Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


1 reactie

Het koolmotje, van spitskool naar Spitsbergen.

CAM05400Lopend over het gras van de Oostvaardersdijk vliegen voortdurend koolmotjes voor mijn voeten op. Ik besluit te gaan tellen. Op een transect van ongeveer een halve meter breed en 140 meter lang tel ik er 34. Ik herhaal de telling nog wat lager op de dijk en kom dan op 44 motjes. Even rekenen, de grasberm van de dijk is 35 meter breed, 70 x 34, en dat weer x 7,14…, per kilometer zou dat neerkomen op 17.000 tot 22.500 motjes! Het Almeerse deel van de Oostvaardersdijk meet ongeveer 11 km, dus op dit dijkvak zouden er dan bijna een kwart miljoen kunnen zitten!

Omdat ik de mot ook op heel veel andere plekken in Almere zie, moeten vele miljoenen motjes in Almere aanwezig zijn. Met een lengte van 8 millimeter is het koolmotje een kleintje. De vleugels zijn in rust stevig opgevouwen zodat er dan niet veel meer te zien is dan een streepje van een millimeter breed. In de rusthouding heeft de vlinder bruinige zijkanten en een witte golvende rugstreep. Dat maakt de soort eenvoudig herkenbaar als je eenmaal je oog erop hebt laten vallen.

Het koolmotje heeft zijn naam niet voor niets. Ze zijn verzot op koolplanten en daarmee een niet graag geziene gast bij groentetelers. Het zijn immers niet alleen koolwitjes die koolplanten belagen. Waar de rups van het koolwitje de bladeren van de buitenrand opvreten, vreet de koolmotrups aan de onderzijde van het blad. Door alleen het bladmoes op te eten en de bovenkant intact te laten, ontstaan haast doorzichtige venstertjes in het blad.

Het is voor zo’n klein vlindertje haast onvoorstelbaar: het zijn trekvlinders uit Zuid-Europa. Niet dat de vele vlindertjes die ik nu zie, allemaal van zo ver komen. Daarvoor zijn de vleugels te vers getekend. Met een vlucht van zoveel kilometers zouden ze er veel meer versleten uit moeten zien. In streken waar het niet hard vriest, kan de soort overwinteren. Vanuit die gebieden trekken ze dan in het volgend jaar naar het noorden. De huidige grote aantallen in Nederland zullen de nakomelingen zijn van vlinders die hier overwinterd hebben, aangevuld met trekvlinders uit Zuid-Europa.

Ook de vlinders van de Oostvaardersdijk kunnen door een zuiderwind worden opgepakt en verder naar het noorden worden verscheept. Binnen één seizoen hebben ze meerdere generaties die uiteindelijk tot op Spitsbergen kunnen belanden.

Ton Eggenhuizen

Advertenties