Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


Een reactie plaatsen

Exotennood

Mensen hebben van oudsher planten en dieren over de hele wereld versleept. Soms ging dat onbewust, bijvoorbeeld doordat mensen per ongeluk plantenzaden in lading of aan de kleding meenamen. Soms zijn het heel bewuste introducties zoals de fazant of het konijn omdat het ‘fijn te bejagen soorten’ zijn. In de regel weten die nieuwelingen – door biologen aangeduid met de term exoten – niet vaak vaste grond onder de voeten te krijgen. Als ze al een zichzelf bedruipende populatie weten te stichten, leidt dit zeer zelden tot zo grote populaties dat ze een bedreiging vormen voor de van nature aanwezige plant- en diersoorten.

Is de angst voor exoten dan onzin? Nee zeker niet. Op eilanden zijn rampen gebeurd met exoten. Daar is het ecosysteem meestal veel minder soortenrijk dan op het continent. Een exoot kan in die situaties juist een groot en desastreus effect hebben. De vogelbevolking op zeevogeleilanden bijvoorbeeld heeft zwaar te lijden onder vegetatiedegradatie door geiten en het aanvreten van eieren en jongen door ratten. En meestal zijn het heel bijzondere vogelsoorten die zich door vele jaren van isolatie hebben geëvolueerd tot aparte soorten. In de regel zien we op die eilanden dus weinig soorten, maar wel heel gespecialiseerde soorten. De sleutel zit hem inderdaad in die relatief soortenarme situatie waarin een exoot ruimte vindt om uit te groeien tot een plaag, een plaag die een effect heeft op de andere plant- en diersoorten. Het is juist in verarmde ecosystemen op het continent waar exoten ook de ruimte vinden om tot plaag uit te groeien.

In steden vinden we vaak zulke verarmde ecosystemen. En daar weten soorten als halsbandparkiet, reuzenberenklauw en Amerikaanse rivierkreeft hun weg wel te vinden. De populaties van die exoten zijn daar inmiddels zo groot dat actieve directe bestrijding geen zin meer heeft. Daarom is het beter om de exoot te zien als een signaalsoort van mankerende systemen. Door die systemen verder op te krikken, te vervolmaken, bestrijden we ook op een indirecte en veel duurzamere manier de exoten. Vaak worden de doemscenario’s van de oceaaneilanden met groot gemak geprojecteerd op onze eigen leefomgeving. Maar welbeschouwd hebben de halsbandparkiet en de nijlgans nergens ook maar een beetje het effect gehad op boomklever en waterhoen zoals we zien op de eilanden waar ratten en katten de stand van de albatrossen decimeerden.

En toch hebben stadsecologen het vaak bij de aanplant van stedelijk groen over de wens van “streekeigen” soorten. Een Kaukasische vleugelnoot en ecologische armoe. Een zomer eik is daarentegen een Ark van Noach. Dus een exoot als de vleugelnoot is ongewenst, de allochtone zomereik juist zeer gewild. Soms wordt deze hang naar streekeigen soorten als een xenofoob trekje gezien. Daarom heb ik het liever ook over relatierijke en relatiearme soorten. Een zomereik heeft in onze streken de kans om met honderden insectensoorten een relatie aan te gaan, terwijl op een witte esdoorn hooguit vijftien soorten te vinden zijn (waarvan de witte esdoornmijt ook een exoot is die meegenomen is met plantgoed uit Amerika). Door voor relatierijke soorten te kiezen, kies je voor biodiversiteit, voor volwaardige ecosystemen, voor duurzame en toekomstbestendige natuur.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Plaag of niet?

9411144Een beetje zomereik heeft wel 400 verschillende soorten insecten die zich tegoed doen aan blad en bast. Een ware ark van Noach zoals ik wel eerder heb betoogd. Hoe moeten we tegen al die bladvretertjes, galvormers en schimmels aankijken? Zijn dat echte “plaagsoorten”, of is een genuanceerd verhaal op zijn plaats?

