Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


Een reactie plaatsen

Penseelkever

Veel mensen denken dat het werk van een stadsecoloog zich vooral in park en langs wetering afspeelt. De werkelijkheid is helaas minder kleurrijk. Ik zie meer vergaderruimtes dan natuur- en groengebieden. De spaarzame momenten in het groen moeten worden gekoesterd. Zo is het maar een paar tellen lopen van het kantoor van Flevolandschap naar de parkeerplaats maar de weelderig bloeiende berm en het warme zonnige weer zorgen ervoor dat ik mijn pas inhoud.

Rolklaver, duizendblad en streepzaad lokken hier met hun bloemen nu een myriade aan insecten. Zweefvliegen, wat bloesemboktorren, hommels en bijen zoemen rond op zoek naar stuifmeel en nectar. Plots valt mijn oog op een rondvliegende oranje-gele ‘hommel’. Die kleur komt mij voor een hommel ongewoon voor. Ik grijp naar mijn mobiel omdat een foto de determinatie hopelijk zal vergemakkelijken. Het duurt een tijd eer het insect een geschikte bloem heeft gevonden. De brede bloemenscherm van duizendblad is eindelijk goed genoeg. Tot mijn verbazing is hier helemaal geen hommel geland, het is een dichtbehaarde kever! Een geeloranje kever met zwartgele dekschilden. Ik ken deze van foto’s, het is een penseelkever.

Nu heb je penseelkevers en penseelkevers, het komt vervolgens aan op de details. Details van de pootstructuur wel te verstaan, en dan met name de voor- en middenpoot. Op grond van deze subtiele kenmerken is het onderscheid te maken tussen de twee soorten die in Nederland voorkomen: zonatus en fasciatus. Een uitsteeksel op de middelste poot wijst bij het door mij gevonden exemplaar op zonatus-penseelkever. Beide soorten komen in Lelystad voor al lijkt fasciatus iets minder algemeen. Opmerkelijk genoeg ontbreken beide soorten nog in Almere.

Het loont kennelijk de moeite om bij het duizendblad te zoeken naar rondvliegende geeloranje ‘hommels’. Wie ontdekt de eerste Almeerse penseelkever?

Ton Eggenhuizen


3 reacties

Goudmijntje in Almere

20150609022923Het zijn in de plantenwereld de dagen van overvloed, alles loopt uit aangejaagd door toenemende temperatuur en langere dagen. Als de zomer straks op zijn hoogtepunt is, is de natuur al op zijn retour. Temperaturen nemen nog verder toe en droogte ligt op de loer. Zo ver is het nu echter nog niet. Nu is alles fris en groen en de natuur toont zich in haar opperste weelde.

Dat valt ook een heel leger aan bladvretertjes op. Die bladvretertjes zijn in te delen in soorten die de boel van buitenaf kaalvreten en soorten die het wat subtieler van binnenuit doen. Deze subtiele knagers vormen blaasjes en gangen onder het oppervlak van het dunne blad. Deze gangen en blazen worden mijnen genoemd en de veroorzakers heten bladmineerders. Ze vreten zich een weg door het meest voedselrijke deel van het blad, tussen de vaak taaiere opperhuid aan de boven- en onderzijde.

De groep van bladmineerders is een indeling op basis van het vraatpatroon, niet op basis van de biologische taxonomie. Zo zijn er wespen en vliegen (en soms kevers) waarvan de larven als bladmineerders optreden, maar ook (micro-)nachtvlinders. Een stelregel (met uitzonderingen) is dat de nachtvlinders vooral op struiken en bomen mineren en de wespen en vliegen vooral op kruidachtige planten. De mineerders zijn op naam te brengen op grond van de vorm van de mijn en larve enerzijds en de plantensoort waar zij inzitten anderzijds.

Er is een sterke relatie tussen plantensoorten en mineersoorten hoewel sommige mineerders ook op meerdere plantsoorten worden aangetroffen. Deze sterke relatie wordt aangejaagd door een chemische oorlogsvoering. De plant probeert de aanval te pareren door gifstoffen aan te maken. De aanvaller past zich aan door resistentie tegen de gifstof te ontwikkelen. De plant gaat vervolgens weer nieuwe stofjes aanmaken, waartegen de aanvaller zich ook weer weet te verweren. Soms voert deze wapenwedloop zo ver dat een plantensoort nog maar één enkele belager heeft.

Het zijn vaak de slechtere exemplaren van een plant, of de zwakkere onderdelen, die vatbaar zijn voor mineerders. Mijntjes zijn vaker aan te treffen op de onderste bladeren van een kruid, terwijl op bomen deze mijnen vooral op de niet door zon beschenen bladeren voorkomt. Planten en bomen die qua bodem, vocht of zonlicht niet op een optimale plek staan, worden ook vaak door mineerders bezocht. Dat is ook vaak in de tuin te zien. Tenminste, die tuintjes die nog wel enigszins groen zijn.

Ton Eggenhuizen