Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


Een reactie plaatsen

Een mol die geen mol is en ook nog kan zingen

Soms kom je een dier tegen wat je nog nooit hebt gezien en toch weet je meteen wat het is. Enige voorkennis is wel handig in dit geval. Ik had de veenmol wel al eerder gehoord, ook in Almere, maar op een ander locatie. Afgelopen zaterdag stak er zomaar één het fietspad in het Kromslootpark over. Het ging allemaal zo snel dat hij jammer genoeg niet heel goed op foto staat, waardoor zijn voorpoten niet goed te zien zijn.

Het zijn juist die voorpoten waaraan je goed kunt zien waarom hij veenmol heet. Die voorpoten zijn gemaakt om te graven, net als bij een echte mol. Maar de veenmol is geen mol. Ook de veenmol leeft onder de grond, maar daarmee houd de vergelijking wel op. Naast lopen en graven kunnen veenmollen ook zwemmen, duiken en vliegen. Ze zijn familie van de krekels. Het is echter de enige soort in deze familie die ondergronds leeft.

De dieren graven een stelsel van ondiepe gangen en maken middenin een nestje waar het vrouwtje wel 300 eieren in kan leggen. De vrouwtjes zorgen ook voor de eieren door die vochtig houden. De jonge veenmollen blijven nog 2-3 weken in het nest en worden door de moeder verzorgt. Ze schraapt de wanden van het nest af zodat de wortels vrij komen te liggen en er voedsel beschikbaar is. Ook wordt de grond boven het nest vrijgehouden van beplanting zodat de zon het nest kan opwarmen. De jonge veenmollen worden nimfen genoemd en de gedaanteverwisseling doorloopt 10 stadia voordat ze volwassen zijn. Hier doen ze bijna 2 jaar over.

De gedaanteverwisseling van krekels en sprinkhanen wordt onvolledig genoemd, omdat de jongen al sterk op de volwassen dieren lijken. Bij elke vervelling groeien de vleugels een beetje. Vlinders bijvoorbeeld hebben een volledige gedaantewisseling, de rups lijkt in weinig op de volwassen vlinder. De veenmollen eten zowel plantaardig als dierlijk voedsel. Het zijn onhandige vliegers, het is ook nog onduidelijk of zowel de vrouwtjes als de mannetjes kunnen vliegen. Net als krekels en sprinkhanen zingen de mannetjes om vrouwtjes te lokken. Deze zang kan minutenlang aanhouden en wordt voortgebracht vanuit een hol dat als klankkast wordt gebruikt. Het zingen begint vlak na zonsondergang op warme lenteavonden. Deze zang is te verwarren met de roep van de rugstreeppadden. Zouden veenmollen zich zelf ook wel eens vergissen? Of is het toeval dat de eerst Almeerse veenmollen opdoken op plekken waar ook rugstreeppadden zitten? Zou een overvliegende veenmol de roep van een rugstreeppad wellicht aanhoren voor een soortgenoot?

De veenmol is een tamelijk zeldzaam diertje in Nederland dat zijn zwaartepunt van verspreiding heeft aan de kust en in het veenweidelandschap van Holland. Almere kan als de noordoostelijke grens daarvan worden gezien. Daarbuiten wordt de soort vooral als zwerver sporadisch waargenomen, met recent zelfs een waarneming op de Markerwadden.Het was een fascinerende ontmoeting en ik vind het mooi om te ontdekken dat ze zich kennelijk op meer plekken in Almere thuis voelen.

Annemiek Eggenhuizen

Advertenties


Een reactie plaatsen

Vogeltrek, Oost west, thuis best?

waterpiep-caucEen beeld dat bij oktober hoort: vogeltrek! Enorme aantallen ontvluchten de barre noordelijke streken om te overwinteren in warme streken. De kampioen is de noordse stern die makkelijk tienduizenden kilometers vliegt tussen de Arctische (juni- augustus: 24 uur daglicht!) en de Antarctische zomer (november-maart: ook 24 uur daglicht).