In de regel zal een plant, als de groeiomstandigheden in orde zijn, niet snel een plaag over zich heen krijgen. Is de grondwaterstand OK, zijn de benodigde voedingsstoffen aanwezig, is het klimaat prettig, dan is een plant veel minder vatbaar voor plagen. De makke is dat we vaak planten in slechte omstandigheden zien, die ook nog eens gebukt gaan onder een overdaad aan plaagsoorten. De fout is dan snel gemaakt dat de plaagsoort verantwoordelijk is voor de deplorabele staat. De crux zit hem – zoals zo vaak in de ecologie – in evenwicht. De plant kan de plaagsoorten ook gebruiken voor zijn eigen gewin. Het is dus zaak om voldoende hulp te krijgen, zonder er last van te hebben. Vandaar dat het ook beter is om te spreken van gastsoorten.

De ramshoorngalwesp is een klein wespje dat zijn eitjes legt in bladknoppen van de zomereik. De galwesp vliegt van eik naar eik om zijn eitjes af te zetten. Met dat gevlieg brengt hij ook stuifmeel van eik naar eik. Dat is een veel betrouwbaarder manier van bestuiving dan door de wind. Al die 400 verschillende gastsoorten hebben een eigen agenda. De één heeft larven in het voorjaar, de ander in de zomer en de ander weer in het najaar. Een insectenetende vogel (bijvoorbeeld een koolmees) kan bij wijze van spreken het hele jaar in een eik verblijven en het buikje vol eten. Die koolmees zorgt er dus voor dat de boel met al die vretende larfjes niet uit de klauwen loopt.

Verder wordt een evenwicht makkelijker verkregen als niet al te veel planten van één soort bij elkaar staan. Een veld vol koolplanten is vragen om plaagvorming, dat alleen met gif (oeps, sorry, gewasbeschermingsmiddelen) kan worden voorkómen. In een perceel met alleen maar essen, weet essentaksterfte zich makkelijker te verspreiden. In een natuurlijk bos is er een evenwichtige boomsamenstelling, waardoor één gastsoort niet de overhand kan krijgen.

Vaak wordt biodiversiteit rond planten aangegeven met het aantal nectardrinkers (voornamelijk dagvlinders), bloembestuivers (bijen en hommels) en dieren die daar dekking in vinden (zoogdieren en vogels). Maar heel veel van deze soorten maakt het weinig uit of de nectar uit een Europese of een Australische bloem komt. En ook niet of een nest gebouwd wordt tussen de doorns van een Amerikaanse struik of een Nederlandse. Daarom is die manier van biodiversiteit schetsen een wat gemakzuchtige en beperkte manier van kijken. Biodiversiteit laat zich het best beschrijven met wederzijdse relaties.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Extra 100.000 hectare bos aanplanten. Goed plan?

bomenklimStaatsbosbeheer heeft, samen met 18 andere partijen het plan gelanceerd om 100.000 hectare bos extra aan te planten in Nederland. Het primaire doel is om CO2 vast te leggen en daarmee een bijdrage te leveren aan de terugdringing van de klimaatveranderingen. Met 500 bomen per hectare, zijn dat vijftig miljoen bomen waar een buizerd zijn nest in kan bouwen. En vijftig miljoen bomen waar een koolmees insecten kan zoeken. Mooi toch?

Ik heb het plan even doorgenomen. Vervolgens heb ik het plan op de term “ecologie” onderzocht. Tot mijn verbazing geen enkele “hit”. OK, levert de term “natuur” dan meer op? Het aantal van 27 hits stemt hoopvoller, maar de helft ervan verwijst naar de organisatie Natuur & Milieu (één van de partners) of bestaande natuurterreinen. Het plan ademt dus geen warm betoog voor maximaal inzetten op natuurwaarden in dit nieuwe bos. Jammer, omdat bos heel rijk aan natuurwaarden kan zijn, én bovendien ook nog productief zo wijst onderzoek van het NIOO aan.

