Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


Een reactie plaatsen

Redmond

Charles Darwin, geboren in 1809. Schreef zijn wereldvermaarde boek over het ontstaan van plant- en diersoorten toen hij 50 jaar oud was. Het jaar 2009 was daarmee zijn 200ste geboortejaar en de 150ste verjaardag van zijn “Origin of species”. In het ‘Darwinjaar-2009‘ is terecht over de hele wereld veel aandacht besteed aan deze grote onderzoeker. Nederland blies een flinke partij mee met de VPRO-documentaire over de reis die Darwin met de Beagle maakte en al dobberend de evolutietheorie bedacht.

Iedere aflevering zaten we op het puntje van onze stoel. Historie, nieuw onderzoek, inzicht in de toestand van de natuur, het kwam allemaal aan bod. Het was de eerste keer dat ik van Redmond O’Hanlon hoorde. Met bakkebaarden als Amazonewouden, een houding die een leven lang in weer en wind achter het roer van een 19e eeuwse klipper deed vermoeden en een flinke dosis Engelse humor stal hij menig hart, en in ieder geval ook het onze. Met speels gemak en een grote eruditie sneed hij vele relevante onderwerpen aan, van nietige eencellige dieren tot walvissen, alles heeft zijn interesse. Wat een bijzondere kerel!

Een jaar later deed Redmond een en ander nog eens dunnetjes over in zijn VPRO-serie Redmond’s Helden. En weer etaleerde Redmond O’Hanlon die bijzondere combinatie van kennis, begeestering en humor. Redmond heeft zijn helden, mijn held is Redmond! En toen de gemeente Almere Redmond uitnodigde om in Almere te komen wonen en een boek over deze groene stad te schrijven (‘writer in residence’) wisten we zeker, dit is onze kans om hem te ontmoeten. Het duurde even maar uiteindelijk kwamen de twee stadsecologen (mijn vrouw Annemiek en ik) in de radar. Of we een excursie wilde organiseren met Redmond naar een mooi natuurgebied in Almere. Maar natuurlijk! Het excursiedoel was snel gevonden. Het Almeerderstrand was door ons net ontdekt als walhalla voor korstmossen en paddenstoelen. Dus enige dagen later liepen Redmond en zijn vrouw Marijn, Annemiek en ik vrolijk keuvelend over het strand en knielend op een bed van korstmossen.

Een diner bij Marijn en Redmond thuis volgde. Zij woonden toen in een penthouse in Nobelhorst, maar ondanks de hoge positie, kreeg je onwillekeurig het gevoel in een scheepsruimte van de Beagle te zijn, werkelijk volgepakt met curiosa en boeken, vondsten en artefacten. Een derde ontmoeting vond plaats nabij het stadshart waar Redmond alles wilde weten over stadsecologie en de knobbelzwanen die in mijn ogen daar perfecte ambassadeurs voor zijn. Ik zou het enorm eervol hebben gevonden als ik het dankwoord van zijn boek genoemd zou worden, het werd een heel hoofdstuk. Hoe gaaf is dát?

In september van dit jaar is het boek van Redmond over Almere verschenen: de Groene Stad. Een ode aan het urbane groen, aan de Almeerse historie van de steentijd tot de moderne stadsplanning en aan de mensen die de stad hebben gemaakt. Een stad om trots op te zijn en Redmond deelt daar met dit boek de lauwerkransen voor uit.

Ton Eggenhuizen

Advertenties


Een reactie plaatsen

Spoorzoeken naar een wesp

Langs mijn forensenroute is een plekkie waarvan ik steeds denk, daar moet ik eens halthouden en goed gaan kijken. De oever staat hier vol met wolfspoot en harig wilgenroosje, gelardeerd met wat verse opslag van populier. Voldoende variatie om wat leuke insecten te vinden. Deze middag voeg ik maar eens de daad bij het woord.

De wolfspoot staat “volop” te bloeien met zijn kleine kransjes van wit-roze bloempjes, voldoende om diverse vliegjes aan te trekken. Ik zie bloemvliegen en de groenglanzende Neomyia cornicina. Ook jaagt hier de gewone wesp op kleine insecten. Mijn oog valt verder op een bladmijn in het wolfspootblad. Het vraatpatroon duidt op de bladmineervlieg Phytomyza lycopi. Het is inmiddels de tweede vindplaats van dit zeldzame vliegje in Almere. Vanwege de wespen, laat ik de wolfspoot maar even voor wat het is en ik richt mijn aandacht op de populieren.

