Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


1 reactie

Motmug

Mijn zoon en ik zijn op insectenjacht in de tuin. Mijn oog valt op een klein beestje op de kersenboom. Is het nou een mugje of een motje? Snel maar even in een leefpotje vangen ter nadere bestudering. De vorm doet direct aan een zogenaamde motmug denken, maar die zijn doorgaans grijs van tint. Het wordt snel duidelijk dat dit een bijzonder beestje is. Het is zeker een motmug, maar behoort niet tot de gewone soorten. Het is de Trychomyia urbica die in Nederland als zeldzaam te boek staat.

De eerste Trychomyia urbica van Nederland werd op 1 juli 1930 gevonden en rust in de collectie van Naturalis in Leiden. Vervolgens was het heel erg lang stil en werd de tweede pas op 29 juli 2016 gefotografeerd in Noord-Groningen. De derde waarneming in Nederland (en dus de eerste in Flevoland) was dus zo maar in mijn eigen achtertuin! Naast de oranjebruine tint is ook de beadering van de vleugel kenmerkend voor deze soort.

De vraag is gerechtvaardigd of deze motmug werkelijk zo zeldzaam is. Van de motmuggen komen zo een kleine 60 soorten in Nederland voor en gelden als lastig te determineren. Er wordt dus simpelweg ook niet veel naar gekeken. De bruine kleur van T. urbica is echter wel een weggevertje voor determinatie. Dat de soort ook echt zeldzaam is, wordt daarmee wel aannemelijker. Er zijn een aantal motmuggen die in tegenstelling tot mijn motmugje heel algemeen zijn en ook vaak in huis worden gezien. Eén daarvan is Clogmia albipunctata, die zelfs een wereldwijde verspreiding heeft.

Motmuggen steken niet. Maar er zit wel een luchtje aan veel soorten. Ze leggen hun eitjes op natte plekjes met organische stoffen. Zo een plek is het afvoerputje van ons aanrecht. Over het traject van eitje tot mug doen ze één tot drie weken. Ook het mugje doet zich te goed aan het aangekoekte materiaal in onze afvoerputjes. In theorie kunnen ze dus bacteriën verspreiden. Of dat ook geldt voor T. urbica is niet te zeggen. Het motmugje hebben we het voordeel van de twijfel gegeven en weer bij de kersenboom losgelaten.

Ton Eggenhuizen

Advertenties


Een reactie plaatsen

Biodiversiteit met een luchtje?

Het zou keizer Vespasianus geweest zijn die de term “pecunia non olet” (geld stinkt niet) muntte. Ook biodiversiteit stinkt niet, hoe vies biodiversiteit in onze ogen ook kan lijken. Aarsmade, schaamluis en bedwants vinden wij vies, maar de natuur kent dergelijke waardeoordelen niet. Deze dieren zijn voor de natuur niet vies, ze – simpelweg – zijn.

Is het onze schaamte of hebben we werkelijk deze soorten tot de rand van lokaal uitsterven gebracht? Een blik in de populairste database met waarnemingen van plant en dier in Nederland (waarneming.nl) is slechts één waarneming van de schaamluis te vinden (zie foto). Ter bescherming van de goede eer en naam van individuen hebben we de namen verborgen. De bedwants kent slechts twee waarnemingen en de aarsmade drie. Hoofdluis lijkt algemener, waarneming.nl geeft 38 hits. Almere komt er voor deze bedreigde diersoorten maar bekaaid vanaf. Voor geen enkele van deze soorten is in Almere een stip op de kaart te zien.

In 2007 luidde het Natuurhistorisch Museum de noodklok voor de bedreigde schaamluis. Een betere hygiëne en “ontbossing” zou deze soort tot de rand van uitsterven hebben gebracht. Eenzelfde lot zou de aarsmade beschoren kunnen zijn. Aarsmaden verspreiden zich via kattenuitwerpselen in de zandbak. Maar hoeveel kinderen spelen tegenwoordig nog in de zandbak? De iPad lijkt nu een serieuze bedreiging voor het witte poepwormpje. En “luizenmoeders” (m/v) moorden hele populaties van de hoofdluis uit.