Wat ademt het plan wel? Gezien de partners is het geen verrassing dat het plan doordesemd is met houtproductie. De vraag is gerechtvaardigd of deze aanplant (hoe groot 100.000 hectare dan ook moge klinken) inclusief die houtoogst wel een bijdrage levert aan de CO2-reductie. Het klimaatprobleem wordt immers voor een belangrijk deel veroorzaakt doordat we de bomen opgestookt hebben die de afgelopen 300 miljoen jaren hebben gegroeid, zijn doodgegaan en in steenkool zijn omgezet. Als we die 100.000 hectare aan bomen ook de komende 300 miljoen jaar in de grond zouden laten zitten, zou dat (na 300 miljoen jaar…) een substantiële bijdrage leveren.

Ooit vertelde een slimme man mij dat boswachters best wel bos kunnen aanleggen, maar dat je het hun vervolgens moet verbieden om (minimaal) de komende 100 jaar met bijl of zaag in dat bos te komen. Dan pas krijg je bos zoals de natuur het bedoeld heeft. En dat het dan een bos is met een grote gelaagdheid, afgewisseld met parkachtige open ruimten hoeft verder geen betoog. Gelukkig heeft het bosbeheer zich de laatste jaren geëvolueerd naar een meer ecologische benadering. Toch zijn er nog grote delen van het Nederlands bosareaal dat met zaag en bijl in de ecologisch arme eenvormige en eensoortige stakenfase wordt gehouden. Dit levert immers het makkelijk oogstbare hout met rechte stammen op.

Waar zou die 100.000 hectare bos moeten komen? Ook dat is een zorgenpunt. Iedere vierkante meter in Nederland heeft immers al biodiversiteit. Het bos komt dus in de plaats van iets anders. En dat levert lang niet altijd ecologische of biodiversiteitswinst op. En dat zou wel uitgangspunt moeten zijn. Verlies van biodiversiteit – naast de klimaatcrisis, energiecrisis en de economische crisis – is immers ook een wereldwijd probleem dat het predicaat topprioriteit verdient.

Ik ben op zich niet tegen bos, op zich ook niet tegen bos met als hoofddoelstelling houtproductie en/of recreatie. Maar in dit plan voor 100.000 hectare lees ik te weinig over natuurwaarden om er enthousiast over te zijn. Daarnaast is zichtbaar respect voor bestaande waarden en bestaande landschappen ook geen overbodige luxe.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Wespenplaag!

20150901015939Het is een mooie nazomermiddag. Even verderop op de ligweide wordt een meisje door een wesp gestoken. Haar geschrokken vriendin zegt dat het er dit jaar ook erg veel zijn, “Op de televisie zeiden ze ook al dat er een wespenplaag is”. Als iemand zegt dat er dit jaar veel meer wespen zijn, vraag ik me direct af hoe zo een constatering tot stand komt. Gedegen monitoringonderzoek? Klopt het dat er dit jaar, in vergelijking met voorgaande jaren, werkelijk meer wespen zijn? Of zijn er ook andere factoren die bijdragen aan de wespen-constatering?

In de eerste plaats wordt zo een constatering zelden ondersteund door een goed inventariserend onderzoek. Meestal wordt afgegaan op de herinnering: “zo veel heb ik er de laatste jaren nog nooit gezien”. Dat is natuurlijk geen onomstotelijk bewijs. Wie durft met droge ogen te beweren dat hij nog een gedegen beeld heeft van het aantal wespen dat hij of zij een jaar geleden heeft gezien? Bovendien, die constatering kan door allerlei factoren worden beïnvloed. Om maar een paar te noemen: een wespensteek zal bijdragen aan het idee dat het er veel zijn. Maar ook als het net op een vrije dag lekker warm weer is, is de kans groter dat je wespen ziet. De omstandigheden dragen flink bij aan de kans om wespen te zien. En natuurlijk helpen de media ook. Een item op de TV van een wespenzwerm die een banketbakker in de Lutte teistert gaat makkelijk “viral”. Zo kan één wespennest dat toevallig net naast een bakker in Twente zit via de media iedereen op het idee brengen dat er sprake is van een nationale wespenplaag.

Verder helpt het ook dat wespen altijd wel behoorlijk algemeen zijn. Bovendien hebben we collectief angst voor deze insecten. Dus, je ziet een paar wespen, je vertelt over het TV-item met de Luttense banketbakker, en je toehoorders zullen bij de eerstvolgende wesp het verhaal van de landelijke plaag doorvertellen.