Het gebeurt niet vaak dat je verse populierenblad en jonge twijgen zo fraai kan onderzoeken. Meestal zijn die buiten de reikwijdte van mijn – toch best wel – lange armen. De bladeren zijn rijk aan de bladmijnen van de eenstipslakkenspoormot. De rups van dit piepkleine motje vreet zeer oppervlakkig onder het bladoppervlakte, waardoor een zilverig-glimmend paadje ontstaat. Alsof een slak over het blad is gekropen. Verder tref ik de lange en slanke vraatgang van de algemene populierenmineermot. Een ander blad laat een wat onregelmatige vraatvlek zien, van de onderkant is het bladmateriaal weggevreten. Als ik het blad vastpak voel ik bij de bladsteel een ruwheid die direct mijn aandacht trekt.

Op een lengte van 1-2 centimeter zijn kleine bobbeltjes te zien die bij nadere inspectie bultjes met putjes zijn. Hier heeft een insect op een regelmatige afstand 7-10 eitjes aan weerszijde van de bladsteel gelegd en de eitjes hebben op hun beurt de steel aangezet tot het maken van de kleine bultjes. De putjes wijzen erop dat de rupsjes al uitgekropen zijn. Dit is het werk van de bladwesp Cladius grandis. De larfjes zijn gewoon om gezamenlijk na uitkomen over de onderzijde van het blad te trekken. Op een gegeven moment gaan ze naast elkaar aan het blad vreten. Het gezamenlijk optrekken doen ze vast niet omdat het zo gezellig is. Op die manier lijken ze één groot organisme en dat zou wel eens belagers kunnen afschrikken. De larven kan ik echter niet vinden. Heeft een hongerige mees de truc doorzien en zich aan de smakelijke hapjes vergrepen? Gelukkig hebben we de sporen nog, want de soort was nog niet eerder in Flevoland (en Almere) aangetroffen.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Buizerd in vrije val?

Een flink aantal muggen lijkt duidelijk te willen maken dat het best wel mee valt met de achteruitgang van de insecten in Nederland. Deze avond ontkomen we niet aan het gezoem en zullen we ook wel wat bloed aan moeder natuur gaan doneren. Het ringen van roofvogels moet nu eenmaal in de muggentijd gebeuren.

Al tientallen jaren wordt de vinger aan de pols van de roofvogelstand gehouden. Daarvoor worden nesten gezocht, het broedsucces bepaald en de overleving geregistreerd aan de hand van het ringen van de nestjongen. We zijn eind vorige eeuw daar ook rond Almere mee begonnen. Vanaf 1993 zijn de nesten van buizerd en havik in de bossen en parken van Almere opgezocht en inmiddels een kleine duizend vogels van een ring voorzien. In vele delen van het land wordt dit onderzoek uitgevoerd, zodat we onze gegevens mooi kunnen vergelijken. Terugkijkend op die berg gegevens valt een aantal zaken op. Tot een paar jaar na de eeuwwisseling was Almere een groeigemeente. Voor buizerds in ieder geval. Ieder jaar vonden we meer nesten en het aantal jongen was gemiddeld meer dan 2,5 per nest. In het rijtje met landelijke gegevens behoorden we steevast tot de kopgroep van regio’s waar deze roofvogels bovengemiddeld jongen produceerden. En ook het moment waarop gemiddeld het eerste ei in de nesten rolden, was één van de vroegste in het land. Die eerste eileg wordt doorgaans gezien als goede conditiemeter. Een vrouwtje dat goed doorvoed uit de winter komt is immers eerder in staat om met broeden te beginnen. Kortom, de roofvogels rond Almere hadden het goed.

En toen veranderde er van alles. Het nest dat ik nu onder handen neem heeft weliswaar drie jongen, maar gemiddeld komen we de laatste jaren niet boven de 1,5 jong per nest uit. En dat is ook dit jaar zo! Een nest met drie jongen is nu een uitzondering, terwijl we twintig jaar geleden nog zelfs legsels met vijf jongen vonden. Ook de gemiddelde start van het broeden is inmiddels met anderhalve week verlaat, sinds we met ons onderzoek begonnen. Eind vorige eeuw startte de gemiddelde buizerd zo rond 2 april met broeden. Nu is dat meestal rond de twaalfde. En dat is geen landelijke maar regionale trend. De laatste jaren zijn de Almeerse buizerds – gelijk FC Twente – van koploper tot hekkensluiter verworden. Maar wat veranderde er dan dat de roofvogels zo slecht presteren?