Vespasianus had met al deze zaken niet te maken. Dikke kans dat zijn bed vol met wantsen zat en hoofd en schaamstreek inwoning bood aan divers luizenpluimage. Onder het krabben zal hij vast niet gezegd hebben: ”biodiversitas non olet” (of iets dergelijks, ik heb geen klassieke opvoeding genoten). De kijk op waardevrije biodiversiteit is juist weer een moderne verworvenheid.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Vreemde natuur

Zomaar een moerasbosje. Wilgen, bramen en riet domineren het beeld. Plots valt mijn oog op het bont verkleurde blad van een lage struik. De vorm van de bladeren doen mij denken aan ribes. Nadere inspectie van de takken tonen de onrijpe besjes van aalbes, een familielid van de rode ribes.

De aalbes is een inheemse plantensoort maar hoort van nature thuis in beek- en rivierdalen, natte leemgronden en in de binnenduinen. Vochtig is het hier wel, maar daar is de vergelijking wel mee klaar. De kans is dus groot dat de aalbessen hier niet van nature zijn gekomen en ooit door iemand hier zijn geplant. De locatie is immers al enkele decennia in gebruik voor vogelonderzoek.

Ook de bonte verkleuring van het blad is ook niet zoals we aalbes normaal gesproken kennen. Als ik de bladeren omdraai zijn oranje viltige bultjes met een centraal kuiltje te zien. Deze “dwerg-donuts” behoren toe aan een bladschimmel: de ribes-zeggeroest. Een schimmel die in de fruitsector wordt gevreesd. De verkleuringen zorgen immers voor minder efficiënte bladeren en dus ook voor minder vrucht. Enkele topbladeren vertonen ook nog eens dieprode blaasvormige vergroeiingen. Dit zijn de gallen van de bloedblaarluis. En als klap op de vuurpijl, met een loep zie ik ook nog aalbesrondknopmijten onderop de bladeren. Deze aanvallen op de bladeren, je zou haast denken dat het een ongewenste aanval op de biodiversiteit is. Toch kijk ik anders naar deze belaging. Een plant in goede conditie en op een goede standplaats kan een dergelijke aanval wel weerstaan. Zware besmetting is een teken dat de plant niet in optimale grond wortelt. En een plant op een onnatuurlijke plek is wellicht eerder nog een aanval op de biodiversiteit.

Langzamerhand ontstaat het beeld dat plantenziekten in de natuur niet als probleem moeten worden gezien, eerder als een zegen. De term plantenziekten is dan ook onterecht vanuit de bos- en landbouw overgewaaid naar de natuur. In de natuur wordt geen oordeel geveld over “goed” en “kwaad”. En ook ziekten bestaan niet, het is niets anders dan gelijktijdig voorkomen van diverse soorten in een onderlinge relatie. De zegen van plantenziekten is gelegen in het feit dat zij een signaal afgeven dat het ecologisch systeem niet op orde is. Zo is nu de essentaksterfte in het nieuws. Een bosbouwer (die primair bezig is met houtproductie) ziet een bedreiging, een ecoloog daarentegen zie een ecologische relatie. Een ecologische relatie die de kans krijgt manifest te worden door grote oppervlakten monoculturen van essen. Die monoculturen lijken in eerste instantie efficiënt voor de houtproductie, maar naast de grotere vatbaarheid voor ziekten is ook de houtopbrengst minder optimaal. Uit onderzoek blijkt namelijk dat de houtproductie in gemengd loofbos veel hoger ligt dan in monoculturen.

En onze aalbessen? De beestjes en bladschimmels doen zich te goed aan de bladeren en de kans is groot dat nog andere soorten opduiken die dan samen de aalbes er wel onder gaan krijgen. Tenzij de plant toch ergens de kracht vandaan kan halen om weerstand te bieden.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Plaag of niet?

9411144Een beetje zomereik heeft wel 400 verschillende soorten insecten die zich tegoed doen aan blad en bast. Een ware ark van Noach zoals ik wel eerder heb betoogd. Hoe moeten we tegen al die bladvretertjes, galvormers en schimmels aankijken? Zijn dat echte “plaagsoorten”, of is een genuanceerd verhaal op zijn plaats?