Toch vliegen niet alle vogels van noord naar zuid. In Europa is de gemiddelde trekrichting tussen noordoost en zuidwest. Bovendien zijn er ook enkele soorten die een koers vliegen die daar haaks op staat. Deze vogels ontvluchten niet de barre noordelijke winter, maar die van hooggebergten van Centraal Europa. Het bekendste voorbeeld is de waterpieper. Deze soort, verwant aan onze graspieper, broed in de Europese hooggebergten en de dichtstbijzijnde broedgebieden liggen in Zuid-Duitsland. Tijdens de winter valt hier voor een waterpieper niets te halen. De vogels trekken dan naar een gebied waar ze wel kunnen overwinteren. Voor een groot deel zijn dat de lage landen ten noordwesten van het broedgebied. Favoriet zijn de uiterwaarden in het rivierenland en de moerassen van laag Nederland.

De naam waterpieper is dus ontleent aan het overwinteringsgebied en heeft niets met het broedgebied van doen. Het is dan niet verwonderlijk dat onze oosterburen de vogel Bergpieper noemen. De waterpieper is overigens zeer nauw verwant aan de oeverpieper, nog niet eens heel lang geleden werden deze twee soorten als één soort gezien. De verschillen tussen de oever- en waterpieper zijn subtiel. Het handigste kenmerk is het overwinteringsgebied, omdat oeverpiepers vrijwel uitsluitend op rotsige kusten (maar ook stenige pieren en dammen) zitten. Sterker nog, in Flevoland worden oeverpiepers ook af en toe gezien, maar dan alleen buitendijks op de stenige dijken. Waterpiepers kunnen daar vlakbij zitten, maar dan juist binnendijks!

In Flevoland is de waterpieper een redelijk algemene overwinteraar. In de natte graslanden van de Lepelaarplassen, het Kromslootpark en de Oostvaardersplassen worden soms tientallen vogels gezien. Als de vogels opvliegen laten ze een kenmerkend slepend “swiest – swiest” horen. Als ze weer gaan zitten vallen ze geheel weg tegen de bruinige stoppels van riet en ruigte.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Plaagvorming en de “struggle for life”

Wat een mooie tuinplant lijkt, kan uitgroeien tot een plaag. Het bekendste Almeerse voorbeeld is de Kaukasus- of Reuzenberenklauw. Ooit als decoratieve plant geïntroduceerd, overwoekert deze plant nu veel gebieden.

De Reuzenberenklauw is een schoolvoorbeeld van een soort die buiten zijn normale verspreidingsgebied niet de belemmeringen tegenkomt die de soort “thuis” wel ontmoet. Plant- en diersoorten zijn namelijk altijd is gevecht met andere soorten. Het is dit gevecht dat er voor zorgt dat in natuurlijke situaties een enkele soort nooit de overhand zal krijgen. Dit gevecht wordt op vele vlakken gevoerd. Eén daarvan is de chemische wedloop. Een plant probeert vraat tegen te gaan door stoffen aan te maken waar een insect niet tegen kan. Het insect past zich aan door tolerantie te ontwikkelen tegen de aangemaakte stof, waarna de plant het stofje zal moeten aanpassen om de tolerantie weer te omzeilen. Ook planten doen dit onderling maar dan via de wortels.

Tijdens enkele bezoeken aan Georgië heb ik de berenklauw meermalen in zijn natuurlijke Kaukasische omgeving gezien (zie foto). Nooit zag ik meer dan tien planten bij elkaar staan. Dat doet vermoeden dat hier inderdaad deze mechanismen spelen. Het lijkt simpel om dan op zoek te gaan naar “dat ene insectje” dat de reuzenberenklauw eronder kan houden en die dan in het Kromslootpark los te laten. De kans dat dat zinloos is, of juist weer andere problemen oplevert, is echter groter dan de kans dat het middel helpt. Misschien is het wachten op een inheemse soort die in de “strijd om het bestaan” de Reuzenberenklauw weer weet terug te dringen.