Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


2 reacties

Toeval bestaat (niet)!

De hitte is aangenaam en ondragelijk tegelijk: het zweet gutst mij van het lijf als ik de tweets en whatsappjes over sneeuwval en gevoelstemperatuur op elfstedenniveau van het thuisfront lees. Zo een 9.000 kilometer van huis ben ik op een internationale expeditie aan de kust van de Thaise Golf. Doel is het in beeld brengen van het grote belang van deze kust voor de vele duizenden steltlopers die uit het hoge Aziatische noorden hier overwinteren.

Op een rustige maar warme middag hoor ik zoals wel vaker op deze trip, het ritmische tjing-tjing-tjing-tjing van de Common tailorbird. De veldgids is in het Engels, dus heb de Nederlandse naam niet paraat. Mijn Engelse kompanen vertellen dat de naam is afgeleid van het geluid dat een oude trapnaaimachine maakt. Een treffende naam dus. Ik weet echter nog een alternatieve verklaring. Ooit bezat ik een algemeen boek over vogels, de titel ben ik vergeten. Het zal vast iets in de trant van “de wereld van onze vogels” hebben geheten. Het boek moet zijn weggegeven of in een stapel verkocht aan een opkoper. Wat rest is de levendige herinnering aan een mooie tekening van een klein groen vogeltje met bruine kruin bij zijn nest.

Het nest van bruine sprietjes, takjes en dergelijke is op zich niet bijzonder, maar de plek is dat wel. De tailorbird heeft namelijk twee grote bladeren aan elkaar genaaid met grassprieten. Eerst heeft hij gaten geprikt in de bladranden en daar dus de grasspriet doorheen geregen. In de aldus ontstane kom is het nestje gebouwd. Bijzonder toeval, hij maakt het geluid van een naaimachine én naait voor zijn nest bladeren aan elkaar. Alsof hij besef heeft van naaimachines.

Thuis zoek ik op internet naar de Nederlandse naam, “langstaartsnijdervogel”. OK, die lange staart snap ik, maar snijdervogel? Goed, de komende maanden ga ik mij weer bezig houden met merels, leeuweriken en gaaien.

Ton Eggenhuizen

Advertenties


Een reactie plaatsen

Vliegertouw

Iemand een vlieger kwijt? Voor wie wel eens in de natuur komt is het een veelvoorkomende ergernis: achteloos achter gelaten rotzooi. Soms is de ergernis nog vele malen groter als wilde dieren verstrikt zijn geraakt in de rommel. Meeuwen met plastic six-pack-houders rond de kop, egels met mc-flurry-deksels, zwanen met vishaken en dobbers. Aan deze reeks moet ik helaas vliegertouw toevoegen.

Het is zondagochtend, de vogelringgroep de Grauwe Gans is actief in de ecozone voor onderzoek aan trekvogels. In de vroege ochtend valt mij een witte lijn op die gespannen lijkt over de ecozone. De afstand is groot (200 meter) maar het schuinopvallend zonlicht maakt de lijn duidelijk zichtbaar. Dadelijk maar even kijken of we kunnen zien wat dit is en wat we er mee aan moeten. Later die ochtend blijkt het touw midden door het niet toegankelijke riet-en-bramenland te lopen. En eerlijk gezegd, daarna vergeten we de lijn weer door alle drukte van de vangochtend. Pas de zaterdag erna herinner ik de lijn weer.

Omdat de hond toch ook haar loopje moet hebben, wandelen we zaterdagmiddag over het verborgen laantje ten zuiden van de ecozone. Na vierhonderd meter vinden we het eindpunt van het touw: in een bramenveld ligt een zwartwitte zelfgebouwde vlieger. Aan de vlieger zit nog het vliegertouw dat over de bomen heen loopt en honderden meters het rietland ingaat. Het is nog een toer om de vlieger uit de bramen te krijgen. Als dat eenmaal lukt, blijkt het onmogelijk om het touw in te halen. Kennelijk zit het ergens in de begroeiing vast.

Omdat we zondag met meer mensen zijn, besluit ik dat we morgen de boel maar moeten opruimen. Zo gezegd, zo weerbarstig is de realiteit. Maatje John gaat poolshoogte nemen, trekt wat aan het vliegertouw en tot zijn verbijstering tilt hij een velduil ermee uit het gras. De vogel is kennelijk tegen de draad gevlogen en verstrikt geraakt. De vogel leeft nog wel maar lijkt enorm versuft en moe. John bijt de lijn door en neemt de vogel mee naar de ringtafel. Daar wordt de vogel in een stoffen zakje rust gegund. Na enige tijd wordt de vogel uit het leefzakje gehaald en blijkt er toch meer leven in te zitten. De vogel wordt snel geringd en op een rustig plekje weggezet.

