Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


9 reacties

Salomonszegel

Onze ecologische tuin verschilt erg van de doorsnee Almeerse tuinen. In de eerste plaats, slechts een derde is betegeld. Maar ook, het kan gekenmerkt worden als georganiseerde chaos, precies zoals de natuur. En ten derde, ook onze planten zal je niet in veel tuinen aantreffen. Een van die planten is de gewone salomonszegel. Ooit heb ik een stekje meegenomen uit een of ander Brabants bos. Het sloeg aan en inmiddels is het een flinke pol met zo een 10-15 bloeiende stengels.

Genietend van een kop koffie zit ik op dat kleine terrasje, omringt door het groen. Mijn oog valt op een zwart beestje op de salomonszegel. Met mijn mobiel weet ik een foto te maken en blijkt mijn vermoeden juist, het is Phymatocera aterrima. Dit bladwespje van zo een anderhalve centimeter lang heeft geen Nederlandse naam, maar ik noem hem de salomonszegelbladwesp. De larven zijn namelijk verzot op het blad van deze plant. Overigens versmaadt hij ook het blad van het Lelietje van Dalen niet. Daarom loop ik snel naar de voortuin omdat daar het lelietje staat. De wesp zit daar niet, dus ik mag hem met recht zo in het Nederlands noemen.

Ook zie ik in het blad waar zojuist de wesp zat ook gaten. En als ik goed kijk zitten in de gaten zwartkoppige grijze “rupsjes” die aan de gat-rand knagen. Dat zijn de larven van de wesp. Die gaan zich bol vreten en ik verwacht straks dikke larven en kaalgevreten blad. Een mooie ecologische relatie, we laten ze dus lekker zitten. Maar wat mij zo verbaast, hoe weet zo een wespje deze plant te vinden? Ik schat in dat de plant in Almere zeldzaam is. Op waarneming.nl vindt ik in ieder geval geen enkele melding van deze plant. Deze verbazing heb ik ook uitgesproken onder natuurvrienden. Daar kreeg ik echter twee maal: “maar die hebben wij ook in de tuin!”.

De vraag is of er meer ecologische tuinen zijn met salomonszegel. En of ook daar de wesp of zijn rupsen zijn te vinden. Als dat zo is, dan hoor ik het graag.

Ton Eggenhuizen

Advertenties


2 reacties

Agressieve fuut

Zo vredig als de fuut in het muzenpark nu op haar eieren zit, je zou haast denken dat het altijd pais en vree is geweest. De vijver is echter weken strijdtoneel geweest van twee rivaliserende futenparen. Als aan één zijde een paartje met baltsen begon, kwam het andere paartje aanzwemmen om de feestvreugde te verstoren. De laatste meters van de aanval zwom één van de vogels vlak onder het wateroppervlakte. Alleen de boeggolven waren zichtbaar en het was een koud kunstje om daar het themamuziekje van Jaws bij te denken. Vlak vóór het baltsende paartje dook de aanvaller op en volgde een handgemeen (vleugelgemeen?).

Waarschijnlijk zit het verliezende paartje een flink stuk verderop in de stadsgracht op het nest. De vijver in het Muzenpark was met 50 meter in doorsnee kennelijk niet groot genoeg. Het gevecht was niet vanwege een tekort aan nestplaats, vrijwel de hele oever heeft riet, dus “plek plenty”. Het alleenrecht zal dus wel om voedsel gaan. Straks als de eieren uitgekomen zijn, moeten wel meteen een flink aantal hongerige monden gevuld worden, het monopolie betreft dus de visstand in de vijver.

Hoe anders is het op het Gooimeer. Ik sta op het Zilverstrand en in de oksel bij de dijk dobberen meer dan vijftig futen paarsgewijs op het water. In de rietrand, nog geen 200 meter lang, wordt volop gebaltst en wat dieper in het rietland zitten vogels op het nest. Onderlinge conflicten lijken nauwelijks aanwezig. Naar schatting zitten hier vijftig tot zestig paar op elkaars lip. Als je het gedrag vergelijkt met de vijver in het Muzenpark lijken het wel twee volstrekt verschillende vogelsoorten. Vanwaar de weinig agressieve houding op deze plek?

