Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


Een reactie plaatsen

Almeerse Cetti’s zanger

cetti's“Zet-tie, zet-tie, zet-tietetietetie” klinkt het luid en scherp uit het wilgenstruweel. Direct roep ik: Cetti’s zanger. Altijd leuk om zo een zeldzame zangvogel te horen! Je zou haast denken dat de Cetti’s zanger zijn naam te danken heeft aan zijn zang (Zet-tie, Cetti, net als koekoek en tjiftjaf). De naam is echter geen onomatopee maar verwijst naar de achttiende-eeuwse jezuïet en natuuronderzoeker Francesco Cetti.

In de vogelboekjes zal je de Cetti’s zanger vinden bij de rietzanger-achtigen, maar daar is het wel een vreemde eend in de bijt. Onze rietzangers zijn allemaal langeafstand-trekkers, herkenbaar aan de lange puntige vleugels. De Cetti is echter geen globetrotter, iets wat al duidelijk wordt als je de korte ronde vleugeltjes ziet. Wel deelt het voor een belangrijk deel het leefgebied (riet en rietruigte) en voedsel (de daarin levende insecten en andere ongewervelden) met een aantal rietzanger-soorten.

Insecten en winter zijn twee begrippen die moeilijk samen gaan (behalve in de winter die we nu beleven, natuurlijk). Vandaar dat de Cetti alleen overleeft in gebieden met milde winters. Pas eind jaren zestig werd de eerste Cetti’s zanger in Nederland waargenomen. Vrij snel namen de aantallen toe om vervolgens rond 1980 weer in te storten. Sinds de eeuwwisseling is Cetti echt met een opmerkelijke opmars bezig. Met name in de Zuidhollandse en Zeeuwse Delta gaat het goed met inmiddels meer dan 700 paar. Buiten die zuidwesthoek is de vogel veel zeldzamer. In Flevoland zijn de laatste jaren twee tot drie territoria vastgesteld.

Gelukkig blaast Almere haar partijtje daarin mee. In 2010 ontdekte collega Renze een vogel in de verbindingszone bij Almere-de Vaart die vervolgens maanden aanwezig is gebleven. Ook in de jaren daarna werd de luide roep gehoord en we weten ook zeker dat hier dezelfde vogel verantwoordelijk voor was. In oktober 2010 werd de vogel namelijk gevangen en van een ringetje voorzien. Sindsdien vangen we hem ieder jaar wel een keertje terug. Ook dit jaar was de vogel van de partij. Maar het was niet de enige vogel die we in 2015 konden registreren.

Naast dit mannetje wisten we drie verschillende volwassen vrouwtjes te ringen. Uit de conditie van het eerste vrouwtje werd duidelijk dat zij een nestje met eieren verzorgde. Mogelijk dat ook het tweede vrouwtje in de buurt heeft gebroed. Later in het jaar werden nog eens een aantal net vliegvlugge jongen geringd. Hiermee werd voor het eerst in Flevoland een (succesvol) broedgeval bewezen. Daarnaast waren ook langdurig vogels bij de Knardijk (Lelystad) en de Kamperhoek (Dronten) aanwezig. Het lijkt er dus op dat hij ook in Flevoland een blijvertje wordt. Zeker als de winters zo blijven. En dat is meteen ook de keerzijde van de aanwezigheid van deze vrolijke fluiter, het toont aan dat het klimaat echt wel verandert.

Ton Eggenhuizen

Advertenties


Een reactie plaatsen

Wat een galbak!

20150818064603Inheemse bomen zijn niet alleen goudmijnen het zijn ook galbakken! En de zomereik is galbak bij uitstek! De statige eik in het muzenpark kan daardoor op mijn warme belangstelling rekenen.

Gallen zijn abnormale groeisels die door een gastheerplant worden gevormd als reactie op een galmaker. Er zijn tal van galmakers: galwespen, galmuggen, luizen, vlinders en kevers zijn slechts enkele “daders”. Galmakers zijn doorgaans kieskeurige types. De meeste soorten komen op slechts één enkele plantensoort voor. En daarbinnen hebben ze ook nog een uitgesproken voorkeur voor een specifieke plek. De ene soort galt in de bladknoppen, de andere juist op bloemen. Weer andere soorten zitten op de bovenkant of onderkant van het blad, en ook daarbinnen zijn weer vele verschillen. Een gal op een bladnerf is meestal van een andere soort dan de gal midden op het blad of op de bladrand.

