Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


Een reactie plaatsen

Dronken wespenlarf

cam06162Als een dronken fietsenrijder die van stoeprand naar stoeprand slingert, loopt een vraatspoor van nerf naar nerf door een iepenblad. Aan de bladrand is het spoor nog smal, maar richting de middennerf verbreedt het spoor zienderogen. Een zigzaggend spoor in een iepenblad, simpeler kan een insect het niet maken voor een ecoloog. Dit is het werk van de iepenzigzagbladwesp.

De larven van bladwespen zijn verzot op sappig groen. De nerven zijn te taai, vandaar dat de kleine larve zich binnen de kaders van de zijnerven beweegt. Sommige bladwespsoorten maken een grote blaas, anderen vreten lukraak wat vlekjes weg en weer anderen vreten tussen boven- en onderkant van het blad gangetjes. De iepenzigzagbladwesp eet het hele blad van boven- tot onderkant, met uitzondering van de nerven dus. De grote larven weten echter wel raad met de zij-nerven en laten, op de hoofdnerf na, weinig van het blad over.

Van nature komt deze wesp voor in Japan. De soort is al enige jaren bekend uit West Europa en de eerste vondst voor Nederland werd door de Haarlemse stadsecoloog Dik Vonk gedaan in 2013. In 2015 vond ik de eerste voor Almere op het Almeerderstrand en tot op heden is dat het enige Almeerse geval. In eerste instantie werd gevreesd voor een plaag die de iepen zou kunnen bedreigen. Daar lijkt enkele jaren later nog geen sprake van de zijn. De vraat komt op gang in de maanden augustus en september. Mogelijk hebben de bomen dan al genoeg reserves kunnen opbouwen. Het is aannemelijk dat iepen die ook al andere besmetting onder de leden hebben (bijvoorbeeld Dutch Elm disease), wel schade van de wespenvraat kunnen ondervinden.

De vraatsporen zijn zo opzichtig dat het een kwestie van tijd is dat rupsenetende koolmezen leren dat er een smakelijk hapje aan het eind van de zigzag te vinden is. In andere Westeuropese landen lijkt er inmiddels sprake te zijn van een stabilisatie op een lager pitje.

Ton Eggenhuizen

Advertenties


Een reactie plaatsen

Wit gatje

witgatSoms zijn namen voor de “incrowd” gesneden koek, maar kan de buitenwereld daar het voorhoofd over fronsen. Duivelsnaaigaren, platgeslagen sinterklaasmutsjesmos, dodemansduim en het grondelnijntje zijn voor een bioloog heel gewone termen. En zo krijg ik altijd wel een reactie als ik tegen niet-vogelaars zeg dat ik een witgatje heb gezien. Vogelaars daarentegen snappen direct wat ik bedoel.

Het witgatje is een steltloper en familie van de tureluur. Zij broeden in de taigazone van Scandinavië en Rusland. In Nederland is het een redelijk algemene doortrekker (ook zo’n term…) in de periode midden maart – eind april en midden juni – eind augustus. We zien nooit grote groepen van deze steltloper. Groepjes van 10 vogels zijn al een uitzondering. Als een soort dan toch algemeen is, zit hem dat in een brede verspreiding. En dat klopt ook. Witgatjes kan je op vele wateren aantreffen. Een slikrandje langs een sloot is al genoeg.

Buiten de trektijd is de soort in Nederland schaars. Soms overwinteren er witgatjes, maar het favoriete leefgebied moet dan nog wel wat aan voedsel opleveren. Als het echt wintert, vertrekken deze overwinteraars of verkommeren ze. Een enkeling weet dan nog een kwelslootje te vinden waar het water niet dichtvriest. Daar delen ze de karige winterdis dan met waterrallen, ijsvogels en watersnippen. Ook langs de Flevolandse kwelsloten is het witgatje dan te zien. Een bekende plek is bij het Almeerderstrand, maar onlangs had ik ook twee vogels op een kwelslootje bij Urk toen ik voor de SOVON Vogelatlas daar aan het tellen was.

Witgatjes vallen vaak pas op als ze opgeschrikt worden. Als ze opvliegen laten ze een explosief opgewonden “tjoe-wiettweet” horen. Het vliegbeeld bestaat uit een zuiver witte bovenstaart die sterk contrasteert met een verder donker bruingrijze bovenkant. De naam is afgeleid van dit vliegbeeld maar eigenlijk onjuist. De “gat” van het witgatje zit natuurlijk onder de staart. Correcter zou zijn om de vogel witstuit te noemen. Maar dan zou ik deze blog niet hebben geschreven.

Ton Eggenhuizen