Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


Een reactie plaatsen

Achterom valt veel te ontdekken

achteromAlmere is een groene stad en al dit groen wordt hoog gewaardeerd. Niet alleen door de bewoners, ook vele plant- en diersoorten weten het groene Almere te vinden. Ondanks de eenvormige voedselrijke bodem (vaak resulterend in een soortenarme vegetatie) behoort Almere tot de top-30 van Nederlandse gemeenten met de meeste planten en dieren.

Vanzelfsprekend zijn veel soorten te vinden in de natuurgebieden, de bossen en de parken. Maar ook in de zeer verstedelijkte binnenstad is – voor wie het wil zien – veel te vinden. Daar moet je dan wel af en toe minder gebruikelijke wegen voor bewandelen. Zo heb ik ontdekt dat de achteromsteegjes ware goudmijnen zijn.

Veel tuinen worden nestjes betegeld of – als er al groen staat – netjes aangeharkt. Echt groene tuinen zijn een zeldzaamheid. Die opgeruimde tuinen houden gelukkig vaak op bij het achterhek. De smalle randjes tussen de schuurtjes en de stoep achter het achterhek zijn voor mij pareltjes in de stad. Hier staan volop planten in bloei, ze kunnen daar hun volledige levensloop doormaken van zaailing tot afsterven en die hele levenscyclus maakt het ook mogelijk dat insecten zich daar tegoed aan kunnen doen.

Naast de van nature voorkomende plantensoorten kom je ook planten tegen die de tuin zijn uitgewandeld. Daar zitten zeldzame planten tussen als de muurbloem (echt, hij bestaat!), maar ook onverwachte soorten als lampionplant, sierpompoen en zelfs vijgenbomen. Veel van deze planten weten zich slechts enkele jaren te handhaven maar er zitten ook blijvertjes bij.  Een aantal soorten zijn zelfs zeer succesvol. Canadese guldenroede en puntwederik behoren nu tot de algemenere soorten in Nederland.

In Nederland worden diverse plantendistricten onderscheiden. Deze districten hebben een sterke relatie met de bodem. Zo kennen we het rivierkleidistrict, het duindistrict en laagveendistrict. Een volledig door mens gemaakt district is het IJsselmeerpolders-district. In het midden van de jaren negentig is een heel nieuw plantendistrict beschreven: het urbaan district met een geheel eigen soortensamenstelling. Zowel de verwilderde planten als warmteminners horen daarbij. Twee bijzondere omstandigheden die de stad tot een bijzondere leefomgeving voor planten en dieren maakt. Voorlopig valt “achterom” nog veel te ontdekken.

Ton Eggenhuizen

Advertenties


3 reacties

Goudmijntje in Almere

20150609022923Het zijn in de plantenwereld de dagen van overvloed, alles loopt uit aangejaagd door toenemende temperatuur en langere dagen. Als de zomer straks op zijn hoogtepunt is, is de natuur al op zijn retour. Temperaturen nemen nog verder toe en droogte ligt op de loer. Zo ver is het nu echter nog niet. Nu is alles fris en groen en de natuur toont zich in haar opperste weelde.

Dat valt ook een heel leger aan bladvretertjes op. Die bladvretertjes zijn in te delen in soorten die de boel van buitenaf kaalvreten en soorten die het wat subtieler van binnenuit doen. Deze subtiele knagers vormen blaasjes en gangen onder het oppervlak van het dunne blad. Deze gangen en blazen worden mijnen genoemd en de veroorzakers heten bladmineerders. Ze vreten zich een weg door het meest voedselrijke deel van het blad, tussen de vaak taaiere opperhuid aan de boven- en onderzijde.

De groep van bladmineerders is een indeling op basis van het vraatpatroon, niet op basis van de biologische taxonomie. Zo zijn er wespen en vliegen (en soms kevers) waarvan de larven als bladmineerders optreden, maar ook (micro-)nachtvlinders. Een stelregel (met uitzonderingen) is dat de nachtvlinders vooral op struiken en bomen mineren en de wespen en vliegen vooral op kruidachtige planten. De mineerders zijn op naam te brengen op grond van de vorm van de mijn en larve enerzijds en de plantensoort waar zij inzitten anderzijds.

Er is een sterke relatie tussen plantensoorten en mineersoorten hoewel sommige mineerders ook op meerdere plantsoorten worden aangetroffen. Deze sterke relatie wordt aangejaagd door een chemische oorlogsvoering. De plant probeert de aanval te pareren door gifstoffen aan te maken. De aanvaller past zich aan door resistentie tegen de gifstof te ontwikkelen. De plant gaat vervolgens weer nieuwe stofjes aanmaken, waartegen de aanvaller zich ook weer weet te verweren. Soms voert deze wapenwedloop zo ver dat een plantensoort nog maar één enkele belager heeft.

Het zijn vaak de slechtere exemplaren van een plant, of de zwakkere onderdelen, die vatbaar zijn voor mineerders. Mijntjes zijn vaker aan te treffen op de onderste bladeren van een kruid, terwijl op bomen deze mijnen vooral op de niet door zon beschenen bladeren voorkomt. Planten en bomen die qua bodem, vocht of zonlicht niet op een optimale plek staan, worden ook vaak door mineerders bezocht. Dat is ook vaak in de tuin te zien. Tenminste, die tuintjes die nog wel enigszins groen zijn.

Ton Eggenhuizen