein bruin kevertje.

Het knal rood van de bessen is ook een beeld waar lang van kan worden genoten. Vandaar dat de soort ook veel wordt aangeplant. De bessen zijn zuur en bitter als gal. Vogels als merel, zanglijster en zwartkop – ik hoor ze alle drie tijdens dit veldbezoek – eten ze daarom niet graag. De bessen hangen dus veel langer dan die van lijsterbes, braam, sleedoorn en liguster. En toch zijn de bessen belangrijk als vogelvoer. In feite zijn de bessen van de Gelderse roos een voorraad voor moeilijker tijden. De vorst moet namelijk eerst over de bessen om de giftige en slecht smakende stoffen om te zetten. In de winter zijn het vaak nog de enige bessenstruiken die vrucht dragen. Ze zijn dan ook zeer geliefd bij de pestvogels die soms Nederland bezoeken. En wat een plaatje is dat dan! Een aan een tak bungelende verenpracht die knalrode bessen verorbert.

O, en die paddenstoel? Het bleek niet om de zeer giftige groene knolamaniet te gaan maar om de onschuldige weidechampignon.

Ton Eggenhuizen