Daar is niet één reden voor te geven, maar een flinke hand vol. In de eerste plaats is de verlate legdatum een teken dat de winterse omstandigheden in Zuidelijk Flevoland zijn verslechterd. Het agrarisch gebied is van (de laatste stuiptrekkingen van) ontginningslandbouw omgevormd tot agrarisch industriegebied waar iedere vierkante productiemeter telt. Stoppelvelden zijn zeer zeldzaam geworden en luzerneteelt (dat ’s winters niet wordt gemaaid) idem dito. Daarmee is het voedselareaal voor de buizerd gedecimeerd. Maar het is ook drukker geworden. Even rustig een kwartiertje vanaf een paaltje jagen, zit er niet meer in. Trimmers, wielrenners, passanten, (en ja, ook vogelaars en -fotografen) jagen de vogels voortdurend op.

Hetzelfde geldt voor het broedgebied. Ook de bossen worden van stille gebieden omgevormd naar recreatieterreinen. Niet zelden is daarbij ook gekapt in en rond broedpercelen. Ik ken zeker drie voorbeelden waarbij kronkelpaadjes zijn aangelegd door percelen waar buizerds broedden. Inderdaad, met dubbel d. Keurig netjes afstand gehouden conform de daartoe opgestelde protocollen, maar in de open populierenpercelen is een wandelaar over zo een pad altijd zichtbaar voor een buizerd. En dat levert veel stress op en uiteindelijk taaien de vogels af. En dan die bosomvorming naar zogenaamd duurzaam bos. Met die term – bosverduurzaming – wordt bedoeld dat prachtige majestueuze populieren van 30-40 meter hoog vervangen worden door langzaam groeiende hardere houtsoort bomen. En dat duurt 20-30 jaar eer die staken zo groot zijn dat een buizerd daar een nest in kan bouwen. We moeten ook de komst van de boommarter niet uitvlakken. Het zijn gekende eier-eters en voor een marter maakt het niet uit of het ei van een duif, merel of buizerd is.

Kortom, de buizerd heeft nogal wat uitdagingen te verhapstukken. Mijn uitdaging is van veel kleinere en kortdurender orde. Ik moet me concentreren op het ringen van die jonge vogels en het negeren van de zoemende muggen om me heen. Pets! Het negeren is mislukt.

Ton Eggenhuizen


8 reacties

Salomonszegel

Onze ecologische tuin verschilt erg van de doorsnee Almeerse tuinen. In de eerste plaats, slechts een derde is betegeld. Maar ook, het kan gekenmerkt worden als georganiseerde chaos, precies zoals de natuur. En ten derde, ook onze planten zal je niet in veel tuinen aantreffen. Een van die planten is de gewone salomonszegel. Ooit heb ik een stekje meegenomen uit een of ander Brabants bos. Het sloeg aan en inmiddels is het een flinke pol met zo een 10-15 bloeiende stengels.

Genietend van een kop koffie zit ik op dat kleine terrasje, omringt door het groen. Mijn oog valt op een zwart beestje op de salomonszegel. Met mijn mobiel weet ik een foto te maken en blijkt mijn vermoeden juist, het is Phymatocera aterrima. Dit bladwespje van zo een anderhalve centimeter lang heeft geen Nederlandse naam, maar ik noem hem de salomonszegelbladwesp. De larven zijn namelijk verzot op het blad van deze plant. Overigens versmaadt hij ook het blad van het Lelietje van Dalen niet. Daarom loop ik snel naar de voortuin omdat daar het lelietje staat. De wesp zit daar niet, dus ik mag hem met recht zo in het Nederlands noemen.

