Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


Een reactie plaatsen

Het speldenkussen van de roodborst

De dader is een wesp van amper drie millimeter lang: de rozenmosgalwesp. Net als andere insecten die plantengallen veroorzaken, legt de rozenmosgalwesp haar eitjes in het weefsel van een plant. Vaak is dat het blad, bladknop, bloemknop of stengel. Het eitje en de daaruit groeiende larf scheidt stoffen uit die de plant aanzet tot het laten woekeren van weefsel. Sommige soorten leveren een kogelronde galappel, andere soorten leveren een gal met stekels of knobbels. De rozenmosgalwesp laat de stengel een hele kluwen aan dwergstengeltjes groeien.

De hele gal is dus plantenweefsel dat ontstaat door de infectie met heel specifieke stoffen die de larve afgeeft. Als de wesp zich zou vergissen en haar eitje in de stengel van een zomereik zou boren, zal er waarschijnlijk niets gebeuren. Er ontstaat geen gal en daarmee geen smakelijk hapje voor de larf. Als de larven groeien, groeit ook de gal eerst licht groen en uiteindelijk vormen ze in september een fel roze-rode dot met haar van vijf tot tien centimeter in doorsnee. Snij je zo een dot doormidden dan zie de centrale galruimte met een aantal kamertjes en in iedere kamer zit een geelwitte larf. Als je de dot daarentegen níet doormidden snijdt kunnen de larven de gehele winter in een goed geïsoleerde gal verpoppen en het voorjaar afwachten. Als de temperaturen weer klimmen kruipt de wesp uit de gal. Eenmaal bevruchte vrouwtjes kunnen opnieuw een roos infecteren en begint de hele riedel weer van voren af aan.

De gallen kleuren rood als ook de roodborsten weer uit het hoge noorden komen en overal in onze tuinen opduiken. De associatie tussen het rood van de gal en het arriveren van de roodborst heeft in Engeland vermoedelijk geleid tot de Engelse naam: Robin’s pincushion, het speldenkussen van de roodborst.

Ton Eggenhuizen

Advertenties


Een reactie plaatsen

Takgal

Hoe vaak ben ik er de laatste weken ‘s ochtends niet langsgelopen? Goed, ik was er voor een ander doel, het ringen van vogels, maar toch. Gisteren waren we weer met een aantal mensen vogels ringen, dit keer in de avonduren voor het ringen van boerenzwaluwen. Voor een deel met ander “personeel” dan doorgaans. Onder andere was zoon Victor aanwezig, van het eerste moment af lid van het ‘Biotrio Almere’. Het was zijn oog dat viel op een vreemde peul. De peul zat aan een prikkelende bramentak. Aangezien bramen geen peulvruchten zijn, moest het wel een gal wezen.

Voor het achterhalen van de galveroorzaker is het handig om de waardplant te weten. De blauwgrijze bramentak met de vele verspreid staande korte doorntjes kon eigenlijk maar één soort zijn, de dauwbraam. Van daaruit zijn er meerdere wegen te volgen. Er is een gallenboek, maar die hadden we natuurlijk niet bij ons. Wel een mobiel, dus de digitale weg stond wagenwijd open. Een uitgebreide website voor plantparasieten is www.bladmineerders.nl. Maar als je snel iets wil vinden, dan is www.waarneming.nl een betere weg. Per plantensoort geven ze alle in hun database ingevoerde gallen weer. En zo kon rap de naam worden achterhaald. Het bleek de gal van de bramentakgalwesp.

Dat is best een lange naam voor een heel klein wespje van een paar milimeter. Dit wespje legt haar eitjes in een nog vitaal groeiend deel van de bramentak. Dauwbraam is daarbij een geliefde soort. De infectie met de eitjes zorgt ervoor dat de plant woekerend lidtekenweefsel aanmaakt, de peulvormige vergroeiing. De peul biedt ruimte aan zo een 200 larven, elk in een eigen kamertje, die zich tegoed doen aan het weefsel van de vergroeiing. In het voorjaar vreten die larven zich elk uit hun kamertje en dan blijft een houtig restant over met allemaal gaatjes. Dat zijn de kamerdeurtjes waaruit de larfjes, ditmaal als wespje, naar buiten zijn gekomen. Volgend voorjaar maar eens kijken of we die gallen ditmaal met die gaatjes weer kunnen vinden.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Essentaksterfte, mijt of schimmel het eerst?

De essen langs het fietspad hangen vol met dikke proppen. De takken lijken nauwelijks het gewicht er van te kunnen dragen. Het voordeel is dat ze nu zo laag hangen dat ik het aan een nauwgezet onderzoek kan onderwerpen. Staan in januari al de blad- of bloemknoppen op uitkomen?

Nee, bij nadere inspectie zijn het bruine klomperige vergroeiingen. Geen vers blad en het is ook geen bloei. De vergroeiingen zijn gallen van de bloemkoolgalmijt. Mijten zijn kleine spinachtige diertjes, waarvan de huisstofmijt de meest bekende is. De bloemkoolgalmijt behoort tot de groep mijten die vergroeiingen (gallen) aan planten veroorzaakt. Gallen zijn te vinden op bladeren, knoppen en soms in het hout. Ze ontstaan doordat de mijten de plant met hun zuigsnuitje aanboren. Een infectie zet de plant aan tot het maken van wondweefsel en bouwt op die manier een onderkomen voor de mijten. Deze galmijten zijn vaak kieskeurig. Zo komt de bloemkoolgalmijt alleen op essen voor. Lang niet iedere boom langs het fietspad is rijkelijk behangen. In het laantje zijn sommige bomen helemaal niet aangedaan, enkele bomen hebben een paar takken met galmijten en weer andere bomen hangen helemaal vol. Het zou wel interessant zijn om te achterhalen waarom er zulke grote verschillen zijn.

