Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


Een reactie plaatsen

De techniek, betere vogelaars of meer vogels?

We schrijven 20 oktober 1987. Plaats van handeling is de noordpunt van Texel. De allereerste siberische boompieper van Nederland wordt hier in een windsingel van een camping ontdekt. De vogelaarsgemeenschap wordt gek. Zo een zeldzame soort wil menigeen graag zelf ook zien en velen reizen af. De vogel blijft welgeteld een week zitten dus veel soortenjagers kunnen hem op hun lijstje bijschrijven. Ik ook.

Drie jaar later op 25 oktober ben ik met een aantal andere vrijwilligers vogels aan het ringen in de Kennemerduinen en tot onze blijdschap beland een siberische boompieper in het net. Het is dan al de derde waarneming in Nederland. En zo gaat het tot 2010, steeds maar één of twee waarnemingen per jaar. Het blijft een zeldzame gast. Vanaf 2011 lijkt de soort met een opmars bezig. Jaarlijks worden nu enkele tientallen vogels waargenomen waarbij de kuststrook tussen Groningen en Zeeland het leeuwendeel voor haar rekening neemt. Toch worden mondjesmaat ook vogels in het binnenland waargenomen. De eerste Flevolandse waarneming kon op 16 oktober van dit jaar door Hugo Wieleman worden genoteerd. Hij hoorde en zag een vogel over de Gooimeerdijk vliegen.

Is de siberische boompieper nu algemener geworden? Zijn de vogelaars beter in staat om hem te herkennen, of is er nog iets anders in het geding? Daarvoor moeten we in iets meer detail naar de waarnemingen kijken. Veel waarnemingen zijn van roepende overvliegende vogels. In de veldgidsen wordt over de roep van de siberische boompieper geschreven dat het iets minder hees, iets lager en iets korter is. Iets meer van dit, iets minder van dat. Dat is dus best lastig. Maar gelukkig lopen nu veel vogelaars, net als Hugo met handig draagbare geluidsapparatuur rond waarmee opnames gemaakt kunnen worden. En hoewel de verschillen voor ons oor lastig te detecteren zijn, zijn die in een sonogram goed in beeld te brengen. En dan speelt ook de revolutie van de digitale fotografie een belangrijke rol. Waar vroeger met de analoge fotografie ter nauwer nood gezien kon worden dat er wel degelijk “een of andere vliegende vogel” op de plaat stond, is met de snelle digitale flink wat meer detail zichtbaar.

We zouden echter de vogelaars te weinig recht doen als we de toename van waarnemingen volledig aan de digitale mogelijkheden zouden ophangen. Ik hou het er dus op dat betere vogelaars met betere middelen naar een toename van de doortrek van deze noordelijke broedvogel kijken. Een boeiende hobby, dat vogelen.

Ton Eggenhuizen

Advertenties


Een reactie plaatsen

Bladpootrandwants

Met zijn dikke “kuiten” en een lengte van zo een twee centimeter is de bladpootrandwants een opvallende verschijning. De soort is met een opmerkelijke opmars bezig. In 2007 werd de wants voor het eerst in Nederland waargenomen, het jaar erop was de eerste Flevolandse waarneming in Lelystad een feit. Inmiddels komt de soort in heel Nederland voor. De laatste jaren wordt de soort in Flevoland twintig tot dertig keer waargenomen, met een piek in september en oktober.

Aangezien de wants leeft van het sap uit dennenkegels wekt het geen verwondering dat de soort in Almere nog schaars is. Zo veel dennenbossen hebben we niet. Dit jaar lijkt de soort evenwel algemener dan ooit met alleen al vijftien waarnemingen in Almere. Ook opvallend is dat er diverse dieren zijn aangetroffen op hoge gebouwen, met als hoogtepunt de 14e verdieping in een flat aan het Weerwater. De soort verspreidt zich vliegend en weet zich kennelijk aangetrokken tot hoge objecten, mogelijk door de nachtelijke verlichting. Ze overwinteren graag binnenshuis.

De bladpootrandwants komt van origine in Noord-Amerika voor en wordt daar af en toe gezien als plaaginsect. Of het in Nederland zo een vaart loopt laat zich slechts raden. Feit is wel dat het beestje inmiddels zo algemeen is dat hij niet meer is weg te krijgen.