Ook zie ik in het blad waar zojuist de wesp zat ook gaten. En als ik goed kijk zitten in de gaten zwartkoppige grijze “rupsjes” die aan de gat-rand knagen. Dat zijn de larven van de wesp. Die gaan zich bol vreten en ik verwacht straks dikke larven en kaalgevreten blad. Een mooie ecologische relatie, we laten ze dus lekker zitten. Maar wat mij zo verbaast, hoe weet zo een wespje deze plant te vinden? Ik schat in dat de plant in Almere zeldzaam is. Op waarneming.nl vindt ik in ieder geval geen enkele melding van deze plant. Deze verbazing heb ik ook uitgesproken onder natuurvrienden. Daar kreeg ik echter twee maal: “maar die hebben wij ook in de tuin!”.

De vraag is of er meer ecologische tuinen zijn met salomonszegel. En of ook daar de wesp of zijn rupsen zijn te vinden. Als dat zo is, dan hoor ik het graag.

Ton Eggenhuizen


2 reacties

Agressieve fuut

Zo vredig als de fuut in het muzenpark nu op haar eieren zit, je zou haast denken dat het altijd pais en vree is geweest. De vijver is echter weken strijdtoneel geweest van twee rivaliserende futenparen. Als aan één zijde een paartje met baltsen begon, kwam het andere paartje aanzwemmen om de feestvreugde te verstoren. De laatste meters van de aanval zwom één van de vogels vlak onder het wateroppervlakte. Alleen de boeggolven waren zichtbaar en het was een koud kunstje om daar het themamuziekje van Jaws bij te denken. Vlak vóór het baltsende paartje dook de aanvaller op en volgde een handgemeen (vleugelgemeen?).

Waarschijnlijk zit het verliezende paartje een flink stuk verderop in de stadsgracht op het nest. De vijver in het Muzenpark was met 50 meter in doorsnee kennelijk niet groot genoeg. Het gevecht was niet vanwege een tekort aan nestplaats, vrijwel de hele oever heeft riet, dus “plek plenty”. Het alleenrecht zal dus wel om voedsel gaan. Straks als de eieren uitgekomen zijn, moeten wel meteen een flink aantal hongerige monden gevuld worden, het monopolie betreft dus de visstand in de vijver.

Hoe anders is het op het Gooimeer. Ik sta op het Zilverstrand en in de oksel bij de dijk dobberen meer dan vijftig futen paarsgewijs op het water. In de rietrand, nog geen 200 meter lang, wordt volop gebaltst en wat dieper in het rietland zitten vogels op het nest. Onderlinge conflicten lijken nauwelijks aanwezig. Naar schatting zitten hier vijftig tot zestig paar op elkaars lip. Als je het gedrag vergelijkt met de vijver in het Muzenpark lijken het wel twee volstrekt verschillende vogelsoorten. Vanwaar de weinig agressieve houding op deze plek?

In verhouding is het areaal aan broedplekken beperkt, maar het voedselaanbod is flink groter. Straks als de eieren zijn uitgekomen, gaan de ouders met hun jongen het Gooimeer op. Voor de kust ligt een uitgebreid veld met fonteinkruid en kranswier van een paar vierkante kilometer. Als je daar met de kano overheen vaart, waan je je in een vliegtuig over de Amazone. Een onderwaterwereld met dieper en oppervlakkiger liggende “boomkruinen” waartussen futen op visjes kunnen jagen. Zelfs bij een flink windje is het oppervlakte redelijk rustig door de dempende werking van de planten op golfslag. En niet alleen gewone futen kennen deze plek. Ook dodaars broedt in de rietkraag en de waterplantenvelden zijn in trek bij tientallen geoorde futen en krakeenden.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Campinggras in Almere

Voor kampeerders is het een bekend beeld: de tentafdruk van de voorgangers in het gras. Voor plantkundigen is het een kans om een leuk klein grasje te zoeken. De kale grond blijkt namelijk een prima leefgebied voor het Campinggras (Poa infirma). Campinggras is een onooglijk klein grasje dat bovendien erg lijkt op het zeer gewone straatgras. Het is dan ook niet het uiterlijk waardoor plantenmensen in vervoering raken, het ecologische verhaal is dat wel. Campinggras wordt in Nederland vrijwel uitsluitend op campings aangetroffen. Daar zijn twee redenen voor.

In de eerste plaats blijken de campermatjes en tentharingen prima vehikels te zijn om zaad te verspreiden. De plant komt oorspronkelijk in Zuid-Europa voor en blijkbaar zijn campinggasten niet allemaal trouw aan hun vakantieadres. De andere reden is dat het gras een perfecte bodem vindt in de door grondzeilen veroorzaakte kale grond. Na verloop van tijd nemen de gewone grassoorten het weer over, maar juist in het voorjaar, als het Campinggras bloeit, grijpt deze zijn kans.