Verreweg de bekendste gal is de (eiken)galappel. Een groene knikker aan de onderkant van het blad. Soms zijn er meerdere gallen op één blad te vinden. De gal ontstaat doordat het wespje Cynips quercusfolii eitjes legt op de onderzijde van het blad. Bij de eileg wordt het bladoppervlak ietwat beschadigd. Daarbij worden stofjes afgezet die vergelijkbaar zijn met de groeihormonen van de eik. De gal is zowel de eetkamer als slaapkamer van de wespenlarve.

Hoe langer ik zoek, hoe meer geheimen de eik prijs geeft. De boom heeft flink wat eikels gevormd, maar lang niet alle eikels zien er natuurlijk uit. Ook misvormde eikels hangen in deze boom. Hier is Andricus quercuscalicis of de knoppergalwesp aan het werk geweest. Deze kleine wesp legt haar eitjes in de rand tussen eikel en eikendopje. Verder tref ik de eikenbuitenlobgalmug, ananasgalwesp, satijnen knoopjesgalwesp en gordelgalwesp aan. En jawel, ook de ramshoorngalwesp (Andricus aries). Aan het eind van de takken steken opzichtige lange hoornvormige uitsteeksels uit.8067895

Die laatste staat te boek als zeldzame soort maar is die status snel aan het verliezen. We kunnen – gezien de zeer herkenbare gal gerust stellen dat de allereerste waarneming in Nederland (2003!) redelijk het moment weerspiegelt waarop de soort hier ook vaste grond onder de voeten kreeg. Sinds die eerste waarneming zijn vondsten bekent uit een brede zone van de duinen, de randstad tot in Twente. De eerste Flevolandse waarneming werd in 2008 gedaan (Almere Haven) en dit jaar is de soort al op vier andere plekken in Almere aangetroffen. Mogelijk is de soort in Flevoland al vele malen algemener dan de vijf Almeerse waarnemingen doen vermoeden. Er zijn immers niet veel mensen die wat langer bij een eik stilstaan. Doe dat ook eens en als je de ramshoorngal ziet,laat het mij weten.

Ton Eggenhuizen


3 reacties

Tuintegel of tuinegel?

2013-09-12_14.51.58Inmiddels is de meteorologische herfst ruim een maand op stoom en de teller van doodgereden egels in Flevoland staat al op 25 (flevoland.waarneming.nl)! En dit is maar een topje van de ijsberg, omdat lang niet iedere dode egel op deze website wordt gemeld. Waar komt deze plotselinge sterftepiek vandaan?

Egels maken zich nu op voor de naderende winter. De moederdieren laten het hol aan de kinderen en gaan op zoek naar nieuwe woonruimte. En alle egels zijn nu iedere nacht druk in de weer om een speklaag aan te leggen voor de winterslaap. Voeg dat bij de immer voortschrijdende ver-tegeling van de achtertuinen waar voor egels steeds minder te halen is. Dat alles maakt dat de dieren flink aan de wandel zijn. Een egel legt in deze tijd iedere avond al snel meer dan een kilometer af. Als de geschikte voedselgebieden door wegen van elkaar gescheiden zijn, is een egel al snel de pineut.

Het ideale leefgebied van een egel bestaat uit een complex van groene tuinen, parkjes en plantsoenen. Rommelhoekjes, composthopen en lage begroeiing zorgen niet alleen voor dekking, maar ook voor een rijke maaltijd; vooral slakken, wormen en insecten. Egels eten tot wel 40 slakken per nacht en zijn dus prima in staat om deze plaagdieren tot aanvaardbare populaties terug te dringen. Het is echter niet alleen de voortschrijdende “vertegeling”, ook de “verhekking” van onze tuinen zorgt ervoor dat het leefgebied versnippert en verkleint.

Een betegelde tuin met wat verspreid staande plantenbakken is ideaal voor slakken, een ramp voor egels. Veel mensen grijpen dan naar korrels (met de weinig verhullende benaming “slakkendood”). Mocht een egel toch zijn toevlucht zoeken in dergelijke tuinen, dan neemt hij met de weinige nog aanwezige slakken ook het slakkengif op. Er zijn vele kleine aanpassingen mogelijk om de tuin egelvriendelijk te maken. Zorg ervoor dat een egel de tuin in en uit kan lopen door eventuele hekken te voorzien van een egelpoortje.