Ik ken maar weinig goed inventariserend wespenonderzoek. Alleen roofvogelonderzoekers als Rob Bijlsma hebben betrouwbare cijfers. Omdat zij de wespendief willen begrijpen, een roofvogel die voor zijn voedsel voor een belangrijk deel afhankelijk is van wespennesten, is ook begrip van de voedselsituatie nodig. Dus zoeken zijn volgens een gestandaardiseerde wijze gebieden af en karteren de wespennesten. Niet zelden worden zij verrast door de media-aandacht voor wespenplagen. Uit hun gegevens blijkt dan helemaal niet dat er dat jaar veel nesten zijn.

Bovendien zijn dat twee verschillende grootheden. Een aantal wespennesten in een bepaald gebied heeft geen één-op-één relatie met de ervaren overlast. Goed terras-weer heeft vermoedelijk een sterkere relatie. Ik ben er nog niet achter waarom we het verhaal van een wespenplaag kennelijk nodig hebben. Willen we onze eigen angst aanwakkeren? Snakken we naar horrorverhalen? Voer voor psychologen. Gelukkig heb ik meer verstand van ecologie…

Ton Eggenhuizen


1 reactie

Groen is gras, groen is gras

20150806075251Voor menigeen zal gras gras zijn, maar voor een ecoloog is het ene gras echt het andere niet. In Nederland komen ongeveer 150 verschillende grassen voor. Daar zitten wat heel zeldzame bij maar ook flink wat zeer algemene. Zo zal een bemest boerengrasland meestal bestaan uit engels raaigras, veldbeemdgras, rood zwenkgras en vossenstaart, allemaal extreem algemene soorten.

De meest verspreide grassensoort in Nederland is wellicht het straatgras. Deze soort is uitstekend in staat om tegen iedere verdrukking in te groeien en te bloeien. Niet alleen tussen de trottoirtegels maar ook in plantsoenen en veel belopen plekken in graslanden komt deze kosmopoliet voor. Het is ook een rappe soort. Binnen enkele weken kan een zaadje uitgroeien tot plant dat zelf weer zaad levert. Met een bloeitijd van januari tot december is succes ook wel verzekerd. Een kleine krachtpatser dus!

Hoewel de soort op zich – getuige de naam – goed tegen betreding kan, denken golfers daar anders over. Greenkeepers vinden zelfs dat de soort juist slecht betreding kan verdragen. De wortels van het gras reiken doorgaans niet diep in de bodem. Met een “driver” of een “woodie” wip je dan zo een halve zode uit de green! Maar als de soort zijn worteltjes tussen de stoeptegels heeft staan , dan is het veel lastiger om hem weg te krijgen.

Grassen worden op basis van de bloemen meestal ingedeeld in aargrassen en pluimgrassen. De verschillen tussen de soorten zijn dus het best te zien als ze bloeien. Maar in veel graslanden en gazons laten we het niet zo ver komen. Hooikoortslijders zijn er niet rouwig om als de planten niet in dat bloeistadium komen. Het grassenstuifmeel is uiterst licht en kan daardoor makkelijk in de luchtweg komen. Voor hooikoorts is gras gewoon gras.

Ton Eggenhuizen


2 reacties

Natura gubernatio magistra, natuur is de leermeester voor de overheid

tv-omzienLife is what happens to you while you’re busy making other plans, zei John Lennon. Die uitspraak borrelde bij mij boven toen ik een presentatie over onderzoek in de Oostvaardersplassen bijwoonde. Uit alle onderzoeken blijkt, dat de natuur steeds nieuwe oplossingen verzint. Terwijl ecologen en beheerders zich op het achterhoofd krabben hoe ze bepaalde doelen moeten bereiken, wacht de natuur niet. En als de ecologen dan eindelijk hun plannen door de trage overleg- en besluitmolens hebben kunnen loodsen, is moeder natuur vrolijk doorgehobbeld. Ecology is what happens while we are busy making other plans. En dat leidt niet zelden tot mooi resultaat.

