Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


1 reactie

Nieuwe inwoner

Zonder enige twijfel de meest geheimzinnige roofvogel van Nederland, de wespendief. Oppervlakkig lijkt het uiterlijk wel op een buizerd, maar in gedrag is het een totaal ander verhaal. De buizerd is standvogel, de wespendief trekt naar Afrika. De buizerd is een opvallende vogel in zijn broedgebied, wespendieven zijn stiekemerds. Buizerds zijn in voedselkeuze generalisten, de wespendief is kieskeurig.

Dat stiekeme gedrag maakt het een lastig te onderzoeken soort. Nesten zijn in het bos haast onvindbaar. De beste methode is een hoge boom opzoeken die boven de anderen uitsteekt. Daar dan bovenin gaan zitten en urenlang proberen wespendieven te zien te krijgen. Vervolgens een andere boom opzoeken en met kruispijlen de plek opzoeken waar de wespendief het bos induikt. De nestplek moet daar dan vlak bij zijn. Of niet. Er zijn wespendieven die een flink eind van het nest af, het bos induiken en dan tussen de boomkruinen door naar het nest vliegen.

Nu krijg ik het al bleek rond de neus van hoogtevrees als ik op de stoeprand sta. Ik moet het hebben van andere methodes. En veel geluk. In 2018 borrelde de gedachte op dat de Wespendief ook in Almere zou kunnen broeden. In andere delen van de provincie broeden de laatste jaren zo een tien tot vijftien paar. Vooral de grote boscomplexen zijn in trek. Waarnemingen die op broedende wespendieven wijzen zijn in Almere schaars, zo niet afwezig. Tot in 2018. Toen werd enige malen een wespendief bij het Pampushout gezien die met prooien steeds in een zelfde richting vloog. De enige “geldige reden” is een nest met te voederen jongen! Maar ja, dat beklimmen van  een boom, die ook nog eens boven alle andere uitsteekt…

Ik besloot mijn geluk te beproeven in de winter. Niet dat ik veel wespendieven verwachtte tegen te komen. Die zitten dan allemaal al een flink stuk in Afrika. Ik kamde het hele bos uit op zoek naar oude nesten. Roofvogels gebruiken vaak nesten een aantal jaar achtereen. Als ik alle nesten in beeld zou kunnen krijgen, zou ik simpelweg in de tweede helft van mei die weer kunnen aflopen en zo mijn wespendief vinden. De eerste van Almere. In februari had ik 15 nesten op kaart ingetekend. Half mei loop ik alle nesten weer af. Dat valt niet mee. Op één nest zit een kraai, op een ander nest zit een nijlgans en een derde nest heeft bezoek van een havik. De rest is onbezet. Okee, op één nestje na dan. Dat is op 22 mei aan de beurt om te bezoeken.

Ik zie een roofvogel heimelijk wegvliegen. Het is niet goed te zien, maar de manier van wegvliegen lijkt niet op havik en niet op buizerd. Wespendief? Met rust laten en later weer checken, dan maar. Op 10 juni is het duidelijk, een vrouwtje wespendief kijkt mij van over de nestrand aan met haar mooie starende gele oog. Bingo! Op 24 juni ga ik weer voorzichtig kijken. Het vrouwtje staat op de nestrand. Ziet mij staan, maar trekt zich niets van mijn aanwezigheid aan. Op 6 juli is ze kennelijk jonkies aan het voeren. We zien af en toe ook het mannetje met wespenraten vliegen. Op 9 juli weet ik de bomenklimmer Casper te strikken. In het kader van een landelijk onderzoek kunnen dan de jonge roofvogels namelijk worden geringd. Met alle meetgegevens kunnen we dan het exacte legbegin berekenen, een maat voor de conditie van deze oudervogels. Casper is een goede snelle klimmer. Binnen een half uurtje zijn de jongen weer terug op het nest en kunnen de ouders zich weer storten op de verzorging van de jongen.