Een reactie plaatsen

Redmond

Charles Darwin, geboren in 1809. Schreef zijn wereldvermaarde boek over het ontstaan van plant- en diersoorten toen hij 50 jaar oud was. Het jaar 2009 was daarmee zijn 200ste geboortejaar en de 150ste verjaardag van zijn “Origin of species”. In het ‘Darwinjaar-2009‘ is terecht over de hele wereld veel aandacht besteed aan deze grote onderzoeker. Nederland blies een flinke partij mee met de VPRO-documentaire over de reis die Darwin met de Beagle maakte en al dobberend de evolutietheorie bedacht.

Iedere aflevering zaten we op het puntje van onze stoel. Historie, nieuw onderzoek, inzicht in de toestand van de natuur, het kwam allemaal aan bod. Het was de eerste keer dat ik van Redmond O’Hanlon hoorde. Met bakkebaarden als Amazonewouden, een houding die een leven lang in weer en wind achter het roer van een 19e eeuwse klipper deed vermoeden en een flinke dosis Engelse humor stal hij menig hart, en in ieder geval ook het onze. Met speels gemak en een grote eruditie sneed hij vele relevante onderwerpen aan, van nietige eencellige dieren tot walvissen, alles heeft zijn interesse. Wat een bijzondere kerel!

Een jaar later deed Redmond een en ander nog eens dunnetjes over in zijn VPRO-serie Redmond’s Helden. En weer etaleerde Redmond O’Hanlon die bijzondere combinatie van kennis, begeestering en humor. Redmond heeft zijn helden, mijn held is Redmond! En toen de gemeente Almere Redmond uitnodigde om in Almere te komen wonen en een boek over deze groene stad te schrijven (‘writer in residence’) wisten we zeker, dit is onze kans om hem te ontmoeten. Het duurde even maar uiteindelijk kwamen de twee stadsecologen (mijn vrouw Annemiek en ik) in de radar. Of we een excursie wilde organiseren met Redmond naar een mooi natuurgebied in Almere. Maar natuurlijk! Het excursiedoel was snel gevonden. Het Almeerderstrand was door ons net ontdekt als walhalla voor korstmossen en paddenstoelen. Dus enige dagen later liepen Redmond en zijn vrouw Marijn, Annemiek en ik vrolijk keuvelend over het strand en knielend op een bed van korstmossen.

Een diner bij Marijn en Redmond thuis volgde. Zij woonden toen in een penthouse in Nobelhorst, maar ondanks de hoge positie, kreeg je onwillekeurig het gevoel in een scheepsruimte van de Beagle te zijn, werkelijk volgepakt met curiosa en boeken, vondsten en artefacten. Een derde ontmoeting vond plaats nabij het stadshart waar Redmond alles wilde weten over stadsecologie en de knobbelzwanen die in mijn ogen daar perfecte ambassadeurs voor zijn. Ik zou het enorm eervol hebben gevonden als ik het dankwoord van zijn boek genoemd zou worden, het werd een heel hoofdstuk. Hoe gaaf is dát?

In september van dit jaar is het boek van Redmond over Almere verschenen: de Groene Stad. Een ode aan het urbane groen, aan de Almeerse historie van de steentijd tot de moderne stadsplanning en aan de mensen die de stad hebben gemaakt. Een stad om trots op te zijn en Redmond deelt daar met dit boek de lauwerkransen voor uit.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Klimopbloesem

De kogelronde bloeiwijze van de klimop met ruim twintig afzonderlijke bloempjes is niet te missen en op een zwoele nazomeravond geldt hetzelfde voor de geur. Het blad aan de bloeiende takken is echter minder kenmerkend. Vaak egaal groen en altijd langwerpig zonder de kenmerkende ‘hedera-vorm’. Nu, in het najaar is het één van de weinige bronnen van nectar en stuifmeel. Aan de andere kant, ook bestuivers zoals bijen en (nacht)vlinders zijn nu niet algemeen meer.

Met zaklamp en mobiele telefoon (voor de foto’s) kan een avondwandeling langs de bloeiende klimop in de wijk best nog wat opleveren. Naast de lekkere en zoet-bedwelmende geur zijn ook nog aardig wat nachtvlinders te vinden. En een deel van die nachtvlinders hebben hun vliegtijd vooral in het najaar. Wil je de bruine herfstuil zien, dan is oktober daarvoor de beste kans. Er vliegen nu nog een kleine veertig soorten. In de zomermaanden is het soortenpalet veel rijker gevuld. De nachtvlinderverwachting van www.vlindernet.nl geeft aan dat in juli zo een 150 soorten in Almere zijn te verwachten. Het gaat nu dus ook niet zozeer om de aantallen, maar om de typische herfstvlinders.