In de regel zal een plant, als de groeiomstandigheden in orde zijn, niet snel een plaag over zich heen krijgen. Is de grondwaterstand OK, zijn de benodigde voedingsstoffen aanwezig, is het klimaat prettig, dan is een plant veel minder vatbaar voor plagen. De makke is dat we vaak planten in slechte omstandigheden zien, die ook nog eens gebukt gaan onder een overdaad aan plaagsoorten. De fout is dan snel gemaakt dat de plaagsoort verantwoordelijk is voor de deplorabele staat. De crux zit hem – zoals zo vaak in de ecologie – in evenwicht. De plant kan de plaagsoorten ook gebruiken voor zijn eigen gewin. Het is dus zaak om voldoende hulp te krijgen, zonder er last van te hebben. Vandaar dat het ook beter is om te spreken van gastsoorten.

De ramshoorngalwesp is een klein wespje dat zijn eitjes legt in bladknoppen van de zomereik. De galwesp vliegt van eik naar eik om zijn eitjes af te zetten. Met dat gevlieg brengt hij ook stuifmeel van eik naar eik. Dat is een veel betrouwbaarder manier van bestuiving dan door de wind. Al die 400 verschillende gastsoorten hebben een eigen agenda. De één heeft larven in het voorjaar, de ander in de zomer en de ander weer in het najaar. Een insectenetende vogel (bijvoorbeeld een koolmees) kan bij wijze van spreken het hele jaar in een eik verblijven en het buikje vol eten. Die koolmees zorgt er dus voor dat de boel met al die vretende larfjes niet uit de klauwen loopt.

Verder wordt een evenwicht makkelijker verkregen als niet al te veel planten van één soort bij elkaar staan. Een veld vol koolplanten is vragen om plaagvorming, dat alleen met gif (oeps, sorry, gewasbeschermingsmiddelen) kan worden voorkómen. In een perceel met alleen maar essen, weet essentaksterfte zich makkelijker te verspreiden. In een natuurlijk bos is er een evenwichtige boomsamenstelling, waardoor één gastsoort niet de overhand kan krijgen.

Vaak wordt biodiversiteit rond planten aangegeven met het aantal nectardrinkers (voornamelijk dagvlinders), bloembestuivers (bijen en hommels) en dieren die daar dekking in vinden (zoogdieren en vogels). Maar heel veel van deze soorten maakt het weinig uit of de nectar uit een Europese of een Australische bloem komt. En ook niet of een nest gebouwd wordt tussen de doorns van een Amerikaanse struik of een Nederlandse. Daarom is die manier van biodiversiteit schetsen een wat gemakzuchtige en beperkte manier van kijken. Biodiversiteit laat zich het best beschrijven met wederzijdse relaties.

Ton Eggenhuizen


5 reacties

Plantjes en beestjes

CAM05109-1Plantjes en beestjes, ik kan er geen genoeg van krijgen. Maar voor de natuur is de wezenlijke vraag: wat is genoeg. Moet je streven naar zo veel mogelijk planten en dieren op één locatie of is dat te simpel? Als het gaat om zoveel mogelijk plant- en diersoorten op één plek, dan zou Artis een feest van biodiversiteit zijn. En inderdaad, dat is te simpel. Het gaat bij biodiversiteit vooral om de context en de onderlinge relaties.

De context zijn de van nature aanwezige randvoorwaarden als bodem en klimaat. Die ijsbeer en zebra in Artis zijn allebei in Nederland uit hun context. De natuurlijke randvoorwaarden dicteren welke planten en dieren ergens kunnen leven. In arctische gebieden zijn dat doorgaans weinig soorten, in tropische gebieden juist heel veel. Maar dat wil niet zeggen dat een arctische toendra een lagere biodiversiteit heeft dan een tropisch regenwoud. Binnen de arctische toendra kan je wel gebieden hebben met lage en hoge biodiversiteit. Een hoge diversiteit als het ecosysteem compleet is en een lage als het systeem mankeert. Met andere woorden, het heeft geen zin om de toendra te vergelijken met het regenwoud.

De onderlinge relaties tussen plant- en diersoorten zijn een belangrijke graadmeter voor de gezondheid van het ecosysteem en dus ook voor de biodiversiteit. Die relaties zijn in Artis ver te zoeken, zet die zebra in de ijsbeerkooi en je krijgt een vrij korte maar heftige relatie tussen de twee soorten. De onderlinge relaties zijn in de eerste plaats “eten en gegeten worden”. Deze relaties zorgen ervoor dat de soorten elkaar aantalsgewijs min of meer in evenwicht houden.

