Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


Een reactie plaatsen

Grote zilverreiger wordt stads

grote-zillieEen grote spierwitte reiger loopt langs een vaart in Almere-Buiten, midden in de stad! Het begint zowaar een vertrouwd beeld te worden: een stadse grote zilverreiger. Het is echter nog niet eens zo heel erg lang geleden dat deze vogel een zeldzaamheid in Nederland was.

Tot in de jaren negentig werd bij ons de grote zilverreiger maar zelden gezien. In 1978 broedde het eerste paartje in Nederland, maar pas rond de eeuwwisseling kreeg deze fraaie reiger vaste grond onder de voeten. Het gaat goed met de grote zilverreiger, inmiddels broeden rond de 150 paar in de Oostvaardersplassen. De grote zilverreiger is van oorsprong een echte moerasbewoner. Ze broeden in extreem natte rietvegetaties waar ze nesten bouwen op omgeknakte rietstengels. Op deze wijze zijn ze veilig voor predators als vos en bunzing. Ook het voedsel wordt van nature in het moeras gevonden: kleine vis, insecten, muizen en kikkers.

De meest bekende reiger in Nederland is de blauwe reiger. Deze grijsblauwe vogels komen in de stad algemeen voor (in Almere is een kleine kolonie aanwezig op de Leeghwaterplas). Als een oude gebochelde man staan ze langs de vaartkant, niet zelden vlak bij een hengelaar. De reigers hebben geleerd dat het makkelijk vissen is naast de hengel. Niet zelden werpt de ene visser de ander een klein visje toe, geduld is voor beiden een schone zaak. Wat voor ons vertrouwd is, is voor anderen buitengewoon bijzonder. Als je een kwart eeuw geleden een buitenlandse vogelaar op bezoek had, keek die zijn ogen uit. Elders in Europa was de blauwe reiger een uitgesproken schuwe rietlandvogel! Inmiddels is de urbane blauwe reiger in veel Europese steden ingeburgerd.

Het lijkt er dus voorzichtig op dat ook de grote zilverreiger de stad als voedselgebied weet te vinden. Ik heb nog geen verhalen gehoord van grote zilvers die naast een hengelaar gaan staan, maar het lijkt mij slechts een kwestie van tijd. Ook in het Flevolandse akkerland kom je ze inmiddels tegen. Niet langs de kant van een sloot maar statig lopend door gemaaid grasland op zoek naar veldmuizen.

Tot voor kort was er alleen die ene grote kolonie in de Oostvaardersplassen. Nieuwe kolonies konden natuurlijk niet uitblijven. Vogelaars van de Vogelwacht Flevoland ontdekten dit jaar een nieuwe beginnende kolonie in de Lepelaarplassen. Daarmee kan de stand nog verder groeien en zullen er ook in de westelijke wijken van Almere steeds vaker zilverreigers worden gezien.

Mijn zilverreiger heeft inmiddels wat visjes weten te verschalken. De vogel wast zijn snavel, poetst de schouderveren en vliegt geruisloop op. Met een dikke krop met visjes vliegt hij statig weg, de jongen in het nest wachten hongerig op een maaltje voor-verteerde voorntjes.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Broeds

bLAR-LANDSCAPEDe volkswijsheid zegt: in mei leggen alle vogels een ei. En zoals met veel volkswijsheden klopt er weinig van. Bij werkzaamheden in het groen wordt vaak een periode aangehouden van 15 maart tot en met juni. Maar ook die datum klopt niet en kan je vóór 15 maart best wel vogelnesten vinden.

Je kan vogels ruwweg indelen in soorten die per jaar maar één broedsel produceren, en soorten die – afhankelijk van het weer en vooral het voedselaanbod – meerdere legsels grootbrengen. Zo zijn duiven (stadsduif, houtduif, turkse tortel) in staat om in vrijwel iedere maand nesten te beginnen. Trekvogels daarentegen kunnen natuurlijk alleen maar broeden in de periode dat zij in hun zomerse broedgebied aanwezig zijn. Alhoewel, daar is ook een uitzondering op. De kwartel, die in Nederland met zo een 2-5000 paar broedt, kan ook in de winter in Afrika een legsel grootbrengen.

De timing van het broeden is sterk gerelateerd aan het voedselaanbod. Een koolmees die zijn jongen met wintervlinderrupsen voert, heeft het meest succes als de grootste voedselbehoefte van die jongen samenvalt met de piek in rupsen in mei. Vogels die gespecialiseerd zijn op een voedselbron die nog vroeger in het jaar maximaal is, moet dan ook vroeg een nest maken.

Zo een vroege broedvogel is de kruisbek. De kruisbek is een vinkachtige met een bijzondere snavelbouw. De snavelpunten sluiten niet netjes op elkaar aan en daardoor groeien de snavelpunten langs elkaar heen. Deze kruissnavel stelt de vogel in staat om dennen- en sparrenappels open te peuteren. Kruisbekken zijn dus ware dennenzaadspecialisten. Het meeste zaad vinden ze echter in het vroege voorjaar. Loop eens in een dennenbos met een lentezonnetje en je hoort de dennenkegels openbarsten. Het dennenzaad is rijp en makkelijk bereikbaar, tijd voor de kruisbek om de jongen te voeren. Maar ja, dan moet je dus wel al in februari een nest hebben gebouwd én eieren hebben gelegd.

Ook blauwe reigers zijn er vroeg bij. Het is niet ondenkbaar om een broedende blauwe reiger midden in een sneeuwstorm te zien. Zolang de broedende vogel de eieren maar warm houdt tegen haar buik is er niets aan de hand. Het is nu al een drukte van belang in de kleine kolonie op de Leeghwaterplas. Sinds enkele jaren broeden hier zo’n vijf paar en het zou mij niets verbazen als er al eieren in de nesten liggen. Zeker in deze zachte lente.

De volkswijsheid zegt ook: …behalve de koekoek en de spriet, die leggen in de meimaand niet. Ook dat is onzin, zowel de koekoek als de spriet (kwartelkoning) leggen in mei (en juni) hun eieren.

Ton Eggenhuizen