Het lijkt een domme strategie om te bloeien als het aantal insecten flink is afgenomen, maar daar kan je ook anders naar kijken. Een nachtvlinder die in de zomer van bloem naar bloem vliegt, kan stuifmeel van de ene plantensoort naar de andere brengen. Maar dat levert geen bevruchting en dus ook geen zaad op. In het najaar met weinig andere bloeiende soorten heeft de klimop wel een monopolie op de bestuivers. De kans dat een bruine herfstuil het klimopstuifmeel bij een andere plantensoort aflevert is maar heel klein.

Ook overdag is het genieten bij een bloeiende klimop. De geur is minder aanwezig, maar het aantal bestuivers is best aan de maat. Zweefvliegen als de blinde bij, gewone wespen en zelfs de zeldzame klimopbij zijn dan volop rond de klimop te vinden. En als laatste, ook spinnen hebben een voorliefde voor de lokkende klimop, getuige de vele spinnenwebben. Die hebben weer geleerd dat het goed vliegenvangen is bij de geurende klimop.

Ton Eggenhuizen


3 reacties

Toverballenzwam

We zijn weer op pad om zwanen te ringen. Terwijl maatje Henk naar een brug in de Bloemenbuurt loopt om de vaart af te kijken, geef ik mijn ogen de kost in plantsoen en perk. Mijn oog valt op een flinke paddenstoelenhoed die in het grasland omhoog komt. Als ik naderbij kom, zie ik zo een zestal paddenstoelen die allemaal schijnbaar in een molshoop omhoog komen. Een brede roodbruine hoed, donkere plaatjes aan de onderkant en een enorm dikke witte steel met roze vezelresten, het lijkt me opvallend genoeg om in het paddenstoelenboek te vinden. Snel wat foto’s maken en weer door met het zwanenwerk.

Thuis duik ik met kop thee in de hand de boeken in. Ik blader me suf maar kom er met de beste wil in de wereld niet uit. Wat is dat voor iets vreemds, zo opvallend en dan niet in de boeken te vinden? Ik vraag biodiversiteitsmaatje André om hulp. Die komt er in eerste instantie ook niet uit, gelukkig is de groeiplaats bij hem “om de hoek” en weet ik hem te overtuigen om poolshoogte te gaan nemen. Niet lang daarna krijg ik een “hosanna-whatsappje”. Hij is blij dat hij er langs is gegaan want voor hem was deze zwam ook nieuw. En hij wist de naam te achterhalen, het is de toverchampignon. Met de wetenschap van die naam duik ik wederom in de boeken en nu snap ik waarom ik hem niet kon vinden. Hij staat er helemaal niet in. Internet dan maar op.

De berichten op internet doen mij van de ene verbazing in de andere vallen. De soort is zo vernoemd omdat het vlees bij beschadiging als een toverbal van wit naar gifgeel en vervolgens naar purper verkleurt. Dat is op zich al redelijk bizar. Maar het wordt nog vreemder. De zwam, de enig bekende soort in zijn familie, is pas recent beschreven (in 1977) en dat nota bene in Nederland. Dat betekent dat zo een opvallende zwam voor 1977 nog nooit gezien was. Een verwante familie komt alleen in Afrika voor. Men vermoedt daarom dat de soort een tropische oorsprong heeft, maar daar nog op ontdekking wacht. De soort is inmiddels op meer plekken gezien (een eerdere melding zelfs in Almere), maar ook buiten Nederland komen waarnemingen, Duitsland, België en Engeland hebben de zwam nu ook en zelfs op de Golanhoogten komt hij kennelijk voor.

En dan die relatie met molshopen. Dat lijkt maar zo. De zwam heeft de eigenaardige eigenschap de hoed al onder de grond te ontvouwen en vervolgens in de volle breedte de bovenliggende grond op te duwen. Een grasveld met toverchampignons lijkt wel op een wild mollenfeest. De zwam is zelfs in staat stoeptegels op te duwen. Wat een soort. Wat een vondst. Wat een verhaal, gewoon terloops tijdens het zwanenonderzoek.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Grieks duin

Naarmate je meer over de natuur te weten komt, des temeer realiseer je hoe weinig je weet. Ik loop in een fietstunneltje tussen Almere-Poort en het industrieterrein de Gooise kant. Hier moet nog een fietspad worden aangelegd en mij is gevraagd om de ecologische effecten in beeld te brengen. Min of meer toevallig valt mijn oog op een slakje waarvan ik denk dat het de heesterslak is. Ik maak een foto en zet die met alle gegevens van datum en locatie op de website waarneming.nl.

