Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


Een reactie plaatsen

De gemiste kansen van het Vleermuisprotocol

Het lijkt zo mooi, een wet die plant en dier beschermt tegen onze bouw- en slooplust. Maar we moeten ons er niet op blindstaren. Want daarmee vergeten we de bedoeling van de wet en verliezen we ons volledig in de regels, protocollen en procedures. Er zijn diverse praktijkvoorbeelden te geven waarbij een ontheffing regeltechnisch volledig klopt, maar ecologisch onzin is. Bovendien, de wet vormt slechts de bottom-line voor natuurbescherming, want een beperkt aantal soorten en gebieden is immers maar beschermd. Met de wettelijke bescherming met zijn regeltjes en protocollen alleen, boert de natuur gewoon verder achteruit. Een voorbeeld.

In Almere komen een aantal vleermuizen algemeen voor en enkele hebben verblijfplaatsen in spouwmuren en andere ruimten in en aan gebouwen. Alle vleermuizen zijn strikt beschermd en deze bescherming betreft slaapplekken, foerageergebieden en vliegroutes. De bescherming leidde tot de ontwikkeling van het Vleermuisprotocol door de brancheorganisatie Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging. Het Vleermuisprotocol beschrijft het onderzoek dat nodig is om de aanwezigheid van vleermuizen vast te stellen. Hiermee is een kwaliteitsstandaard ontwikkeld voor de lastige inventarisaties die nodig zijn voor vergunningverlening. Bij sloop of renovatie van op het oog geschikte gebouwen moet volgend het protocol, onderzoek gedaan moet worden naar winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen. Dit onderzoek beslaat vrijwel een geheel jaar.

Wat kan het onderzoek opleveren? Of de vleermuizen zitten er niet, of ze zitten er wel, zou je denken. Maar er is nog een derde smaak: het kan niet uitgesloten worden dat het pand door vleermuizen wordt bewoond. In de praktijk betekent dit dat in de meeste gevallen (van mogelijke bewoning tot zekere bewoning) rekening gehouden zal moeten worden met vleermuizen. Je bent een jaar verder en meestal zal dan toch een ontheffing moeten worden gevraagd en zullen beschermingsmaatregelen getroffen moeten worden. Dat kan slimmer.

Uit globale inventarisaties is per Almeers wijkdeel bekend welke soorten vleermuizen daar voorkomen en ruwweg hoe zij het gebied gebruiken. De inventarisaties hebben echter niet het (kostbare) detailniveau dat vereist wordt volgens het Vleermuisprotocol. Een pragmatischer benadering is om, uitgaande van de bekende en te verwachten soorten en ongeacht of het pand werkelijk door vleermuizen gebruikt wordt, altijd voorzieningen voor vleermuisbewoning te treffen. Het gerichte protocol-onderzoek is dan overbodig geworden. Deze pragmatische benadering is zowel voor de vleermuizen gunstig (er worden immers vaker beschermmaatregelen getroffen dan met de standaard portocolbenadering) en het is voor ontwikkelaars gunstig. Het scheelt tijd en onderzoekskosten, kosten die dan direct en met genoegen in beschermmaatregelen worden gestoken.

De pragmatische benadering is in lijn met de geest van de wet, want het bevorderd ‘de gunstige staat van instandhouding van de soorten’, een centraal begrip in de wet. Het bevoegd gezag (sinds 1-1-2017 is dat de provincie) is echter meestal huiverig en houdt liever vast aan de regeltjes. De ontheffing wordt alleen verleend als volgens het protocol onderzoek wordt gedaan. Een klassiek geval dus waarbij de regeltjes het winnen van de bedoelingen van de wet. En ik snap wel, nadeel van de pragmatische benadering is dat de inschatting van soort en aantal te laag kan uitpakken. Aangezien dit nadeel slechts sporadisch zal optreden, kan dit met gemak wegvallen tegen de positieve effecten. Wie is er dan met het protocol geholpen? De vleermuizen niet, maatregelen worden dan immers alleen maar getroffen als dat wettelijk verplicht is. De Groene Bureaus daarentegen die het onderzoek in opdracht kunnen uitvoeren, ja, die hebben er baat bij.