Stel, tweederde van de West-Europese broedpopulatie van de Lepelaar (totaal 600 paar) broedt in één moerassig gebied. En stel, door droogte valt de kolonie ten prooi aan vossen. Vanuit de wens om deze kwetsbare soort te beschermen, zou je eigenlijk water in het gebied willen pompen. Dit dilemma speelde in de jaren 90 in de Oostvaardersplassen. Maar in de Oostvaardersplassen is afgesproken níet in te grijpen. De volwassen vogels werden gedwongen uit te wijken naar andere gebieden, ze koloniseerden vervolgens diverse waddeneilanden en de populatie verveelvoudigde daardoor.

Een ander voorbeeld: door de grote grazers wordt vrijwel al het grasland in de Oostvaardersplassen begraasd. Hierdoor verdwijnen veel zangvogels en het voedsel van kiekendieven. De doelen van het gebied dwingen tot ingrijpen, maar vervolgens duikt het voor de grazers onaantrekkelijke jacobskruiskruid op waarna de grazers deelgebieden mijden. Een toename van zangvogels en muizen als gevolg.

Het is voor ecologen ook niet makkelijk. Moerasgebieden horen chaotisch (of op zijn minst dynamisch) te zijn. Vervolgens wordt – om deze gebieden te beschermen – een lijst met ínstandhoudingsdoelen’, ‘resultaatverplichtingen’ en ‘streefbeelden’ gemaakt, en worden de gebieden meegesleept in een wereld vol wetgeving, beheerplannen, procedures en meerjarenprogramma’s. En het kan veel simpeler, stel hoogstens als doel dat er een bepaalde (forse) mate van dynamiek in een gebied heerst. Bepaal hoe groot een gebied minimaal moet zijn, zorg ervoor dat gebieden onderling verbonden zijn en laat de natuur vervolgens zelf bepalen welke soorten zich daar happy bij voelen.

Ecologen hebben die les ook moeten leren. Het is nog niet zo lang geleden dat bij natuurbeheer de nadruk vrijwel uitsluitend op de laatste twee lettergrepen lag. En vooral de regelgeving (de Natuurbeschermingswet met de voornoemde ‘instandhoudingsdoelen’) dwong ze daar ook toe. Als de natuur robuust genoeg is, bestaat beheer in het ideale geval vooral uit goed kijken en volgen hoe de natuur vraagstukken oplost. De beheerder hoeft alleen de basisvoorwaarden (dynamiek, grootte en connectiviteit) te scheppen.

Deze les lijkt nu ook in stedelijke ontwikkeling opgeld te doen. In de planologie is “loslaten” het credo. “Ja maar, dan krijg je wildwest en de recht van de sterkste. Dat wordt een rotzooi”, hoor ik u zeggen. Eerlijk gezegd, dat was ook mijn eerste gedachte. Maar een terugtredende overheid doet haar werk goed als ze zich richt op het beschermen van de zwakkere functies, het stellen van randvoorwaarden, en daarmee het bieden van kansen.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Selectieve verontwaardiging?

wasbeerIn de slootkant ligt het nest van de tafeleend goed verscholen. Toch kan het gevonden worden door een egel, die verzot is op eieren. Een ecoloog haalt de schouders op: de nestroof is immers onderdeel van het natuurlijke ecosysteem. Maar dat een wasbeer (zie nachtelijke foto gemaakt met cameraval) die eieren oppeuzelt is voor een ecoloog heel andere koek. Selectieve verontwaardiging?

De wasbeer is een exoot, hij komt van nature niet in Europa voor en is hier door de mens naartoe gebracht. Gefokt voor de pels en vervolgens ontsnapt, weet het dier hier vaste grond onder de pootjes te krijgen. Zijn ecologen tegen wasberen om de simpele reden dat hij hier niet thuis hoort? Nee, natuurlijk niet. We zijn bevreesd voor de impact die zo een nieuwkomer kan hebben in het ecosysteem. Veel exoten kennen in het nieuwe gebied geen predators en er zijn weinig andere natuurlijke mechanismen die de stand van de exoot beperken.