Waarnemingen met foto worden door soortspecialisten beoordeeld en het is de specialist weekdieren die zijn vermoeden uitspreekt dat het een andere soort is. Hij vraagt mij om ook foto’s te maken van de mondopening en de navel aan de onderzijde. Hij vermoedt dat het een Griekse duinslak is. Ik moet eerlijk bekennen dat die naam nieuw voor me was. Het blijkt een soort die zich recent gevestigd heeft, de eerste waarnemingen in Nederland – in de duinen bij Zandvoort – zijn van 1986. De soort lijkt vanaf 2010 aan een flinke opmars, want de laatste jaren neemt het aantal en de verspreiding flink toe. Voor Flevoland ontbreken echter nog waarnemingen.

Op de verspreidingskaartjes in waarneming.nl zie ik dat de soort rond Amsterdam al aardig algemeen moet zijn. En er lijkt ook een lijntje zichtbaar langs de A6 van Amsterdam naar Almere. Nu gaat de verspreiding van weekdieren met het spreekwoordelijke slakkengangetje, voor een snelle verspreiding moet de soort door de mens, meestal onbedoeld, worden geholpen. Het tunneltje is onderdeel van de werkzaamheden aan de verbreding van diezelfde A6. Als het inderdaad die griekse duinslak is, is het heel wel mogelijk dat de slakjes met bouwmateriaal of zandtransport van het oude land in Almere Poort is beland.

Goed, op advies van de specialist fiets ik dus nogmaals naar het tunneltje. De slakjes zijn er nog steeds, ik kom op een schatting van ongeveer 100 stuks. Ik maak een aantal foto’s en bekijk de slakjes goed. Inderdaad, aan de onderzijde is een brede navel zichtbaar en de rand van de mondopening is ietwat vreemd gevormd. Zo grauwgrijs de buitenkant, zo mooi zachtroze blijkt de binnenkant. De specialist is niet voor niets specialist. Hij heeft het goed gezien, de Griekse duinslak! De naam zegt het eigenlijk al, hij voelt zich tuis in zandige streken, duinen en opspuitterreinen. Nou, dan is hij in Poort aan het goede adres!

Ton Eggenhuizen


1 reactie

Stadssafari

Duizenden voetstappen heb ik al gezet op de planten tussen de stoeptegels: straatgras, harig vingergras, varkensgras. Planten die zo algemeen zijn dat je er nauwelijks oog voor hebt. Toch besluit ik zomaar om een stukje varkensgras te plukken. Het is een klein onooglijk plantje – en niet eens een grassoort – dus met het blote oog is er niet veel aan te zien.

Bij het plukken drentelen al wat zwarte wegmieren weg. Ik realiseer mij dat die er niet voor niets zitten. En inderdaad, met het blote oog zie ik al een aantal bladluizen. Mieren zijn verzot op de zoete luizenpoep, dus de aanwezigheid van die mieren is daarmee eenvoudig te verklaren. Ik heb altijd wel een paar potjes op zak, dus het varkensgras met luizen gaat mee om eens goed door de binoculair te bekijken.

Thuis door de binoc blijken het ongevleugelde donkerbruine luizen te zijn met bleke uitstekels op het achterlijf, de zogenaamde siphunculi. Samen met de waardplant kom ik met de online determinatiewerken dan uit op de bladluis Aphis polygonata. De luis staat als algemeen te boek, maar de luizen op het Almeerse varkensgras blijken nog niet eerder binnen Nederland te zijn waargenomen. Althans, volgens de online database van waarneming.nl.

Ik ga er maar van uit dat de kwalificatie van een algemene soort klopt. Het feit dat de soort verder nog nooit in waarneming.nl is ingevoerd, zal wel komen doordat niet veel mensen de moeite nemen om zo een doodgewone straatplant eens nauwgezet te bekijken. Dit is echte stadsecologie, planten en dieren met onderlinge relaties. Om Johan Cruijff maar weer eens van stal te halen (en lichtjes aan te passen): je neemt het pas waar als je gaat kijken.

Ton Eggenhuizen