De uil is bevrijd, maar de lijn geeft nog niet mee. We besluiten het zeker 300 meter lange touw, van de andere kant van de ecozone op te pakken. Wellicht zit het daar in een struik vast. Dat blijkt niet het geval, maar ook van die kant is het touw niet in te halen. Na een worsteling door manshoog bramen-rietruigte komen we bij de tussenliggende vaart aan. Geplons en gespetter! Het zal toch niet dat hier ook een dier vast zit? Jawel, een grauwe gans heeft zijn vleugelpunt tegen het draad geslagen en is er vervolgens in vast geraakt. Was de uil moe en versuft, de gans is furieus en pittig. Na inspectie van de vogel wordt hij geringd en losgelaten. En de uil? De uil zit nog steeds op de plek waar we het een uur eerder hebben losgelaten. Hij probeert wel weg te vliegen maar is simpelweg te wrak. Omdat hij zo een makkelijke prooi is voor een vos of buizerd brengen we hem naar het vogelasiel. Door onze toevallige aanwezigheid zijn twee vogels gered. Maar als wij de draad niet hadden gezien, hoeveel vogels hadden er uiteindelijk een langzame dood door gestorven?

Iemand een vlieger kwijt? Hij ligt bij mij in de tuin en is op te halen na een ruimhartige donatie aan het Vogelasiel te Naarden. Die doen sowieso goed werk dus ook als de vlieger niet van u is en toch een donatie wil doen: www.vogelasiel.nl

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Tjiffentijd

”Hwiet- hwiet” klinkt het zacht uit de stuikjes naast het fietspad. Verderop zit nog zo een vogeltje en verderop weer. Op mijn forensenfietstocht van vier kilometer, zoveel mogelijk het stedelijk groen volgend, kom ik makkelijk op tien roepende vogeltjes. Een enkeling zingt ook schuchter waarmee de determinatie wel erg makkelijk wordt; het zijn tjiftjaffen.

De roep is al niet opvallend maar ook het gedrag, scharrelend door het herfstkleurend groen op zoek naar insecten, is wel wat heimelijk. Daardoor is het moeilijk om een goed beeld te krijgen van de aantallen en doortrekpatronen. Deze ochtend hoor ik tien vogels, maar hoeveel zouden er in de hele stad zitten? Door vogels te vangen en te ringen krijgen we daar wel een beter beeld van. Uit het ringonderzoek was al duidelijk dat onze tjiftjaffen in het najaar afzakken naar het zuiden, met name naar de noordzijde van het Middellandse zeegebied. De najaarstrek verloopt vanaf midden september tot half oktober. Door het ringwerk weten we ook dat er veel meer vogels in een gebied zitten, dan je te horen of te zien krijgt. Mogelijk wel twee keer zoveel.

Door met een vaste inspanning vogels te ringen zijn trends in aantallen goed in kaart te brengen. Maar dan nog weet je alleen in relatieve zin iets over de aantallen. Als ik mijn fietstochtje met tien vogels projecteer op Almere, kom ik met de aanname dat ik maar de helft hoor makkelijk op enkele duizenden “tjiffies”. OK, dit is natte vinger en het kunnen er een paar honderd meer of minder zijn. Laten we zeggen, het zijn er veel.

Duidelijk is wel dat die najaarstrek nu wel flink op gang is. Aangenomen kan worden dat vanuit het noorden en noordoosten nu ook flink wat tjiftjaffen door Nederland stromen. Denk eens in, een vogeltje van zeven tot tien gram dat afstanden aflegt van een paar duizend kilometer. Daar staat je verstand toch bij stil? Gisteren nog kan die tjiftjaf hebben gescharreld door een bosrand in Zuid-Zweden, en eind van de week zit hij al in de Spaanse zon.

Ton Eggenhuizen


2 reacties

Broedermoord en kannibalisme

CAM01104Vijf jonge kerkuilen liggen in de tas. Mijn maatje John heeft ze net uit de nestkast gehaald zodat ze een vogeltrekringetje om kunnen krijgen. Ook een van de ouders hebben we kunnen vangen voor ringonderzoek. Het ringen is eigenlijk bijzaak omdat we nog wat aan de kast moeten veranderen. De kast was bedoeld voor holenduif of kauw die zelf nestmateriaal aanbrengen. Een kerkuil heeft de kast gekraakt en is op de kale bodem gaan broeden. We moeten dus ook nog even een “vloertje leggen” van houtmolm.

De jongen blijken nog te klein om te ringen. Maar hoe klein ze ook zijn, er is toch al verschil in grootte te zien. De grootste heeft de ogen al open en kan de kop omhoog houden. Het kleinste jong is net uit het ei, ogen nog dicht en nog weinig kracht in de nekspieren. De vijf jongen zijn, als de Dalton-broers, eenvoudig op een rijtje te leggen. Geen jong is in grootte gelijk. Hoe komt dat en welk nut heeft dat? Eerst de jongen terug in de nestkast en de oudervogel erbij terugplaatsen.

Een koolmees of een wilde eend gaat pas broeden als alle eitjes gelegd zijn. Omdat alle eieren een gelijk aantal dagen bebroed worden, komen de jongen ook gelijktijdig uit. Dat betekent ook dat het gezin gelijktijdig het nest kan verlaten. Voor de meeste vogelsoorten is dit de regel. Samen uit, samen thuis. Uitzondering hierop zijn de meeste uilen en roofvogels. In de regel gaan die direct op het eerste ei broeden en na steeds één of twee dagen komt er een ei bij. De uilenjongen komen dus ook met één of twee dagen tussenpoos uit het ei. Dit verklaart het grootteverschil.