Stel een ecosysteem voor als een schoenendoos. In de doos hangt een knikker aan een touwtje. De knikker staat model voor een soort, het touwtje model voor de relatie die die soort heeft met zijn omgeving. De beweging van de knikker is de ontwikkeling die de populatie van de soort kan maken. De bewegingsruimte van de knikker is bijna onbeperkt (in populatietermen: van plaagontwikkeling tot uitsterven). Als we een tweede soort introduceren en naast een touwtje met de kant van de doos (de omgeving) ook een touwtje tussen beide knikkers spannen, wordt de beweging van beide soorten al beperkt. Beide soorten houden elkaar al ietwat in evenwicht. Een derde soort met een relatie met de omgeving én een relatie met de overige soorten beperkt de wegeging nog meer. En met tien soorten is de bewegingsvrijheid nagenoeg nihil.

Die schoenendoos met één knikker is vergelijkbaar met landbouw. En de inspanning om die ene soort in stand te houden zijn dan ook enorm. Het andere uiterste is ongetwijfeld een tropisch regenwoud. De veelheid aan complexe relaties zorgen ervoor dat het een heel stabiel biotoop is (totdat wij de zaag erin zetten). We zien vervolgens ook dat in een ecosysteem met van nature weinig soorten de populatieontwikkelingen enorm kunnen zijn. De arctische toendra is een mooi voorbeeld met de lemmingpieken als spreekwoordelijke icoon. Maar op de langere termijn (vier jaar) is ook zo een systeem stabiel.

En hoe zit dat in de stad? Niet voor niets zien we plaagvorming vaak in de stad. Ratten, stadsduiven, wespen, kakkerlakken, stuk voor stuk stedelijke problematiek. Door te streven naar een hoge biodiversiteit is de kans op plaagvorming flink in te dammen. Een slechtvalk ik de stad werkt prima tegen duivenoverlast.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Natuur in de stad – VVV

vosjesIn 2050 – zo wordt voorspeld – woont 70% van de wereldbevolking in steden. Momenteel is dat ongeveer de helft. Dit betekent dat er voor steeds meer mensen een veilige, schone en gezonde stedelijke omgeving nodig is. Dit is een grote opgave, want ook klimaatverandering en bodemdaling zullen onmiskenbaar hun effect op leefbaarheid en gezondheid hebben. Moeten we ons – met al die grote ontwikkelingen – wel zorgen maken om plantjes en beestjes in de stad? Het zal wellicht niet verbazen dat ik als ecoloog daar anders over denk. Niet alleen omdat ik een grote stedelijke biodiversiteit leuk vind, maar ook omdat veel oplossingen juist in de stadsnatuur te vinden zijn.

Als ik gevraagd wordt om kort en bondig de voorwaarden voor stadsnatuur te schetsen, zeg ik simpelweg: VVV. De eerste V staat voor Verbinding, de tweede ook, en de derde – u raadt het al – óók. De meest voor de hand liggende verbinding is die van het verbinden van natuurgebieden onderling. Om lokale populaties sterk en vitaal te houden en verplaatsingen mogelijk te maken worden tussen natuurgebieden verbindingszones aangelegd. In stedelijke gebieden hoeven dat echt geen kilometers brede, met hekken omzoomde natuurgebieden zijn. In tegendeel, maar daarover later meer bij de derde V. In Almere wordt een fraai voorbeeld gerealiseerd tussen het Kromslootpark in het zuidwesten en de Lepelaarplassen in het noorden. Fraai, omdat die nu al gebruikt wordt door bever en otter.

Ook moet verbinding gezocht worden in de aan te leggen groen enerzijds en de van nature aanwezige randvoorwaarden anderzijds. Het groen is vele malen robuuster en goedkoper in onderhoud als gekozen wordt om de randvoorwaarden te respecteren en het groen daarbij te passen. Dus geen “grondverbetering”, geen uitheemse beplanting en accepteren van beplanting die bij de bodem past. Door “passend groen” te gebruiken, ontstaat in korte tijd een evenwichtig ecosysteem waardoor de kans op plaagvorming erg klein wordt. Bestrijding van riet op onze rijke kleibodem is vechten tegen de bierkaai.

En niet in de laatste plaats moet er verbinding gelegd worden tussen de natuur in de stad en de inwoners. Dus inderdaad geen groot hek met “verboden toegang – natuurgebied” maar bordjes met “u bent welkom”. Draagvlak voor stadsnatuur is van groot belang en het vergroot ook begrip van hoe die natuur in elkaar steekt.

