Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


1 reactie

Bloemen en bijen

Geler dan geel steken de bloemen van de scherpe boterbloem al weer boven het vorige week gemaaide gras op de Oostvaardersdijk. Alle bloemen zijn op de zon gericht waardoor het geel je nog meer dan anders tegemoet komt. Talloze insecten kruipen in de bloempjes, niet voor de nectar want die maakt de boterbloem nauwelijks. Ze zijn hier om andere redenen.

In de eerste plaats vliegen ze op de boterbloem vanwege het rijkelijk aanwezige stuifmeel. Boterbloemen hebben een flink aantal helmknoppen, dus voedsel in overvloed. En door van bloem naar bloem te vliegen zorgen de insecten direct ook voor de bestuiving. Maar de bloem heeft nog meer te bieden. De kroonbladen vormen een kommetje dat het zonlicht als een parabool naar het midden van de bloem brengt. Dat is dus een lekker warm plekje voor een insect om op de vroege ochtend op te warmen.

De scherpe boterbloem dankt zijn naam aan de scherpe smaak. Koeien zijn er niet dol op en in weidegebied is de gele boterbloem vaak het enige wat kleur geeft aan het hardgroen van het gras. Raaigrasweiden zijn eiwitrijk en dus goed voor de productie. Raaigras heeft daarvoor echter een flinke mestgift nodig. Er zijn maar weinig andere planten die die mestgift verdragen. De scherpe boterbloem is daar één van.

Gaande de dag volgen de bloemen de langs het zwerk glijdende zon. De hele dag kunnen de insecten zich zo opwarmen aan de zonnecollector. Maar de zon schijnt natuurlijk lang niet altijd en soms regent het zelfs. Er zijn boterbloemsoorten die voor hun bestuiving afhankelijk zijn van de regen. Het komvormig bloempje vangt de regen op en het vettige stuifmeel lift op het wateroppervlakte mee naar een stamper. Die truc geldt niet voor de scherpe boterbloem, Die laat juist bij regen de bloempjes hangen. En ook dat merken de insecten op. De zonnecollector op zijn kop, vormt dan ineens een paraplu. Een gele schuilplaats voor de regen.

Ton Eggenhuizen

Advertenties


Een reactie plaatsen

Op de rottende bladeren van smeerwortel

cam06420De Oostvaardersdijk is gemaaid, maar de rottende resten van smeerwortel zijn nog goed herkenbaar. Het bloeiseizoen zit er voor deze soort al eventjes op, de plant heeft zijn zaad kunnen verspreiden en trekt zich terug in zijn wortel. Veel is er na het maaien niet van de plant overgebleven, het is vooral een klein wit paddenstoeltje die de identiteit van de plant prijsgeeft.

Rond de voet van de rottende bladeren is het helderwit van Hemimycena candida opvallend, ondanks het feit dat het paddenstoeltje zo klein is. In het Nederlands heet het smeerwortelmycena. Logisch, omdat we het zwammetje alleen op smeerwortels zien. Kennelijk is het rottende materiaal zo specifiek in samenstelling dat er geen andere paddenstoel op kan leven en ook zo specifiek dat we de paddenstoel nergens anders aantreffen. Bovendien zien we hem niet op alle smeerwortels terug. Smeerwortels die de wortels in klei hebben zijn duidelijk favoriet, op veengrond komt de plant wel voor maar wordt de schimmel nauwelijks gezien.

De smeerwortelmycena wordt vooral op afgemaaide smeerwortels gezien, precies zoals op de Oostvaardersdijk. Het fragiele kleine paddenstoeltje is doorgaans maar enkele dagen tot twee weken te zien. Voeg dat alles aan het feit dat de herfst ook nog eens redelijk warm en nat moet zijn, en het wordt wel duidelijk dat het maar zelden gezien wordt.

Schimmels worden vaak als schadelijk gezien, heeft de smeerwortel dan geen last van de mycena? Op de Oostvaardersdijk zijn zowel waardplant als schimmel algemeen. Het zou een erg slechte strategie zijn als de schimmel volledig afhankelijk is van die ene plantensoort en vervolgens dezelfde plant te gronde zou richten. We zien hier dus geen parasiet aan het werk, het is een vreedzame samenleving.

Ton Eggenhuizen


1 reactie

Het koolmotje, van spitskool naar Spitsbergen.

CAM05400Lopend over het gras van de Oostvaardersdijk vliegen voortdurend koolmotjes voor mijn voeten op. Ik besluit te gaan tellen. Op een transect van ongeveer een halve meter breed en 140 meter lang tel ik er 34. Ik herhaal de telling nog wat lager op de dijk en kom dan op 44 motjes. Even rekenen, de grasberm van de dijk is 35 meter breed, 70 x 34, en dat weer x 7,14…, per kilometer zou dat neerkomen op 17.000 tot 22.500 motjes! Het Almeerse deel van de Oostvaardersdijk meet ongeveer 11 km, dus op dit dijkvak zouden er dan bijna een kwart miljoen kunnen zitten!

Omdat ik de mot ook op heel veel andere plekken in Almere zie, moeten vele miljoenen motjes in Almere aanwezig zijn. Met een lengte van 8 millimeter is het koolmotje een kleintje. De vleugels zijn in rust stevig opgevouwen zodat er dan niet veel meer te zien is dan een streepje van een millimeter breed. In de rusthouding heeft de vlinder bruinige zijkanten en een witte golvende rugstreep. Dat maakt de soort eenvoudig herkenbaar als je eenmaal je oog erop hebt laten vallen.

Het koolmotje heeft zijn naam niet voor niets. Ze zijn verzot op koolplanten en daarmee een niet graag geziene gast bij groentetelers. Het zijn immers niet alleen koolwitjes die koolplanten belagen. Waar de rups van het koolwitje de bladeren van de buitenrand opvreten, vreet de koolmotrups aan de onderzijde van het blad. Door alleen het bladmoes op te eten en de bovenkant intact te laten, ontstaan haast doorzichtige venstertjes in het blad.

Het is voor zo’n klein vlindertje haast onvoorstelbaar: het zijn trekvlinders uit Zuid-Europa. Niet dat de vele vlindertjes die ik nu zie, allemaal van zo ver komen. Daarvoor zijn de vleugels te vers getekend. Met een vlucht van zoveel kilometers zouden ze er veel meer versleten uit moeten zien. In streken waar het niet hard vriest, kan de soort overwinteren. Vanuit die gebieden trekken ze dan in het volgend jaar naar het noorden. De huidige grote aantallen in Nederland zullen de nakomelingen zijn van vlinders die hier overwinterd hebben, aangevuld met trekvlinders uit Zuid-Europa.

Ook de vlinders van de Oostvaardersdijk kunnen door een zuiderwind worden opgepakt en verder naar het noorden worden verscheept. Binnen één seizoen hebben ze meerdere generaties die uiteindelijk tot op Spitsbergen kunnen belanden.

Ton Eggenhuizen