In verhouding is het areaal aan broedplekken beperkt, maar het voedselaanbod is flink groter. Straks als de eieren zijn uitgekomen, gaan de ouders met hun jongen het Gooimeer op. Voor de kust ligt een uitgebreid veld met fonteinkruid en kranswier van een paar vierkante kilometer. Als je daar met de kano overheen vaart, waan je je in een vliegtuig over de Amazone. Een onderwaterwereld met dieper en oppervlakkiger liggende “boomkruinen” waartussen futen op visjes kunnen jagen. Zelfs bij een flink windje is het oppervlakte redelijk rustig door de dempende werking van de planten op golfslag. En niet alleen gewone futen kennen deze plek. Ook dodaars broedt in de rietkraag en de waterplantenvelden zijn in trek bij tientallen geoorde futen en krakeenden.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Campinggras in Almere

Voor kampeerders is het een bekend beeld: de tentafdruk van de voorgangers in het gras. Voor plantkundigen is het een kans om een leuk klein grasje te zoeken. De kale grond blijkt namelijk een prima leefgebied voor het Campinggras (Poa infirma). Campinggras is een onooglijk klein grasje dat bovendien erg lijkt op het zeer gewone straatgras. Het is dan ook niet het uiterlijk waardoor plantenmensen in vervoering raken, het ecologische verhaal is dat wel. Campinggras wordt in Nederland vrijwel uitsluitend op campings aangetroffen. Daar zijn twee redenen voor.

In de eerste plaats blijken de campermatjes en tentharingen prima vehikels te zijn om zaad te verspreiden. De plant komt oorspronkelijk in Zuid-Europa voor en blijkbaar zijn campinggasten niet allemaal trouw aan hun vakantieadres. De andere reden is dat het gras een perfecte bodem vindt in de door grondzeilen veroorzaakte kale grond. Na verloop van tijd nemen de gewone grassoorten het weer over, maar juist in het voorjaar, als het Campinggras bloeit, grijpt deze zijn kans.

Een aantal plantenmensen zijn de afgelopen jaren bezig met de verspreiding van dit grasje in kaart te brengen. Alle waarnemingen worden in waarneming.nl gezet en zo vernam ik van de eerste vondst op de Almeerse camping Waterhout. Almere is dus weer een bijzondere soort rijker.

Ik was in staat om zelf ook poolshoogte te nemen en vond het plantje vrij snel. In de gauwigheid ook een foto genomen maar later bleek daar vooral zijn algemene neefje (straatgras) op te staan. Zal dus nog een keer terug moeten voor een goede foto van het goede plantje.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Zwanensoos

Het gras is “luiskaal” nabij het woonzorgcentrum de Kiekendief in Almere Centrum. Wilde eenden, meerkoeten, kokmeeuwen en enkele zwanen staan te wachten op nieuwe aanvoer van voedsel. Gras is hier niet meer te eten. De vogels azen dus op de volgende bewoner die met een zak oud brood langs komt, onderweg naar het winkelcentrum. Net als ik mijn fiets parkeer, zie ik een vrouw de inhoud van een flinke broodzak het water in storten. Vervolgens storten de vogels zich en masse op de rijke dis. De feeding frenzie is op ruime afstand te horen en trekt daarmee nog meer vogels aan.

Na enkele minuten is het weer rustig. Het wachten is weer op een nieuwe lading. Ik heb geen zak brood bij mij, slechts een verrekijker en opschrijfboekje. Als ik naar de waterkant loop, heb ik wel direct alle vogelaandacht. Ik ben hier niet voor het voeren van de vogels maar om de “burgelijke stand” van de zwanen op te nemen. Vrijwel alle zwanen zijn hier namelijk met unieke codes geringd. Zo weten we al heel veel van de vogels, waar en wanneer ze voor het eerst het daglicht zagen, wie hun ouders zijn, wie de partners. Door met regelmaat de ringen af te lezen krijgen we inzicht in de opbouw van deze groep vogels. Zijn het allemaal jongen? Zitten ze alleen maar bij elkaar voor het voer, of hebben ze ook andere bedoelingen?

Met de kou op komst is het samenklonteren wel een handige strategie. Samen houden ze zo wel een wak open en zijn daardoor niet verstoken van water. Het lijkt ook wel dat ze weten dat brood gedurende de winter niet echt een probleem wordt. Die aanvoer is inderdaad wel gegarandeerd. De zwanen zijn zo tam dat in no time 10-15 vogelringen zijn afgelezen en in mijn opschrijfboekje staan. Tussen de doorgaans jonge vogels zie ik ook ineens een oude ring. Het is een mannetje die we in 2004 als volwassen vogel hebben geringd. Hij is daarmee één van de oudste vogels in onze geringde populatie. We zijn immers in 2003 met ons onderzoek begonnen. Omdat we de exacte leeftijd tijdens ringen niet weten, kan ik slechts zeggen dat hij minimaal zeventien jaar oud is. Het verbaast me wel dat zo een volwassen vogel tussen al het jonge grut staat. Volwassen zwanen zijn territoriaal en vechten vaak met soortgenoten.