Met het onomstotelijk bewijs van het eerste broedgeval van slechtvalk en zeearend is dit de derde nieuwe gevleugelde inwoner van Almere. Toeval, maar wel een erg fraai toeval. I love it when a plan comes together!

Ton Eggenhuizen

Advertenties


Een reactie plaatsen

Onverwacht zorgzaam

De beste weg van huis naar kantoor is een omweg. Ik ben namelijk op zoek naar een bijzondere familie en daarvoor fiets ik via de Kruidenwijk. Een familie nijlganzen is namelijk voor het laatst gezien bij de Wisselweg aan de Oostkant van deze wijk. Nu hebben we wel vaker families nijlganzen in de stad, maar deze familie is een omweg wel waard. Het is namelijk een pleeggezin.

Op 29 april zag ik bij het Manifestatieveld voor het eerst deze familie: een trots en waakzaam paartje nijlgans met zes heel kleine jongen. De pulletjes waren hooguit twee dagen oud. Vijf daarvan waren nijlgansjonkies met het kenmerkende zwartwit gevlekte kleed, eentje was echter wat anders. Een egale geelgrijze donsballetje was een jonge grauwe gans! Het was overduidelijk, dit pleegkind kreeg dezelfde zorgzame behandeling van de ouders als ze hun eigen jongen gaven.

De vraag is gerechtvaardigd of dit pleegkind via natuurlijke weg is ontstaan. Die natuurlijke weg zou zijn dat een grauwe gans zelf een ei in het nijlganzennest heeft gedeponeerd. Een andere optie is dat een persoon een grauwe ganzenei in het nijlganzennest heeft gelegd. We zullen het vermoedelijk nooit weten. Vaak zijn nijlganzennesten op een hogere positie te vinden (knotwilg, op een gebouw of een roofvogelnest) en grauwe ganzen doorgaans in de begroeiing op de grond. Maar met “vaak” en “doorgaans” is de werkelijkheid wel aangegeven. De natuurlijke weg is dus zeker wel denkbaar. Zouden de nijlganzen deze pleegzorg volhouden of op enig moment de “fout” inzien?

Dat is precies de reden dat ik op gezette tijden de familie opzoek. Daarbij viel het mij op dat ze niet bijster plaatstrouw zijn. Ze gebruiken zeker anderhalve kilometer watergang. Daarbij worden ze ook hier en daar door knobbelzwanen op de huid worden gezeten. De zwanen blijken niet gediend van acht grasgrazende ganzensnavels in hun territorium. Ondanks de kostbare kroost blijkt dit paartje zelfs helemaal niet zo agressief als vaak wordt beweerd. De reputatie van alles ontziende agressievelingen hebben ze ooit aangesmeerd gekregen omdat ze in overbevolkte vijvers met siereenden zich inderdaad weleens vergrepen aan een jong van een andere soort. Maar dat zijn onnatuurlijke omstandigheden. Omstandigheden waarin onnatuurlijk gedrag voor de hand ligt. Het blijkt keer op keer dat in een natuurlijke setting dergelijk gedrag niet wordt vertoond.

De fietstocht door Kruidenwijk levert niets op. Ik fiets door de Staatsliedenwijk en uiteindelijk door Stedenwijk alwaar ik de familie weer tref. Op nog geen honderd meter als waar ik ze twee maanden eerder voor het eerst zag. En de familie is nog compleet. Vijf grote nijlgansjongen, klaar om op de wieken te gaan, twee waakzame ouders en één grauwe ganzenjong ligt er tevreden uitbuikend tussen.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Méditerranée

De margrieten in het Den Uylpark staan rijkelijk te bloeien. Dat trekt insecten aan, en mij dus ook. De nectar- en stuifmeelbar is geopend en staat doorgaans garant voor een goede insectenfauna. Op de eerste bloem toont direct al een donker insect met twee gele vlekjes achter op het lijf en lange sprieten op de kop. De vleugelvorm wijst ondubbelzinnig op een wants, maar ik kan me niet herinneren dat ik deze soort al eerder heb gezien. “Mediterrane prachtblindwants” schiet mij door het hoofd. Snel even een foto maken.