Wat levert die verbonden natuur dan op voor de bewoners? Er is een overdaad aan bewijs dat natuur in de nabijheid de gezondheid bevordert en waardevermeerdering van vastgoed oplevert. Als gestreefd wordt naar zo volledig mogelijke ecosystemen, is de kans op plaagvorming gering. Stadsduiven beperk je immers het eenvoudigst met een paartje slechtvalk in de stad. Maar ook op het gebied van klimaatverandering zal groen ons veel opleveren. Zo kan waterberging droogte en wateroverlast het hoofd bieden en zal groen verkoeling geven door schaduw en verdamping in de steeds warmer wordende stad. Voor een gezonde klimaatbestendige stad is de VVV onontbeerlijk.

Ton Eggenhuizen


1 reactie

Almeerse kamelen en beren

20150723074632Het is 21 juli, de zonsondergang is drie minuten voor tien. Plaats van handeling: ecologische verbindingszone de Vaart. Doel, het toevoegen van bijzondere diersoorten aan de Almeerse biodiversiteitslijst. We gaan namelijk op zoek naar kamelen en beren! We hebben daarvoor twee vallen opgesteld: witte lakens die beschenen worden door een helder en fel licht. Het klinkt paradoxaal, maar het fel verlichte witte laken werkt als een magneet op nachtactieve insecten. De kameel en de beer die we zoeken zijn geen zoogdieren maar nachtvlinders.20150723074641

Van de 10.000 Europese nachtvlindersoorten komen er 2.400 in Nederland voor. Daarvan behoren er ruwweg 1500 tot de kleine soorten (“micro’s”) en 900 tot de “macro’s”. Deze grote soortenrijkdom is ideaal om een beeld te krijgen van de biodiversiteit in een gebied. Veel soorten zijn namelijk monofaag; de rupsen leven maar op één bepaalde plantensoort. Door de vlinders te inventariseren, inventariseer je ook de plantenwereld.

Binnen enkele seconden zitten er al enkele vliegen en muggen in het licht, maar de vlinders laten wat langer op zich wachten. Volgens de nachtvlinderverwachting (www.vlindernet.nl/nachtvlinderverwachting.php) kunnen we 200 verschillende soorten “macro’s” treffen! Hoeveel micro’s er op het laken kunnen komen, is helemaal een verrassing. De plek is goed, de tijd van het jaar is goed en het weer is uitstekend.20150723074747

Als het echt donker is, beginnen de nachtvlinders te vliegen. En de plek blijkt inderdaad top! Met dat er steeds meer vlinders komen, verbazen we ons ook keer op keer over de namen. Soms verwijzen deze naar de rupsen, want ook nachtvlinders beginnen hun leven als rups. En daar zitten rare gasten tussen! Zo is er een rups met twee bulten (kameeltje) en ook zeer harige rupsen (beren, bont schaapje). Dus ook de vlinder van deze soorten wordt aangeduid met deze rupsennaam. Er is zelfs een vlinder die rups wordt genoemd: de wilgenhoutrups. Andere vlinders worden vernoemd naar de tekening op de vleugels, of naar het gedrag. Maar er blijven vlindernamen die moeilijk te verklaren zijn. Wat te denken van de rietvink? Ok, hij zit vaak in rietlanden, maar waarom vink? Ook huismoeder en lieveling zijn niet echt voor de hand liggende namen.

Het wordt steeds drukker bij het laken en het wordt echt spectaculair als de grote jongens arriveren. Diverse rietvinken vliegen als kamikazepiloten rond, een enkele vliervlinder weet het licht te vinden en uiteindelijk – daar is hij dan! – ook het groot avondrood. Een prachtige rood-roze pijlstaartvlinder. Met zoveel soorten is het lastig stoppen. We weten dat met ieder kwartiertje extra vangen, het aantal soorten zal toenemen. We weten ook dat morgenvroeg weer de wekker gaat. De stekker gaat er – met tegenzin – om 01:00 uit. Voordat alles is ingepakt en we thuis in bed kunnen kruipen, zijn we ook weer een uur verder.

Het is 22 juli, tijd om de balans op te maken. Nachtvlindersoorten: 52 waarvan 38 macro’s. En inderdaad, kameeltje, kleine beer, plat beertje en glad beertje komen in de verbindingszone voor.

Ton Eggenhuizen