Een bekend patroon van nieuwkomers in een ecosysteem is dat de stand lange tijd op een zacht pitje voortsuddert, om dan vervolgens exponentieel te groeien en later weer op een hoog peil stabiliseren. Een dergelijk patroon in een grafiek gezet, heet een s-curve. Een aantal soorten haalt de exponentiële fase niet en sterft weer uit. De vrees zit hem vooral in de exponentiële fase en het effect dat de explosief groeiende populatie op zijn omgeving heeft.

Je mag aannemen dat in een gebied waar egel en tafeleend samen al lang voorkomen, de tafeleend geleerd heeft te dealen met de aanwezigheid van de egel. Maar een wasbeer heeft een andere voedselstrategie. Hij zoekt vooral langs waterkanten en is een uitstekende zwemmer. Voordat de tafeleend geleerd heeft hoe hij daar mee om moet gaan, kunnen vele legsels verloren gaan en kan de stand van de eend daaronder lijden.

Een s-curve en een zwaar stempel op het ecosysteem is lang niet altijd zeker. Er zijn legio voorbeelden van nieuwe soorten die weer uitsterven, en diverse voorbeelden van soorten die in vreedzame co-existentie met de reeds aanwezige planten en dieren leven. Het punt is echter dat je de toekomst niet van te voren kan weten en dat ingrijpen in een exponentieel groeiende populatie feitelijk al een mission impossible is.

Daarom zou de eerste verdedigingslijn moeten zijn dat voorkómen wordt dat exoten verspreid worden. Maar ja, handelsbelangen willen nog wel eens in de weg staan. Een huisdier kan toch ontsnappen. Of een zonderling meent dieren te moeten uitzetten. Verstekelingen kunnen met handelswaar mee lifte. Dan is het zaak de populatie in de kiem te smoren. Eenmaal in de exponentiële fase is er weinig meer mogelijk dat te beheersen. Na bestrijden, beheersen en beheren komt dan uiteindelijk berusting.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Ecologisch spinnen bestrijden

kop-eksterDe praktijk van alledag: klachten over te veel spinnen in oktober en eksters in april. Als stadsecoloog moet je daar dan antwoord op geven.

Almere is een groene stad en dat wordt juist ook zo hoog gewaardeerd. Het is dan verwonderlijk dat we klachten krijgen over dieren en planten die natuurlijk en onlosmakelijk verbonden zijn met die groene stad. En de hierboven genoemde klachten staan niet op zich. Ook mieren, meeuwen, ganzen, hommels en zelfs zwaluwen komen in de klachten langs. Kennelijk is de natuur wel leuk, maar je moet er geen last van hebben. De groene medaille heeft kennelijk maar één kant.

Ik moest met een glimlach aan de recente klachten over spinnen en de wat oudere over eksters denken toen ik een jagende ekster zag. De vogel liep over de dakrand van het Almeerse Flevoziekenhuis en na iedere 5-10 passen boog hij voorover en hing vrijwel ondersteboven aan de daklijst. De vogel was op spinnenjacht. Na een half uurtje was de spinnenpopulatie een flink stuk kleiner en de ekstermaag gevuld. Een mooi voorbeeld van ecologische spinnenbestrijding!

Kanteldenkend zou je je kunnen afvragen of het chemisch bestrijden van spinnen zou kunnen leiden tot een lagere eksterstand en dus meer ongestoorde merelnesten in het voorjaar. Want dat is immers de achterliggende gedachte bij de voorjaarsklachten over een te veel aan eksters. Zo werkt dat echter niet. Eksters zijn opportunistische jagers. Als er geen spinnen zijn, zullen ze eenvoudig op andere voedselbronnen overstappen. Eksters pakken namelijk vooral datgene waar veel van te vinden is. Zo zullen eksters ook niet snel verantwoordelijk kunnen zijn voor een extreme afname van een prooidiersoort.