Vroeger dook ik met foto in de hand de boeken in of het internet op. Tegenwoordig gaat het allemaal veel sneller. Er zijn inmiddels diverse app’s die het determineren in het veld mogelijk maken. Dus ik “trek de foto door Obsidentify” en een tel later verschijnt de naam in het scherm van mijn mobiel. Inderdaad, de Mediterrane prachtblindwants. Als ik de waarneming digitaal wil invoeren krijg ik wel een waarschuwing in beeld: ”Dit is een zeer zeldzame soort, weet je zeker dat je deze soort wil selecteren?” Ja, ik weet het zeker. Durf er zelfs een geslacht aan te koppelen. De gele hoekjes wijzen op een vrouwtje. Als ik verder loop blijkt een flinke populatie aanwezig, ook mannetjes met rode hoeken en een onvolwassen groenig exemplaar.

Zeldzaam? De eerste vondst in Nederland dateert van 1999. Een flinke tijd bleef het verspreidingsgebied beperkt tot Zuid-Holland maar recent is het beestje met een opmars bezig. De eerste Almeerse waarnemingen dateren van 2016, in eerste instantie allemaal aan de zuidkant van Almere, Haven en Hout. Het is aanlokkelijk om deze opmars in verband te brengen met het warmer wordende klimaat. Binnen Flevoland is het voorkomen nog beperkt tot Almere, maar een verdere uitbreiding ligt voor de hand. Eén zwaluw maakt nog geen zomer, één nieuwe insectensoort betekent nog niet dat het met deze kriebeldiertjes weer goed gaat.

De achteruitgang van de insectenfauna in West-Europa is alarmerend. Deze achteruitgang is het grootst in het agrarisch productieland en de versnipperde natuurgebieden. Het lijkt er sterk op dat insecten in de steden met het grote areaal aan gevarieerd groen zich nog wel enigszins aan deze malaise kunnen onttrekken. Ecologisch beheer doet daarbij een flinke duit in het zakje. Waar eens de gedachte was dat echte natuur iets was waar de mens geen bemoeienis mee had, blijken nu juist de steden van groot belang voor het behoud van een flink deel van de biodiversiteit.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Redmond

Charles Darwin, geboren in 1809. Schreef zijn wereldvermaarde boek over het ontstaan van plant- en diersoorten toen hij 50 jaar oud was. Het jaar 2009 was daarmee zijn 200ste geboortejaar en de 150ste verjaardag van zijn “Origin of species”. In het ‘Darwinjaar-2009‘ is terecht over de hele wereld veel aandacht besteed aan deze grote onderzoeker. Nederland blies een flinke partij mee met de VPRO-documentaire over de reis die Darwin met de Beagle maakte en al dobberend de evolutietheorie bedacht.

Iedere aflevering zaten we op het puntje van onze stoel. Historie, nieuw onderzoek, inzicht in de toestand van de natuur, het kwam allemaal aan bod. Het was de eerste keer dat ik van Redmond O’Hanlon hoorde. Met bakkebaarden als Amazonewouden, een houding die een leven lang in weer en wind achter het roer van een 19e eeuwse klipper deed vermoeden en een flinke dosis Engelse humor stal hij menig hart, en in ieder geval ook het onze. Met speels gemak en een grote eruditie sneed hij vele relevante onderwerpen aan, van nietige eencellige dieren tot walvissen, alles heeft zijn interesse. Wat een bijzondere kerel!