Ton Eggenhuizen

Advertenties


Een reactie plaatsen

De ene exoot is de andere niet

kuifeendenDe Pampushaven ligt weer vol met eenden. Ik noteer duizenden kuifeenden en honderden tafeleenden. Een enkele toppereend en grote zee-eend heeft zich bij deze meute aangesloten. Deze vogelaantallen zijn van internationale betekenis. Het Markermeer vormt daarom een belangrijke schakel voor deze soorten.

Nederland ligt op de lijn in Europa waar de gemiddelde januari temperatuur op nul graden ligt. Dat betekent dat onze zoetwatermeren in het merendeel van de winters bruikbare overwinteringsgebieden vormen die het minst ver van de broedgebieden liggen. De meren moeten wel rustig en voedselrijk zijn.

De belangrijkste voedselbron is de driehoeksmossel, die vanwege de zwartwitte bandering ook wel de zebramossel wordt genoemd. Dit 2-4 centimeter kleine schelpdier kan in enorme tapijten op de meerbodem liggen. En hoe meer mosselen bij elkaar liggen, des te beter kunnen de eenden de mosselbanken bevissen. Het duiken kost immers veel energie. Probeer maar eens een badeendje onder water te houden. Als je het loslaat, zie je wat een kracht erop staat. De voedselwaarde moet wel tegen deze duikkosten opwegen en dat kan alleen als de mosselen niet te diep liggen, niet te vast aan de bodem zitten en waar iedere duik ook wat oplevert. Als het water dieper dan drie-vier meter is, dan heeft duiken weinig zin.

In de bescherming van de kuifeend kleeft iets paradoxaals. De driehoeksmossel is namelijk een soort die hier van origine niet voorkomt. Hij hoort thuis in de rivieren die afwateren op de Zwarte en Kaspische zee. Doordat we met kanalen de rivierstroomgebieden met elkaar in contact hebben gebracht, heeft ook de bijbehorende fauna zich kunnen verspreiden. De driehoeksmossel is hét stapelvoedsel van de kuifeend en de kuifeend is op grond van de aantallen in het Markermeer zwaar beschermd. In feite beschermen we een gebied op basis van vogelaantallen, die op hun beurt stoelen op een soort die van nature hier niet voor komt. Niet echt een natuurlijke situatie! En de paradox wordt nog groter als de ene exoot de andere gaat verdringen.

Naast de driehoeksmossel duikt nu de quaggamossel op. Ook deze mossel hoort hier niet thuis, van nature is deze te vinden in de Dnjepr. En die quaggamossel is een ander verhaal. Ze zijn wat groter en leven meer in bulten bij elkaar. Het zijn zeer efficiënte waterfilteraars. Het grootste deel van het organisch materiaal uit de waterkolom gaat door hun maag, waardoor ze kleine vis en andere schelpdieren wegconcurreren. Met de toename van quaggamosselen zullen de aantallen van driehoeksmossel én kuifeend gaan afnemen.

Als je het de kuifeend vraagt, zal hij de voorkeur geven aan de driehoeksmossel. Die is veel makkelijker te bevissen. Op een goede driehoeksmosselbank is iedere duik raak. Voor de quagga, zal hij onder water meer moeten zoeken. Als hij al een quaggabult vindt, zal hij harder moeten werken om de schelpen los te wrikken. Daarmee wegen de kosten al snel niet meer op tegen de baten. Quaggamosselen die dieper dan 2-3 meter onder het wateroppervlak liggen zijn daardoor nauwelijks interessant. Daardoor krimpt het areaal voedselgebied voor de eenden.