Kennelijk heeft hij het voorjaar nog niet in de kop en is het voedsel belangrijker dan het verdedigen van een eigen leefgebied. Verderop in de groep zie ik twee vogels die wel al aan het voorjaar lijken te denken. Er wordt driftig gebaltst. En als een derde vogel interesse toont wordt hij vinnig weggebeten. Snel even de ringen van die twee aflezen, ze blijken allebei drie jaar oud. Wellicht is dit een nieuw broedpaar?

’s Avonds thuis voer ik de ringen in de computer in. Het is inmiddels het zevende bezoek dat ik aan de soosplek heb gebracht. Desondanks zijn twee vogels waarvan ik de ring aflas, nog niet eerder door mij daar gezien. De database verbergt nog wel meer spannende informatie over deze intrigerende soort. In het voorjaar als de soos uit elkaar valt, moeten we de boel maar eens grondig uitwerken. Er zit vast wel een artikel in voor “de Grauwe Gans” het blad van de Vogelwerkgroep Flevoland.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Snoek in het zonnetje, Almeerse Big-5 boven water

Heerlijk, het zonnetje schijnt na dagenlang regen en mist. Gelukkig mag ik als ecoloog af en toe naar buiten en dat plan ik natuurlijk het liefst met lekker weer. Bij gemeentelijke werkzaamheden in het groen moet met een Flora- en faunacheck bekeken worden hoe deze werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden met respect voor beschermde planten en dieren. Een Flora- en faunacheck van een houten brug brengt ook minder leuke kanten mee, want ook de onderzijde van het brugdek moeten worden gecheckt op aanwezige nesten van boerenzwaluwen. Jammer genoeg is dit ook een favoriete plek voor spinnen. Gelukkig heb ik geen fobie, maar al die spinrag in mijn haren…

Er waren meer mensen blij met het zonnetje en dachten even lekker naar buiten te gaan. Ik fietste langs het water terug naar het stadhuis en zag drie jongens staan vissen. De hengel boog sterk door. Het was direct duidelijk, daar zat een flinke vis aan. Natuurlijk kneep ik in de remmen en bleef even staan kijken. Er kwam een prachtige grote snoek aan kant. Hij werd keurig opgemeten, 88 cm! Ze waren erg enthousiast, zulke grote snoeken vang je niet vaak. Ik was nog net op tijd voor een foto.

In het gemeentelijk Waterplan heeft biodiversiteit een prominente rol gekregen. Om duidelijk te maken waar het dan om gaat zijn vijf iconische soorten benoemd: onze Big Five. De Big Five bestaat uit rietorchis, grote zilverreiger, bever, ijsvogel en ook de zojuist gevangen snoek. Gelukkig is de snoek, na de foto weer netjes en gezond in de vaart terug gezet.

Annemiek Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

De gemiste kansen van het Vleermuisprotocol

Het lijkt zo mooi, een wet die plant en dier beschermt tegen onze bouw- en slooplust. Maar we moeten ons er niet op blindstaren. Want daarmee vergeten we de bedoeling van de wet en verliezen we ons volledig in de regels, protocollen en procedures. Er zijn diverse praktijkvoorbeelden te geven waarbij een ontheffing regeltechnisch volledig klopt, maar ecologisch onzin is. Bovendien, de wet vormt slechts de bottom-line voor natuurbescherming, want een beperkt aantal soorten en gebieden is immers maar beschermd. Met de wettelijke bescherming met zijn regeltjes en protocollen alleen, boert de natuur gewoon verder achteruit. Een voorbeeld.

In Almere komen een aantal vleermuizen algemeen voor en enkele hebben verblijfplaatsen in spouwmuren en andere ruimten in en aan gebouwen. Alle vleermuizen zijn strikt beschermd en deze bescherming betreft slaapplekken, foerageergebieden en vliegroutes. De bescherming leidde tot de ontwikkeling van het Vleermuisprotocol door de brancheorganisatie Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging. Het Vleermuisprotocol beschrijft het onderzoek dat nodig is om de aanwezigheid van vleermuizen vast te stellen. Hiermee is een kwaliteitsstandaard ontwikkeld voor de lastige inventarisaties die nodig zijn voor vergunningverlening. Bij sloop of renovatie van op het oog geschikte gebouwen moet volgend het protocol, onderzoek gedaan moet worden naar winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen. Dit onderzoek beslaat vrijwel een geheel jaar.

Wat kan het onderzoek opleveren? Of de vleermuizen zitten er niet, of ze zitten er wel, zou je denken. Maar er is nog een derde smaak: het kan niet uitgesloten worden dat het pand door vleermuizen wordt bewoond. In de praktijk betekent dit dat in de meeste gevallen (van mogelijke bewoning tot zekere bewoning) rekening gehouden zal moeten worden met vleermuizen. Je bent een jaar verder en meestal zal dan toch een ontheffing moeten worden gevraagd en zullen beschermingsmaatregelen getroffen moeten worden. Dat kan slimmer.