Rommelhoekjes en composthopen zijn al geschikt om in te overwinteren, maar een egelkast is helemaal ideaal. Ruim niet al het bladafval op. Hier zit niet alleen veel egelvoedsel tussen, maar het doet ook dienst als “beddegoed” in de egelkast. Een waterschaal wordt niet alleen door egels gebruikt, tal van andere diersoorten weten dat te waarderen. Vertel de buren over jouw egel in de hoop dat ook zij hun tuin veregelen in plaats van vertegelen.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Er zitten twee motten…..

CAM00145Ondanks de doorgaans nachtelijke leefwijze staan motten vaak in een kwaad daglicht. Het onberekenbaar gefladder in het donker helpt deze groep insecten ook niet aan een positieve PR. Dagvlinders hebben het wat dat betreft veel makkelijker.

Het is jammer dat nachtvlinders zo verguist worden, want er zitten soorten tussen die qua uiterlijk de dagvlinders makkelijk naar de kroon kunnen steken. Bekijk bijvoorbeeld de kleine groenbandspanner. Prachtig mooi zacht groen met bruine bandjes. Het is een algemene soort, ook in Almere. Hij komt voor op graslanden, in wegbermen en in open bossen. De rupsen leven op walstro. De vlinder kent per jaar twee generaties, met pieken in mei en in augustus.

De kleine groenbandspanner is een lid van de familie der spanners waarvan ongeveer 300 soorten in Nederland voorkomen. De spanners maken vervolgens weer onderdeel uit van de nachtvlinders met in totaal 2400 Nederlandse soorten. In Almere kunnen met gemak enkele honderden soorten worden gevonden. Je zou denken dat de nachtelijke leefwijze het lastig maakt deze vlinders goed te kunnen zien, maar twee schijnbare paradoxen zorgen ervoor dat dat wel meevalt.

Een aantal soorten is juist overdag actief, de zogenaamde “dag-actieve nachtvlinders”. Andere soorten komen op kunstmatige lichtbronnen af. Je zou dat juist niet van nachtdieren verwachten en voor nachtvlinders is het zelfs gevaarlijk. Een kaarsvlam is direct dodelijk, en ook buitenlampen vormen een groot gevaar. Vleermuizen hebben geleerd dat het daar makkelijk foerageren is. De aantrekkingskracht van lampen valt pas te begrijpen als je bedenkt dat in de natuur deze lichtbronnen afwezig zijn. Ze houden de lamp kennelijk voor wat anders!

In de natuur zijn de maan en de sterren het enige licht in de duisternis. Door de grote afstand zijn de hemellichamen prima bakens om op te navigeren. Maar als het baken ineens op enkele centimeters afstand komt te liggen, raken de vlinders in de war en blijven rond de lamp fladderen. Nachtvlinderonderzoekers gebruiken dit vervolgens weer door af en toe met een sterke lamp de vlinders te lokken. Op die wijze wordt duidelijk welke soorten er in een gebied leven.

Het is overigens niet altijd pais en vree met de motten. Er zijn soorten die flinke schade kunnen toebrengen. Naast de kleermot, zijn er ook tal van soorten waarvan de rupsen aardig kunnen huishouden in onze bossen. Daarbij wordt het de diertjes wel erg makkelijk gemaakt door percelen aan te planten met slechts één boomsoort. Juist dan kan plaagvorming de kop opsteken. Ook hier geldt weer dat het nastreven van een gezonde biodiversiteit de enige duurzame remedie tegen plaagvorming, schade en overlast is.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Beter één zwaluw in de hand?

boertjeTerwijl de ene zwaluw nog de jongen voert, is de ander er al klaar mee. Topvogels weten wel drie legsels groot te brengen maar de “mindere goden” hebben het na één al-dan-niet gelukt broedsel wel bekeken en denken al aan de herfstvlucht naar Zuidelijk Afrika.

Voordat ze deze lange vlucht maken, moeten ze eerst bijkomen van de inspanningen van het broedseizoen. Samen met de jongen van de eerste legsels, zoeken ze de grote moerasgebieden op om daar op de veelvuldig aanwezige muggen te jagen. Een ander groot voordeel van deze gebieden is dat je er betrekkelijk veilig samen kan slapen. In de Oostvaardersplassen en langs de randmeren worden slaapplaatsen geformeerd van enkele tienduizenden vogels. Rond zonsondergang klonteren de kleine groepjes samen tot een grote wolk en vormen een onwaarschijnlijk schouwspel. Een wild heen en weer vliegen, gelijk een muggenzwerm en de lucht vullend met hun gekwetter: een beeld dat voor mij onlosmakelijk verbonden is met de nazomer.