Bedenk namelijk dat het voedselgedrag op te delen is in ‘opbrengst’ en ‘kosten’. De opbrengst is dan de voedingswaarde, de kosten zijn de tijd en moeite die gestoken moet worden in het vinden en bemachtigen van het voedsel. Als een prooidiersoort schaars wordt, dan kost het voor een roofdier zo veel extra moeite om de volgende prooi van die soort te vinden, dat hij zal overschakelen op een makkelijkere prooi. Dat hoeft geen bewuste keuze te zijn, als een ekster op zoek gaat naar de laatste merelnestjes, is de kans groot dat hij ondertussen diverse andere prooien is tegengekomen en daarmee al de maag heeft gevuld.

Wel is het denkbaar dat – als een prooidierpopulatie plaagachtige proporties aanneemt – dat de eksters massaal op die prooidieren gaan azen. Want dan zijn de kosten laag en de opbrengst groot. Het effect daarvan is dat de enorme populatiegroei weer wat teniet wordt gedaan en tot aanvaardbare proporties wordt teruggebracht. Ze romen als het ware de te hoge toppen van de populatiegroei af. Kortom: het nastreven van ecologische relaties is in vele gevallen het antwoord op de klachten; en een wat grotere tolerantie ten opzichte van de planten en dieren om ons heen.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Zoveel soorten

vulcano-humbirdHet is 35 graden en drukkend warm, lopend over een bospad in Panama verbaas ik mij over de enorme hoeveelheid plant- en diersoorten. Dit is zo anders dan onze Flevolandse bossen. Ruim dertig graden kouder en twee weken eerder liep ik in het Pampushout. Een perceel populier, een perceel es, wat zingende zanglijsters: geen grote diversiteit. Waarom deze verschillen?

Kijkend naar de Panamese bomen, valt op dat er vrijwel nooit twee dezelfde soorten naast elkaar staan. Sterker nog, uit de literatuur weet ik dat zelfs binnen een hectare het aantal bomen van dezelfde soort vaak niet meer dan een handvol is. Weinig bomen van dezelfde soort in een bos betekent niets anders dan enorme boomsoortenrijkdom in dat bos. De reden is gelegen in de voortdurende strijd tussen planten en dieren die van die planten eten. Iedere boomsoort heeft weer
een leger van diersoorten die van de boom afhankelijk zijn. Meerdere bomen van dezelfde soort vlak bij elkaar kan er echter voor zorgen dat deze diersoorten in zulke grote populaties voor komen, dat ze een plaag voor de bomen worden. Eén enkele boom levert een beperkte populatie – en geen bedreiging – van die plaaginsecten op. Ze houden elkaar in evenwicht.

Panama is ‘s werelds grootste ecologische verbindingszone: het verbindt Zuid-Amerika met Noord- Amerika. Gevoegd aan het feit dat in de tropen altijd al meer plant- en diersoorten gevonden worden dan in de gematigde klimaatzone, dan kan gerust gesteld worden dat hier een ware orgie van biodiversiteit te zien is. Een vergelijking tussen het Panamese bos en het Pampushout is dus ook niet eerlijk, maar we kunnen er wel veel van leren. Je vergelijkt immers zaken, juíst omdat ze van elkaar verschillen!

De biodiversiteit is enorm: want er zijn ook weer soorten die afhankelijk zijn van bepaalde combinaties van boomsoorten. Fruiteters moeten immers het jaarrond over boomvruchten beschikken en daar niet te veel voor hoeven te verplaatsen, in februari de ene boomsoort, in maart weer en volgende. Kolibries – zoals de vulkaankolibrie op de foto – moeten jaarrond bloemen weten te vinden, anders moeten ze wegtrekken met alle gevaren van dien.

Lopend over dat bospad in Panama bedenk ik mij dat het niet vreemd is dat we in Almeerse bossen regelmatig geplaagd worden door ziekten en plagen. Essentaksterfte, eikenprocessierups en kastanjebloedziekte zijn slechts enkele voorbeelden van ziekten die ontstaan en in de hand worden gewerkt door de eenvormige bossen. We vragen er feitelijk zelf om. Natuurlijk heeft de eenvormigheid ook redenen: kosten en eenvoudiger houtkap bijvoorbeeld. Maar dan moet je niet gek opkijken van de plagen en dan zou het achteraf juist wel eens tot hogere kosten kunnen leiden.