Een jaar later deed Redmond een en ander nog eens dunnetjes over in zijn VPRO-serie Redmond’s Helden. En weer etaleerde Redmond O’Hanlon die bijzondere combinatie van kennis, begeestering en humor. Redmond heeft zijn helden, mijn held is Redmond! En toen de gemeente Almere Redmond uitnodigde om in Almere te komen wonen en een boek over deze groene stad te schrijven (‘writer in residence’) wisten we zeker, dit is onze kans om hem te ontmoeten. Het duurde even maar uiteindelijk kwamen de twee stadsecologen (mijn vrouw Annemiek en ik) in de radar. Of we een excursie wilde organiseren met Redmond naar een mooi natuurgebied in Almere. Maar natuurlijk! Het excursiedoel was snel gevonden. Het Almeerderstrand was door ons net ontdekt als walhalla voor korstmossen en paddenstoelen. Dus enige dagen later liepen Redmond en zijn vrouw Marijn, Annemiek en ik vrolijk keuvelend over het strand en knielend op een bed van korstmossen.

Een diner bij Marijn en Redmond thuis volgde. Zij woonden toen in een penthouse in Nobelhorst, maar ondanks de hoge positie, kreeg je onwillekeurig het gevoel in een scheepsruimte van de Beagle te zijn, werkelijk volgepakt met curiosa en boeken, vondsten en artefacten. Een derde ontmoeting vond plaats nabij het stadshart waar Redmond alles wilde weten over stadsecologie en de knobbelzwanen die in mijn ogen daar perfecte ambassadeurs voor zijn. Ik zou het enorm eervol hebben gevonden als ik het dankwoord van zijn boek genoemd zou worden, het werd een heel hoofdstuk. Hoe gaaf is dát?

In september van dit jaar is het boek van Redmond over Almere verschenen: de Groene Stad. Een ode aan het urbane groen, aan de Almeerse historie van de steentijd tot de moderne stadsplanning en aan de mensen die de stad hebben gemaakt. Een stad om trots op te zijn en Redmond deelt daar met dit boek de lauwerkransen voor uit.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Spoorzoeken naar een wesp

Langs mijn forensenroute is een plekkie waarvan ik steeds denk, daar moet ik eens halthouden en goed gaan kijken. De oever staat hier vol met wolfspoot en harig wilgenroosje, gelardeerd met wat verse opslag van populier. Voldoende variatie om wat leuke insecten te vinden. Deze middag voeg ik maar eens de daad bij het woord.

De wolfspoot staat “volop” te bloeien met zijn kleine kransjes van wit-roze bloempjes, voldoende om diverse vliegjes aan te trekken. Ik zie bloemvliegen en de groenglanzende Neomyia cornicina. Ook jaagt hier de gewone wesp op kleine insecten. Mijn oog valt verder op een bladmijn in het wolfspootblad. Het vraatpatroon duidt op de bladmineervlieg Phytomyza lycopi. Het is inmiddels de tweede vindplaats van dit zeldzame vliegje in Almere. Vanwege de wespen, laat ik de wolfspoot maar even voor wat het is en ik richt mijn aandacht op de populieren.

Het gebeurt niet vaak dat je verse populierenblad en jonge twijgen zo fraai kan onderzoeken. Meestal zijn die buiten de reikwijdte van mijn – toch best wel – lange armen. De bladeren zijn rijk aan de bladmijnen van de eenstipslakkenspoormot. De rups van dit piepkleine motje vreet zeer oppervlakkig onder het bladoppervlakte, waardoor een zilverig-glimmend paadje ontstaat. Alsof een slak over het blad is gekropen. Verder tref ik de lange en slanke vraatgang van de algemene populierenmineermot. Een ander blad laat een wat onregelmatige vraatvlek zien, van de onderkant is het bladmateriaal weggevreten. Als ik het blad vastpak voel ik bij de bladsteel een ruwheid die direct mijn aandacht trekt.