Nu lijken tienduizend vogels wel erg veel, maar dat is nog niets vergeleken bij de slaapplaatsen die in Afrika worden gezien. Daar lopen slaapplaatsen in de tientallen miljoenen vogels! Waar onze zwaluwen precies overwinteren is nog maar ten dele bekend. Er worden wel al tientallen jaren vogels met een trekvogelringetje uitgerust maar doordat de kans op een terugmelding uit Afrika niet zo groot is, moeten we nog vele raadselen ontrafelen. Door het gebruik van kleine chips zijn we wel recent veel meer zaken aan de weet gekomen. Desalniettemin zullen we nog steeds vogels moeten blijven ringen.

Ook rond Almere wordt zwaluwonderzoek gedaan. De Vogel- en Natuurwacht Zuid-Flevoland bezoekt jaarlijks enkele boerenbedrijven waar deze zwaluwen broeden. Dit is vooral onderzoek naar het aantal geproduceerde jongen en de overleving van de volwassen vogels. Daarnaast worden vogels op een slaapplaats geringd. Een dergelijke slaapplaats ontstaat vrijwel iedere nazomer in de verbindingszone de Vaart. De Vogelwacht vangt hier al regulier vogels voor ringonderzoek. Eens per week gaan ze er ook in de avonduren op uit om een flink aantal boerenzwaluwen van een ring te voorzien.

Het is mogelijk om een bezoek te brengen aan de ringplaats door op deze blog te reageren. Omdat het weer allesbepalend is bij het plannen van een vangsessie, is het helaas alleen mogelijk om op korte termijn duidelijkheid te geven of een vangsessie werkelijk door gaat.

Ton Eggenhuizen


3 reacties

Slang in het riet

ringslangZaterdagochtend, een behaaglijk ochtendzonnetje begeleidt mij bij mijn onderzoek aan rietzangvogels. Ik bevind mij in de verbindingszone tussen de Oostvaardersplassen en de Lepelaarplassen. Terwijl ik op een vlonder in het riet stap, zie ik een meter voor mij soepel een kleine slang wegglijden, een ringslang!

In Almere is de ringslang het enige voorkomende reptiel. Bovendien zijn er maar erg weinig waarnemingen. Volgens waarneming.nl is de soort maar in tien kilometerhokken in Almere vastgesteld. In heel Flevoland zijn twee kernen van verspreiding te onderkennen, rond de Knardijk (oostelijk van Oostvaardersplassen) en het Kuinderbos (Noordoostpolder). Vanuit deze kerngebieden zwerven dieren uit, maar met het toenemen van de afstand wordt de dichtheid aan waarnemingen snel kleiner.

Zoals gezegd, in Almere is het een schaars dier. Uit Haven stammen enkele oude waarnemingen (2007, 2009). Verder een waarneming in 2006 langs de Lage Vaart (Regenboogbuurt) en wat meldingen aan de westkant van de Oostvaardersplassen. De waarneming van afgelopen weekend is daarvan de meest recente. De vraag is nu of dit allemaal zwervende dieren zijn, of dat er werkelijk sprake is van een plaatselijke zich voortplantende populatie.

Veel heeft een ringslang niet nodig. Een schone leefomgeving, moerasachtige terreinen met veel kikkers, plekken waar ze zich in de zon kunnen opwarmen en plekken om de eieren te leggen. Vooral basaltbeschoeiingen vinden ze lekker. Daar kunnen de koudbloedige dieren zich snel opwarmen om daarna actief op jacht te gaan. De eieren worden niet zelf uitgebroed, dat gebeurt door rotting van plantmateriaal. Om deze voortplanting een duw in de rug te geven worden ook wel broeihopen gemaakt: een hoop van bladeren en takken die laag op laag worden opgestapeld. De eieren worden tussen de takken gelegd, de rottende lagen bladmateriaal zorgen voor de benodigde temperatuur.