Een reactie plaatsen

Natura artis magistra

aalsch pestendEcologen hebben de naam conservatief te zijn. Het is zoals het is, en zo moet het ook – zonder menselijk ingrijpen – altijd blijven. Alleen echte wildernis zonder onze bemoeienis kan bekoren. In een artikel in de Volkskrant van 27 januari hekelt de Amerikaanse Emma Maris deze behoudende vorm van ecologie.

Natuurlijk is dit een karikatuur en voor Nederland klopt het zeker niet. Nergens hebben we nog ongerepte wildernis en toch vinden we de aanwezige natuur waardevol. Stadsecologie is daar het ultieme voorbeeld van. Het stadslandschap is door ons gemaakt, en veel van de plant- en diersoorten zou “van nature” hier niet voorkomen. In Almere wonen rotsbewoners die in de oorspronkelijke klei geen schijn van kans zouden hebben. En ook die klei is door ons aan het daglicht gebracht. Zo af en toe hoor ik dat het onzin is om de Flevolandse natuur te beschermen “want tachtig jaar geleden hadden we hier nog de Zuiderzee”. Mijn weerwoord is dan dat we vóór Rembrandt ook geen Nachtwacht hadden, maar dat is ook geen vrijbrief om er maar het stanleymes in te zetten. Kennelijk vinden we de Nachtwacht van waarde, net zo goed als we onze natuur van waarde vinden.

Toch zit er een spagaat in het denken. We proberen namelijk wel de natuur zo origineel mogelijk (wat dat ook moge zijn) te houden. Het sleutelwoord is biodiversiteit. Bij een goede biodiversiteit mikken we niet op een zo hoog mogelijke soortenrijkdom maar op die soortenrijkdom die natuurlijkerwijs past bij de omstandigheden van een plek. Anders zou je Artis ook kunnen kwalificeren als een parel van biodiversiteit.

Maar ook deze denklijn over biodiversiteit biedt geen ultiem kader. Nergens wringt de schoen zo duidelijk als in Flevoland. Die omstandigheden ontwikkelen zich namelijk ook, en bovendien razendsnel. Denk maar aan klimaat, rijping van de bodem en de ingebruikname van het land zoals de polder bedoeld is. Het is dan best wel raar dat wetgeving verplicht tot behoud van die natuur die aanwezig was op een (ecologisch) willekeurig moment (rond 2000). Deze wettelijk opgelegde doelstellingen zijn logisch in stabiele situaties zoals op een hoogveen of een alpenweide. Maar voor Flevoland? De wet dwingt ons tot natuurbeheer dat toch iets minder natuurlijk is dan we wel zouden willen. En ongerepte wildernis pas niet in dat straatje.

Is de Oostvaardersplassen dan geen ongerepte wildernis? Als je midden in het gebied staat en het mist een beetje, dan waan je je wel op een natuurlijke steppe. Maar als de mist is opgetrokken doemen steden en aangelegde bossen op aan de horizon. En het belangrijkste is wellicht wel de Oostvaardersdijk die voorkomt dat het gebied als een natuurlijk kleimoeras kan functioneren. En dan mag de Oostvaardersplassen met 56 km2 wel groot lijken, maar Yellowstone Park is 160 maal groter en Kruger zelfs 357 maal! Vergeleken bij deze reuzen, is de Oostvaardersplassen niets meer dan een bloempot.

Planten in een bloempot moet je water geven, bemesten, bijknippen, onkruid verwijderen; kortom beheren. Je stelt jezelf een doel (“een volle pot met bloeiende begonia’s”) en je past je beheer aan op die doelen. Dat beheer is ook in de Oostvaardersplassen noodzakelijk. Momenteel wordt gewerkt aan een beheerplan voor het gebied waarbij gedacht wordt aan grootscheepse waterbeheeringrepen zoals het nabootsen van natuurlijke peildynamiek. Dat is natuurlijk kunstmatig, maar het is wel dé manier om natuurlijke omstandigheden na te bootsen. Voor Nederlandse ecologen is daar niets vreemds aan!