Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


Een reactie plaatsen

Ik ben een spin!

Akkerdistels zijn voor ecologen altijd interessant. Deze algemene plant – onkruid zouden veel anderen denken – trekt door de lange bloeitijd veel insecten aan. De paarse bloemen zijn een magneet voor atalanta’s, kortschildkevers en zweefvliegen. En niet alleen de bloemen zijn geliefd. Op een akkerdistel in het Beatrixpark vind ik ronde gezwellen, de gallen van de akkerdistelgalboorvlieg.

Dat is een lange naam voor een vliegje van net meer dan een halve centimeter groot. Een tijdje geleden heeft de boorvlieg een gaatje in een vers stengeldeel geboord en daar een eitje in gelegd. Stoffen uit het eitje hebben de plant vervolgens aangezet tot het vormen van de zwelling, de gal. Uit het eitje komt een larve die zich tegoed zal doen aan het galweefsel en uiteindelijk zal er na het popstadium een nieuw akkerdistelgalboorvliegje het luchtruim kiezen, op zoek naar een nieuwe akkerdistel.

Het vliegje is herkenbaar aan een aantal opmerkelijke zwarte strepen op de vleugel. In rust lijken de strepen vooral voor de sier. Inderdaad, het is een sierlijk vliegje. Een sierlijk vliegje wat ook opvalt. Tal van andere insecten zouden er een lekker hapje in zien, maar daar komen de strepen goed van pas. Niet alleen de tekening, ook de wijze waarop een zittende vlieg de vleugels blijft bewegen werkt afschikwekkend. Het vliegje beweegt de vleugels langzaam ten opzichte van elkaar, waardoor het net lijkt of een aantal spinnenpoten bewegen. Het vliegje acteert een spin te zijn! Belagers zijn even in verwarring, voldoende voor de vlieg om het hazenpad te kiezen.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Racen door een rietblad

img_20160905_171715498De maaibeurt is al even geleden en inmiddels staat het riet op de bult in het Beatrixpark weer vijftig centimeter hoog. Riet is een buitengewoon snel groeiend gewas en daardoor aantrekkelijk voor een bonte stoet aan blad- en stengelvretertjes. Daarom is de bult vanmiddag mijn studiegebied in de zoektocht naar de rijkdom van planten en dieren in Almere.

Het duurt niet lang eer mijn oog valt op een serie streepjes in de lengterichting van één zijde van het rietblad. Het zijn de bladmijnen van een klein vliegje: Agromyza phragmitides. Het kleine insect is lid van de mineervliegjes, een familie met zo een zestig vertegenwoordigers in Nederland. De larven vreten zich rond tussen boven- en onderkant van bladeren en vormen daar zogenaamde mijnen. Zowel de plant waar de mijn in te vinden is, als de vorm van de mijn verraden welk vliegje uiteindelijk uit de larve zal komen. De soortaanduiding phragmitides verwijst naar de familienaam van Riet (Phragmites australis). Er is (nog) geen officiële Nederlandse naam, maar het insect zou heel goed de rietmineervlieg genoemd kunnen worden.

Het patroon in het blad is heel kenmerkend: de volwassen vlieg legt een rijtje eitjes haaks op de bladrand. De plek is herkenbaar aan ovale bruin geworden wondjes in het bladoppervlak. De larfjes vreten zich rond door een gang te graven naar de bladtop. Daarbij worden ze dikker en dikker, de gangetjes worden breder en breder. Uiteindelijk worden de gangen zo breed dat ze met elkaar in verbinding komen. Het patroon lijkt wel alsof de larven een wedstrijdje doen wie het eerst bij de bladtop is. Eenmaal bij de bladtop, maken ze rechtsomkeert en vreten ze zich weer een weg via de andere bladzijde naar de bladbasis. Het vraatpatroon lijkt sterk op een andere mineervlieg: Agromyza hendeli. Kenmerkend verschil tussen beide soorten is de poep die in de mijn (frass) zichtbaar is. Bij hendeli is dat in brokjes, bij phragmitides poederachtig.

Eenmaal volgevreten verpoppen de larven. Dit gebeurt bij zowel de ‘brokjes-rietmineervlieg’ als bij de ‘poeder-rietmineervlieg’ buiten het blad in de strooisellaag. Het lijkt er niet op dat de rietplant gebukt gaat onder de vraat. In een proefvlakje met honderd rietstengels, kwam ik maar twee bladen met de mijntjes tegen. Het zou ook niet handig zijn als de vlieg zijn voedselbron volledig zou uitputten. Een goede diversiteit aan soorten (spinnen, vliegen, planten, libellen, vogels etc etc) zorgt er voor dat ze elkaar in toom houden en niemand uit de band kan springen.

Ton Eggenhuizen


1 reactie

Kieskeurig

IMG_20160802_171313050In het Beatrixpark weet ik een flinke groeiplaats van het groot heksenkruid. Het blad van de plant lijkt wel wat op brandnetel. Boven de bladeren steken ijle trosjes met witte bloempjes. Ze staan in een dicht loofbos en samen met geel nagelkruid vormen ze hier de kruidenlaag. Het heksenkruid is bijzonder omdat het gastheer is van enkele zeer kieskeurige typjes.

Allereerst is daar de heksenkruidsteltwants. Met de lange poten lijkt die wel wat op een langpootmug of hooiwagen. Deze wants is een planteneter, of beter nog, het is een heksenkruideter. Tijdens zijn wandelingen zal hij vast wel eens op wat anders te zien zijn, maar voor zijn voedsel is hij afhankelijk van deze ene plantensoort. Het is bijzonder dat zo een kieskeurige soort ooit de groeiplaats in het Beatrixpark heeft weten te vinden. Het is de vraag of hij ook op de vijf andere Almeerse groeiplaatsen van het heksenkruid voorkomt.

In het heksenkruidblad kunnen de vraatsporen van twee motjes worden gevonden: de kleine en de zwarte heksenkruidmot. Ook weer kieskeurige diertjes die beide nog niet in Flevoland gezien zijn. De Zwarte heksenkruidmot is in Nederland erg zeldzaam, maar de Kleine zou best wel eens gevonden kunnen worden. De komende tijd zal ik daar nog wel wat energie in steken.

En dan de laatste groep, de bladschimmels. Drie roesten en een meeldauw zijn op heksenkruid te vinden. Eén van de roesten groeit ook op zeggeplanten, maar de rest is weer heel kieskeurig. In het Beatrixpark vond ik twee van de drie roesten (tweecellige heksenkruidroest en oranje heksenkruidroest) en de heksenkruidmeeldauw.

Het lijkt een risicovolle aanpak, alle kaarten zetten op één bepaalde plantensoort. Maar de keerzijde is dat je als specialist doorgaans niet heel veel concurrenten hebt. Er is bij een dergelijke sterke afhankelijkheid namelijk vaak sprake van een chemische koude oorlog. De plant maakt stoffen aan om belagers te weren, waar slechts enkele soorten weer een afweer voor kunnen ontwikkelen. De plant gaat door met afweerstofjes, waar de belagers weer verder op evolueren. Tijdens die oorlogsvoering vallen de meeste soorten af en blijven de specialisten over.

Ton Eggenhuizen