Het grootteverschil is een strategie waarmee ingespeeld kan worden op onzekere voedselsituaties. Omdat het grootste jong ook het sterkst is, staat deze bij een voederbeurt vooraan. Als het grootste jong verzadigd is, krijgt nummer twee zijn deel. Bij nog meer voer komt nummer drie, en zo verder. Maar zelfs als het voedselaanbod karig is, zal het grootste jong meestal nog voldoende binnen krijgen. Met zijn voortdurend gebedel is hij dan wel verantwoordelijk voor de dood van zijn nestgenoten. De hoeveelheid voedsel dat de ouders aanbrengen bepaalt hoeveel jongen kunnen uitvliegen.

Een week later komen we terug om het verloop van het broeden te volgen en alsnog de jongen te ringen. De grootste twee zijn inmiddels groot genoeg, maar twee nestgenoten lijken nauwelijks wat te zijn opgeschoten. En van nummer vijf ontbreekt ieder spoor. Een paar regenachtige nachten afgelopen week hebben waarschijnlijk ervoor gezorgd dat de ouders te weinig prooien hebben kunnen aanbrengen. Nummer vijf heeft ongetwijfeld het loodje gelegd en is in de maag van een van de andere nestgenoten beland. Het klinkt in onze oren cru, maar uiteindelijk bleek het kleinste jong niets anders dan een levende provisiekast.

Natuurlijk zijn we benieuwd hoe die jonkies het verder rooien. Eind van de week gaat de ladder weer op het imperiaal en gaan we kijken of de ouders afgelopen tijd voldoende veldmuizen hebben kunnen vinden.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Buizerd eenoog

niet doenDe positie van de ogen in een vogelkop kunnen sterk zijwaarts gericht zijn of juist voorwaarts. De vogels met zijwaarts gerichte ogen kunnen, zonder te bewegen, vrijwel 360 graden rond kijken. Een mooi voorbeeld is de houtsnip. Voor het ontdekken van een naderend roofdier is dat handig, maar je levert er wel wat voor in. Dergelijke vogels zien naar weinig diepte, omdat daarvoor het blikveld van beide ogen moet overlappen. Uilen zijn juist meesters in het diepte-zien. De ogen zijn recht naar voren gericht. Roofvogels komen daar aardig bij in de buurt. Ze hebben een grote overlap en kunnen daardoor de afstand naar een prooi goed inschatten.

Tijdens een langlopend vogelringonderzoek naar overwinterende buizerds in Flevoland zijn op een totaal van bijna 900 vogels, twee buizerds gevangen die één oog waren kwijt geraakt. Wat betekent het verlies van één oog voor de overlevingskansen van dergelijke vogels?

Op 18 december 1999 werd een anderhalf jaar oude buizerd gevangen die het linker oog miste. Het geheel was volledig ingedroogd, waardoor geoordeeld werd dat het letsel al enige tijd geleden was gebeurt. De vogel was fit en in een goede conditie. De vogel woog 763 gram (krop leeg) bij een vleugellengte van 378 millimeter. De korte vleugel wijst op een mannetje en het bijpassend gewicht is normaal voor een mannetje in de winter.

Op 15 februari 2013 werd wederom een éénogige buizerd gevangen, ditmaal minimaal twee en een half jaar oud. Ook deze miste het linker oog en leek het letsel al geruime tijd daarvoor opgelopen. De vleugellengte was 409 mm en het gewicht 870 gram. Ditmaal dus een vrouwtje met normaal gewicht. Na loslaten vloog ze naar de nabijgelegen laan met essenbomen en landde zonder enige problemen op een tak. Het missen van het oog leek zowel bij de vangstpoging als later bij het landen op een tak geen enkel beletsel te zijn.

Op een totaal van bijna 900 gevangen buizerds in Flevoland kan het aantal van slechts twee visueel gehandicapte vogels gerust als een zeldzaamheid worden beschouwd. De conditie werd in beide gevallen als voldoende beoordeeld. De vogels hadden kennelijk leren leven met de handicap.

Handicaps bij wilde roofvogels zijn een schaars fenomeen. Verwacht kan worden dat een flink deel van de verwonde vogels dit uiteindelijk met de dood zal bekopen. Het verlies van de helft van het gezichtsvermogen lijkt een zware beproeving voor een vogel die voor het voedselzoeken beide ogen gebruikt. Kennelijk zijn er ook andere technieken om afstand goed in te schatten. Een zittende buizerd zal doorgaans een aantal malen kort neerwaarts knikken en de kop zijwaarts bewegen om de prooi (vangbaarheid, afstand) nog beter te bepalen. Ook deze kopbewegingen leveren informatie op aan een éénoog, waardoor het verlies kennelijk niet direct een probleem hoeft op te leveren.

De natuur is veerkrachtiger dan je zo op het eerste oog zou inschatten.