Een aantal plantenmensen zijn de afgelopen jaren bezig met de verspreiding van dit grasje in kaart te brengen. Alle waarnemingen worden in waarneming.nl gezet en zo vernam ik van de eerste vondst op de Almeerse camping Waterhout. Almere is dus weer een bijzondere soort rijker.

Ik was in staat om zelf ook poolshoogte te nemen en vond het plantje vrij snel. In de gauwigheid ook een foto genomen maar later bleek daar vooral zijn algemene neefje (straatgras) op te staan. Zal dus nog een keer terug moeten voor een goede foto van het goede plantje.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Zwanensoos

Het gras is “luiskaal” nabij het woonzorgcentrum de Kiekendief in Almere Centrum. Wilde eenden, meerkoeten, kokmeeuwen en enkele zwanen staan te wachten op nieuwe aanvoer van voedsel. Gras is hier niet meer te eten. De vogels azen dus op de volgende bewoner die met een zak oud brood langs komt, onderweg naar het winkelcentrum. Net als ik mijn fiets parkeer, zie ik een vrouw de inhoud van een flinke broodzak het water in storten. Vervolgens storten de vogels zich en masse op de rijke dis. De feeding frenzie is op ruime afstand te horen en trekt daarmee nog meer vogels aan.

Na enkele minuten is het weer rustig. Het wachten is weer op een nieuwe lading. Ik heb geen zak brood bij mij, slechts een verrekijker en opschrijfboekje. Als ik naar de waterkant loop, heb ik wel direct alle vogelaandacht. Ik ben hier niet voor het voeren van de vogels maar om de “burgelijke stand” van de zwanen op te nemen. Vrijwel alle zwanen zijn hier namelijk met unieke codes geringd. Zo weten we al heel veel van de vogels, waar en wanneer ze voor het eerst het daglicht zagen, wie hun ouders zijn, wie de partners. Door met regelmaat de ringen af te lezen krijgen we inzicht in de opbouw van deze groep vogels. Zijn het allemaal jongen? Zitten ze alleen maar bij elkaar voor het voer, of hebben ze ook andere bedoelingen?

Met de kou op komst is het samenklonteren wel een handige strategie. Samen houden ze zo wel een wak open en zijn daardoor niet verstoken van water. Het lijkt ook wel dat ze weten dat brood gedurende de winter niet echt een probleem wordt. Die aanvoer is inderdaad wel gegarandeerd. De zwanen zijn zo tam dat in no time 10-15 vogelringen zijn afgelezen en in mijn opschrijfboekje staan. Tussen de doorgaans jonge vogels zie ik ook ineens een oude ring. Het is een mannetje die we in 2004 als volwassen vogel hebben geringd. Hij is daarmee één van de oudste vogels in onze geringde populatie. We zijn immers in 2003 met ons onderzoek begonnen. Omdat we de exacte leeftijd tijdens ringen niet weten, kan ik slechts zeggen dat hij minimaal zeventien jaar oud is. Het verbaast me wel dat zo een volwassen vogel tussen al het jonge grut staat. Volwassen zwanen zijn territoriaal en vechten vaak met soortgenoten.

Kennelijk heeft hij het voorjaar nog niet in de kop en is het voedsel belangrijker dan het verdedigen van een eigen leefgebied. Verderop in de groep zie ik twee vogels die wel al aan het voorjaar lijken te denken. Er wordt driftig gebaltst. En als een derde vogel interesse toont wordt hij vinnig weggebeten. Snel even de ringen van die twee aflezen, ze blijken allebei drie jaar oud. Wellicht is dit een nieuw broedpaar?

’s Avonds thuis voer ik de ringen in de computer in. Het is inmiddels het zevende bezoek dat ik aan de soosplek heb gebracht. Desondanks zijn twee vogels waarvan ik de ring aflas, nog niet eerder door mij daar gezien. De database verbergt nog wel meer spannende informatie over deze intrigerende soort. In het voorjaar als de soos uit elkaar valt, moeten we de boel maar eens grondig uitwerken. Er zit vast wel een artikel in voor “de Grauwe Gans” het blad van de Vogelwerkgroep Flevoland.

Ton Eggenhuizen