Cruciaal voor het voortbestaan van de ringslang is ook dat populaties onderling met elkaar in contact worden gebracht. Zo wordt inteelt en lokaal uitsterven voorkomen. De kernpopulatie van de Oostvaardersplassen zou veel baat hebben bij contact met de nog veel grotere populatie in het Gooi en de Vechtstreek. Kerngebieden kunnen heel simpel met elkaar in verbinding worden gebracht met structuurrijke en weelderig begroeide watergangen, met tussendoor iets grotere gebieden die als stapstenen dienen. In 2006 heeft de Gemeente Almere een ecologisch masterplan vastgesteld dat precies daarvoor geschikt is. Door in te zetten op moerasnatuur in de stad, door kerngebieden te benoemen en ontbrekende schakels aan te leggen is Almere klaar voor de ringslang. Wellicht moeten we bij het Wilgenbos maar wat van die broeihopen opbouwen. Met vele handen is het maar een dagje werk. Wie wil helpen?

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Populier populair?

bomenklimPopulieren horen bij Flevoland, zoals Frank de Boer bij Ajax. Deze snelgroeiende boom is in de beginjaren veel aangeplant en heeft het beeld van de Flevolandse natuur sterk bepaald. Door de snelle groei ontstond ook snel een bos. Bos om te wandelen, bos voor houtproductie, maar vooral ook bos om de stad vorm te geven.

De snelle groei maakt de soort ook kwetsbaar voor stormen. Een stevige storm kan een flink deel van de bomen ontwortelen of zelfs doen afknappen. Nu veel populieren aan het eind van hun cyclus zijn, worden flinke oppervlakten gekapt en weer ingeplant met “duurzame” houtsoorten. Let wel, de cyclus is niet de volledige levenscyclus, maar de cyclus zoals daar vanuit de houtoogst tegenaan gekeken wordt. De bomen worden gekapt op het moment dat deze voor de houtopbrengst nog het meest opbrengt.

En ook het begrip “duurzame” houtsoorten is maar betrekkelijk (ik plaats duurzaam niet voor niets tussen aanhalingstekens). Wat bedoeld wordt is dat er soorten worden terug geplant die langzamer groeien, harder hout opleveren en meer geld in het laatje brengen. Duurzaam is in dit verband niet veel meer dan het gebruik van een modieus woordje. Populieren zijn niet meer populair. Het wordt gezien als tijdelijke oplossing, saai bos, “wijkhout” dat kan wijken voor “echte” bomen. En dat is om meerdere redenen dood- en doodzonde.

Wie in het voorjaar rond zonsopgang in het Almeerderhout loopt, loopt als het ware tegen een “wall of sound” aan van zingende zanglijsters en merels. Soorten die het prima naar hun zin hebben in populierenbos. Ze eten onder andere de slakken die zich op hun beurt tegoed doen aan de algen op de boombast en de verse blaadjes.

Een volwassen populierenbos kent een heel fraaie verticale gelaagdheid. Onder de hoogopstekende boomkruinen (soms tot wel 40 meter!) vinden we in het optimale geval een laag met jongere bomen zoals eik en es. Daaronder vindt je de struiklaag (meidoorn, vlier) en daaronder de kruidlaag. Deze laatste wordt op de rijke Flevolandse klei gedomineerd door brandnetel en kleefkruid. Langs de bosranden vindt je fluitenkruid en look-zonder-look, allemaal kruiden die veel door vlinders worden gebruikt. Iedere laag kent zijn eigen levensgemeenschap.

Als zo een volwassen populierenbos wordt gekapt, worden er in bijna alle gevallen die langzaam groeiende houtsoorten voor terug geplaatst. En daar is niet alleen de populier mee verdwenen, ook vrijwel alle lagen van het populierenbos. Een perceel essen of eiken bevindt zich de eerste twintig jaar in een ecologisch zeer magere “stakenfase”. De bomen doen een wedstrijdje “naar de zon groeien” waardoor de boomkruinlaag zeer gesloten is. Zonlicht dringt nauwelijks meer door op de bosbodem, waardoor kruiden en struiken geen kans krijgen. Bij langzaam groeiende soorten duurt deze magere stakenfase veel langer dan bij snelgroeiers.

De populierenbossen in Oostelijk Flevoland tonen aan dat we best nog wel twintig jaar door kunnen met onze populieren. Zolang het bos maar redelijk intact blijft, heeft wind veel minder vat. En dan nog, wat is er mis met een omgevallen boom? Ook die vervult weer allerlei rollen in het bos ecosysteem. En zelfs zeearenden (en boommarters…) vinden die oude bomen prachtig. Zo een gigantische arendnest in een populier, dat lijkt me voor het Almeerderhout ook wel een aanwinst.

Ton Eggenhuizen