Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


1 reactie

Ganzencreches, alleen maar winnaars?

(foto: Geerke Eggenhuizen)

(foto: Geerke Eggenhuizen)

Gegak en gepiep in de sloot. Een paartje grauwe ganzen met jongen zwemt langs. Maar zijn dat niet erg veel jongen voor één paar? Vier tot zes eieren is de norm voor een grauwe gans, soms loopt dat op tot acht. Dus een paartje met meer dan tien jongen kan eigenlijk niet kloppen. Denk ook maar in, de buik van een broedende gans kan ook niet meer eieren bedekken. Wat is hier aan de hand?

Grauwe ganzen doen aan crechevorming. Ze begeleiden niet alleen de eigen jongen maar aan het gezin worden wat pleegkinderen toegevoegd. We kunnen er van uitgaan dat de crechevorming een functie heeft. Het is immers niet voor de hand liggend dat de ganzen zich liefdevol over verweesde gansjes hebben ontfermd. Daarvoor komen de ganzencreches te vaak voor en zullen verweesde jongen eerder uitzondering dan regel zijn. De verklaring is vooral te vinden in de getallen.

Aan de grote families zitten twee kanten, de eerste is de kant van de ouders die de (of een deel van) jongen nu kwijt zijn. Deze ouders hebben vanaf nu de tijd voor zichzelf. Ze kunnen zonder zich te bekommeren over broedzorg investeren in een nieuw verenpak en in een goede conditie voor de komende winter. Dit zal de overleving van deze vogels zeker ten goede komen. Zijn de creche-ouders daarom dan de schlemielen? Dat valt nog maar te bezien.

Een ganzenfamilie met kleine hapklare ganzenpullen krijgt natuurlijk veel aandacht van meeuwen, zeearenden, vossen en andere roofdieren. De ouders zullen de jongen proberen te beschermen, maar er valt natuurlijk altijd wel een enkele ten prooi. Als je als creche-ouders je aantal jonkies hebt weten te verdubbelen, wordt de kans dat een jong gegrepen wordt met de helft verminderd. En dus ook dat het één van je eigen jongen is, die in een hongerige meeuwenmaag verdwijnt! En iedere dag dat de jongen ouder worden, worden ze ook groter en minder makkelijk te bejagen. Creche-vorming betekent een hogere overlevingskans van de eigen jongen.

En ook voor de populatie betekent dit winst. Dat moge ook wel blijken uit de enorme groei die de populatie grauwe ganzen de laatste jaren heeft doorgemaakt. Er zijn weinig soorten die het in ons land zo goed doen. En ook de vossen, meeuwen en zeearenden kunnen er goed mee leven, gezien hun aantalsontwikkelingen.

Is er dan geen enkele verliezer? Tja, de jonkies die het niet redden zijn de klos. Maar aangezien ganzen wel 25 jaar oud kunnen worden, is het maar goed dat niet ieder jong groot komt. Want ieder jaar zes jongen zou aan het eind 150 ganzen opleveren die ieder ook weer jongen kunnen krijgen. Zoals overal in de natuur: er wordt overgeproduceerd voor de sterfte. Zolang de eigen genen maar blijven voortbestaan.

Ton Eggenhuizen