Uit globale inventarisaties is per Almeers wijkdeel bekend welke soorten vleermuizen daar voorkomen en ruwweg hoe zij het gebied gebruiken. De inventarisaties hebben echter niet het (kostbare) detailniveau dat vereist wordt volgens het Vleermuisprotocol. Een pragmatischer benadering is om, uitgaande van de bekende en te verwachten soorten en ongeacht of het pand werkelijk door vleermuizen gebruikt wordt, altijd voorzieningen voor vleermuisbewoning te treffen. Het gerichte protocol-onderzoek is dan overbodig geworden. Deze pragmatische benadering is zowel voor de vleermuizen gunstig (er worden immers vaker beschermmaatregelen getroffen dan met de standaard portocolbenadering) en het is voor ontwikkelaars gunstig. Het scheelt tijd en onderzoekskosten, kosten die dan direct en met genoegen in beschermmaatregelen worden gestoken.

De pragmatische benadering is in lijn met de geest van de wet, want het bevorderd ‘de gunstige staat van instandhouding van de soorten’, een centraal begrip in de wet. Het bevoegd gezag (sinds 1-1-2017 is dat de provincie) is echter meestal huiverig en houdt liever vast aan de regeltjes. De ontheffing wordt alleen verleend als volgens het protocol onderzoek wordt gedaan. Een klassiek geval dus waarbij de regeltjes het winnen van de bedoelingen van de wet. En ik snap wel, nadeel van de pragmatische benadering is dat de inschatting van soort en aantal te laag kan uitpakken. Aangezien dit nadeel slechts sporadisch zal optreden, kan dit met gemak wegvallen tegen de positieve effecten. Wie is er dan met het protocol geholpen? De vleermuizen niet, maatregelen worden dan immers alleen maar getroffen als dat wettelijk verplicht is. De Groene Bureaus daarentegen die het onderzoek in opdracht kunnen uitvoeren, ja, die hebben er baat bij.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Hoornaar in Almere

Geel-zwart-geel-zwart, het zijn de kleuren van het gevaar. Een insect met deze kleuren betekent oppassen, hoewel lang niet alle geelzwarte insecten gevaarlijk zijn zoals ik eerder schreef over de zebrarups en de stadsreus. Maar (sociale) wespen, kunnen dat wel zijn. De steek is pijnlijk en kan zelfs flinke allergische reacties geven. En als de wesp in kwestie zo’n drie-en-een-halve centimeter groot is, zit de schrik er wel al snel in.

De angst zit er sinds kort nog méér in door de eerste waarneming van aziatische hoornaar, waar de pers uitgebreid verslag van heeft gedaan. Niet dat de steek erger is, of de wesp agressiever. De aziatische hoornaar wordt gevreesd omdat deze wesp verzot is op honingbijen. Ze kunnen flink huishouden onder bijenvolken en worden dus in de eerste plaats door imkers gevreesd. Hun bijen hebben het de laatste decennia toch al te verduren (mijten, gewasbeschermingsmiddelen) en een nieuwe bedreiging kunnen ze er niet bij hebben.

Angst blijkt een slechte raadgever. De in de pers opgeklopte verhalen maakt mensen bang. Zelfs volstrekt ongevaarlijke zweefvliegen als de stadsreus worden aangezien voor “het monster”. En wellicht hebben veel mensen nog nooit gehoord van de Europese hoornaar, ondanks het feit dat hij best wel algemeen is. Ieder groot zwartgeel insect is dan automatisch de Aziatische hoornaar. Zowel de Europese als de Aziatische hoornaar zijn voor ons minder hinderlijk dan de gewone wesp (of je moet imker zijn, natuurlijk). De gewone wesp komt in nazomer en herfst op zoetigheid af. Dan bezoeken ze ook onze terrassen op zoek naar limonade en ijs. Of je ziet ze in de bakkerstoonbank.

Afgelopen weken kwamen ook meldingen uit Almere van vermeende Aziatische hoornaars. Steeds bleek het om de gewone Europese hoornaar te gaan. Dus geen paniek, hoornaars houden niet zo van zoetigheid. Hun voedsel bestaat uit insecten. In veel gevallen zouden we dus best blij kunnen zijn met deze insectenverdelgers. Ze houden het “wriemelig gevleugelte” enigszins in toom. Dus wees blij met hoornaars (of je moet imker zijn, natuurlijk).

Ton Eggenhuizen