De essen staan de laatste jaren flink in de belangstelling. Deze belangstelling betreft de essentaksterfte, veroorzaakt door een schimmel: het vals essenvlieskelkje. Het kelkje nestelt zich in het hout en sluit de sapstroom af. Dit leidt weer tot taksterfte en uiteindelijk legt de hele boom het loodje. In West-Europa is het een nieuwkomer en onze essen zijn er (nog) niet tegen bestand. Afbrekende takken zullen in een bos minder snel tot problemen leiden, maar langs paden is het echt een gevaar. We ontkomen er niet aan veel essen uit voorzorg te gaan kappen.

Terug naar de galmijt. De vraag komt bij mij op of de galmijt en schimmel iets met elkaar van doen hebben. Het komt vaak voor dat de ene infectie de weg vrijmaakt voor een volgende. Maar zijn nu de essen verzwakt door de mijt of door de schimmel? Mijn eerste Almeerse bloemkoolgalmijt zag ik in februari 2015. Maar ja, daarvoor lette ik er in het geheel niet op. Met mijn eigen waarnemingen kan ik er dus niets met zekerheid over zeggen. Op waarneming.nl zie ik dat de meeste waarnemingen van de mijten zijn ingevoerd in de periode 2011-2013. Het vlieskelkje duikt op de site pas in 2013 op. Helaas kunnen we daar ook weinig zekerheid uit verkrijgen. Het vlieskelkje was daarvoor nog nauwelijks onder waarnemers bekend en is bovendien veel minder zichtbaar.

Het meest aannemelijke scenario lijkt mij dat het vlieskelkje de bomen heeft aangetast en daarmee de rode loper heeft uitgerold voor de galmijt. Essen weten immers al veel langer enige weerstand te bieden aan de galmijten. Als het vlieskelkje inderdaad eerder was, hadden we al veel eerder aan een toename van gallen kunnen zien dat er wat aan de hand was. Het toont fraai aan dat al die miljoenen waarnemingen op http://www.waarneming.nl als citizen-science-project een goudmijn zijn voor nader onderzoek.

Ton Eggenhuizen


2 reacties

De eik als ark van Noach

20150601005705Het is een zonnige middag als ik langs een perceel loop met zomereiken in het Kathedralenbos. Zwartkoppen zingen dat het een lieve lust is. Het is begrijpelijk dat deze insecteneters de bosrand tot broedterritorium hebben verkozen. De bosrand biedt dekking voor het nest vanwege de manshoge brandnetels en struiken en er is voedsel in overvloed.

Niet dat deze rijke dis direct opvalt. Pas bij nadere inspectie van de laaghangende takken blijken de eiken een hele menagerie aan klein gespuis te herbergen. Ik zie opgerolde bladranden, knikkervormige vergroeiingen op het blad, bolvormige bladvoeten, dunne blazen, vergroeide bladknoppen, onregelmatige bloeiwijzen; allemaal gallen en bladmijnen die toebehoren aan evenzovele galmuggen, -wespen, -vliegen en -mijten. In al die gallen vreten larven zich vol. Als ze volwassen zijn, gaan al deze dieren zich voortplanten. De voedselvoorraad is onuitputtelijk. Als ik langs de boom naar het zwerk kijk, zie ik een bonte variatie aan vliegende eikenliefhebbers.

De eikenvretertjes zijn kieskeurig. Veel soorten beperken zich tot één enkele boomsoort. Op de zomereik, die van nature in onze streken voorkomt, zijn zo’n 400 verschillende insecten en aanverwanten aangetroffen. Een Amerikaanse eik, zelfs als deze midden in een zomereikenperceel staat, weet maar 20 soorten aan te trekken. Veel van onze insecten kunnen kennelijk niets met zo’n exoot. Een perceel Amerikaanse eiken is niet alleen arm aan insecten, ook aan vogels. En deze karige biodiversiteit vormt een gevaar voor plaagvorming.

Terug naar de zomereik, het zal de boom ongetwijfeld energie kosten. De insecten en mijten zetten de boom aan tot het bouwen van de vergroeiingen. Na de aanslag van de gallen en bladmijnen krijgen veel eiken ook nog een schimmel te verduren: de eikenmeeldauw. Die tast het bladoppervlak aan, waardoor de fotosynthese bemoeilijkt wordt. Met deze voortdurende aanslagen zou je verwachten dat de eiken massaal het loodje zouden leggen.

Daarbij komt nog dat het lijkt alsof eiken nauwelijks investeren in hun afweermechanismen. Eind juni komt de eik echter met zijn overlevingstruc: het sint-Janslot. Rond het feest van Sint Jan (24 juni) vormt de boom nieuwe takken (loten) en bladeren en tooit zij zich weer in fris groen. Ook dat kost natuurlijk energie, maar het frisse blad benut de lange zomerdagen om zonne-energie om te zetten in voeding voor de boom. En dat is ruim voldoende voor behoud en groei van de boom, rijping van de eikels en opbouw van reservevoedsel voor de winter en het voorjaar.

Ton Eggenhuizen