Op een lengte van 1-2 centimeter zijn kleine bobbeltjes te zien die bij nadere inspectie bultjes met putjes zijn. Hier heeft een insect op een regelmatige afstand 7-10 eitjes aan weerszijde van de bladsteel gelegd en de eitjes hebben op hun beurt de steel aangezet tot het maken van de kleine bultjes. De putjes wijzen erop dat de rupsjes al uitgekropen zijn. Dit is het werk van de bladwesp Cladius grandis. De larfjes zijn gewoon om gezamenlijk na uitkomen over de onderzijde van het blad te trekken. Op een gegeven moment gaan ze naast elkaar aan het blad vreten. Het gezamenlijk optrekken doen ze vast niet omdat het zo gezellig is. Op die manier lijken ze één groot organisme en dat zou wel eens belagers kunnen afschrikken. De larven kan ik echter niet vinden. Heeft een hongerige mees de truc doorzien en zich aan de smakelijke hapjes vergrepen? Gelukkig hebben we de sporen nog, want de soort was nog niet eerder in Flevoland (en Almere) aangetroffen.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Buizerd in vrije val?

Een flink aantal muggen lijkt duidelijk te willen maken dat het best wel mee valt met de achteruitgang van de insecten in Nederland. Deze avond ontkomen we niet aan het gezoem en zullen we ook wel wat bloed aan moeder natuur gaan doneren. Het ringen van roofvogels moet nu eenmaal in de muggentijd gebeuren.

Al tientallen jaren wordt de vinger aan de pols van de roofvogelstand gehouden. Daarvoor worden nesten gezocht, het broedsucces bepaald en de overleving geregistreerd aan de hand van het ringen van de nestjongen. We zijn eind vorige eeuw daar ook rond Almere mee begonnen. Vanaf 1993 zijn de nesten van buizerd en havik in de bossen en parken van Almere opgezocht en inmiddels een kleine duizend vogels van een ring voorzien. In vele delen van het land wordt dit onderzoek uitgevoerd, zodat we onze gegevens mooi kunnen vergelijken. Terugkijkend op die berg gegevens valt een aantal zaken op. Tot een paar jaar na de eeuwwisseling was Almere een groeigemeente. Voor buizerds in ieder geval. Ieder jaar vonden we meer nesten en het aantal jongen was gemiddeld meer dan 2,5 per nest. In het rijtje met landelijke gegevens behoorden we steevast tot de kopgroep van regio’s waar deze roofvogels bovengemiddeld jongen produceerden. En ook het moment waarop gemiddeld het eerste ei in de nesten rolden, was één van de vroegste in het land. Die eerste eileg wordt doorgaans gezien als goede conditiemeter. Een vrouwtje dat goed doorvoed uit de winter komt is immers eerder in staat om met broeden te beginnen. Kortom, de roofvogels rond Almere hadden het goed.

En toen veranderde er van alles. Het nest dat ik nu onder handen neem heeft weliswaar drie jongen, maar gemiddeld komen we de laatste jaren niet boven de 1,5 jong per nest uit. En dat is ook dit jaar zo! Een nest met drie jongen is nu een uitzondering, terwijl we twintig jaar geleden nog zelfs legsels met vijf jongen vonden. Ook de gemiddelde start van het broeden is inmiddels met anderhalve week verlaat, sinds we met ons onderzoek begonnen. Eind vorige eeuw startte de gemiddelde buizerd zo rond 2 april met broeden. Nu is dat meestal rond de twaalfde. En dat is geen landelijke maar regionale trend. De laatste jaren zijn de Almeerse buizerds – gelijk FC Twente – van koploper tot hekkensluiter verworden. Maar wat veranderde er dan dat de roofvogels zo slecht presteren?

Daar is niet één reden voor te geven, maar een flinke hand vol. In de eerste plaats is de verlate legdatum een teken dat de winterse omstandigheden in Zuidelijk Flevoland zijn verslechterd. Het agrarisch gebied is van (de laatste stuiptrekkingen van) ontginningslandbouw omgevormd tot agrarisch industriegebied waar iedere vierkante productiemeter telt. Stoppelvelden zijn zeer zeldzaam geworden en luzerneteelt (dat ’s winters niet wordt gemaaid) idem dito. Daarmee is het voedselareaal voor de buizerd gedecimeerd. Maar het is ook drukker geworden. Even rustig een kwartiertje vanaf een paaltje jagen, zit er niet meer in. Trimmers, wielrenners, passanten, (en ja, ook vogelaars en -fotografen) jagen de vogels voortdurend op.

Hetzelfde geldt voor het broedgebied. Ook de bossen worden van stille gebieden omgevormd naar recreatieterreinen. Niet zelden is daarbij ook gekapt in en rond broedpercelen. Ik ken zeker drie voorbeelden waarbij kronkelpaadjes zijn aangelegd door percelen waar buizerds broedden. Inderdaad, met dubbel d. Keurig netjes afstand gehouden conform de daartoe opgestelde protocollen, maar in de open populierenpercelen is een wandelaar over zo een pad altijd zichtbaar voor een buizerd. En dat levert veel stress op en uiteindelijk taaien de vogels af. En dan die bosomvorming naar zogenaamd duurzaam bos. Met die term – bosverduurzaming – wordt bedoeld dat prachtige majestueuze populieren van 30-40 meter hoog vervangen worden door langzaam groeiende hardere houtsoort bomen. En dat duurt 20-30 jaar eer die staken zo groot zijn dat een buizerd daar een nest in kan bouwen. We moeten ook de komst van de boommarter niet uitvlakken. Het zijn gekende eier-eters en voor een marter maakt het niet uit of het ei van een duif, merel of buizerd is.

Kortom, de buizerd heeft nogal wat uitdagingen te verhapstukken. Mijn uitdaging is van veel kleinere en kortdurender orde. Ik moet me concentreren op het ringen van die jonge vogels en het negeren van de zoemende muggen om me heen. Pets! Het negeren is mislukt.

Ton Eggenhuizen


9 reacties

Salomonszegel

Onze ecologische tuin verschilt erg van de doorsnee Almeerse tuinen. In de eerste plaats, slechts een derde is betegeld. Maar ook, het kan gekenmerkt worden als georganiseerde chaos, precies zoals de natuur. En ten derde, ook onze planten zal je niet in veel tuinen aantreffen. Een van die planten is de gewone salomonszegel. Ooit heb ik een stekje meegenomen uit een of ander Brabants bos. Het sloeg aan en inmiddels is het een flinke pol met zo een 10-15 bloeiende stengels.

Genietend van een kop koffie zit ik op dat kleine terrasje, omringt door het groen. Mijn oog valt op een zwart beestje op de salomonszegel. Met mijn mobiel weet ik een foto te maken en blijkt mijn vermoeden juist, het is Phymatocera aterrima. Dit bladwespje van zo een anderhalve centimeter lang heeft geen Nederlandse naam, maar ik noem hem de salomonszegelbladwesp. De larven zijn namelijk verzot op het blad van deze plant. Overigens versmaadt hij ook het blad van het Lelietje van Dalen niet. Daarom loop ik snel naar de voortuin omdat daar het lelietje staat. De wesp zit daar niet, dus ik mag hem met recht zo in het Nederlands noemen.

Ook zie ik in het blad waar zojuist de wesp zat ook gaten. En als ik goed kijk zitten in de gaten zwartkoppige grijze “rupsjes” die aan de gat-rand knagen. Dat zijn de larven van de wesp. Die gaan zich bol vreten en ik verwacht straks dikke larven en kaalgevreten blad. Een mooie ecologische relatie, we laten ze dus lekker zitten. Maar wat mij zo verbaast, hoe weet zo een wespje deze plant te vinden? Ik schat in dat de plant in Almere zeldzaam is. Op waarneming.nl vindt ik in ieder geval geen enkele melding van deze plant. Deze verbazing heb ik ook uitgesproken onder natuurvrienden. Daar kreeg ik echter twee maal: “maar die hebben wij ook in de tuin!”.

De vraag is of er meer ecologische tuinen zijn met salomonszegel. En of ook daar de wesp of zijn rupsen zijn te vinden. Als dat zo is, dan hoor ik het graag.

Ton Eggenhuizen