Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


Een reactie plaatsen

Brandnetels zijn ook groen

Ik ben een groot liefhebber van brandnetels. Tientallen insecten zijn afhankelijk van deze plant. Sommige soorten zijn ook naar de plant vernoemd, zoals de viervlekbrandnetelsnuitkever, het donker brandnetelkapje, de brandnetelrolgalmug en de brandnetelblindwants. Zonder grote brandnetels ook geen kleine vos, dagpauwoog en atalanta. De rupsen van deze vlinders leven vrijwel geheel van brandnetel. Brandnetels zijn door de brandharen ook goede veilige nestelplaatsen voor nachtegaal en tal van andere zangvogels. Zij voelen zich daar veilig.

Brandnetels groeien op voedselrijke bodem. Vandaar dat de brandnetel ook veel genoemd wordt in het stikstofdebat: “stikstof is helemaal geen probleem, het is goed voor de natuur. Brandnetels zijn toch ook groen?” Als brandnetelaficcionado zou mij dat als muziek in de oren moeten klinken, nietwaar? Niet waar. Het is om zeker twee redenen namelijk grote flauwekul. Zeker, brandnetels zijn nuttig. In gebieden met een natuurlijk rijke bodem, zoals onze zeekleipolder, is de brandnetel algemeen. Ze hoort bij onze bodem. In onze streken hoort zij thuis. Maar in voedselarme zand- en veengronden horen weer andere planten thuis. Andere planten waar weer andere insecten van afhankelijk zijn, waar andere ecosystemen horen te floreren. Overal brandnetels zou een enorme aderlating voor de biodiversiteit opleveren. Bovendien, ook die voedselrijke systemen hebben baat bij de afwisseling met voedselarmere systemen. Een monocultuur van brandnetels maakt deze kwetsbaar voor ziekten en plagen.

Een nog belangrijker reden is dat het met die brandnetels en het ecosysteem in de overbemeste gebieden ook niet goed gaat. Veel van de hiervoor genoemde insecten die afhankelijk zijn van de brandnetel, laten zelfs een achteruitgang zien. En ook de nachtegaal laat qua populatiegrootte een flinke veer. De vermesting met stikstof en meer brandnetels heeft in ieder geval niet over de hele linie geleid tot grotere populaties van brandnetelvretertjes. Dit komt vooral door de ontstane disbalans tussen de verschillende meststoffen (stikstof en fosfaat) en sporenelementen in de bodem, ook een gevolg van de stikstofoverload. Kort en goed, aan de ene kant verliezen we karrevrachten aan biodiversiteit, aan de andere kant komt er niets bij. “Brandnetels zijn ook groen” is het simplisme voorbij.

Ton Eggenhuizen

bio


Een reactie plaatsen

Blauwalg, (bijna) zo oud als de wereld

De zomerse krantenkoppen verschijnen weer zoetjesaan. “Blauwalg teistert zwemplas”. Met de aandacht die ze krijgen zou je haast denken dat blauwalg een heel recent fenomeen is. Niets is minder waar. Blauwalgen zijn de oudst bekende levensvorm op aarde. Uit de eerste blauwalgen is al het leven op aarde ontstaan.

Toen de eerste blauwalgen zo’n drie tot vier miljard jaar geleden in de oersoep rondzwommen, was de aarde nog nagenoeg zuurstofloos. Zij gebruikten water, koolstofdioxide en verschillende andere stoffen (waaronder stikstof en fosfor) om bouwstoffen te maken waarmee de eigen cellen konden worden gebouwd. Zuurstof was daarbij niets anders dan een afvalproduct van deze bacteriën. De zuurstof die wij ademen zijn dus in veel gevallen de boertjes en windjes van bacteriën. Blauwalgen zijn dus in ieder geval veel ouder dan de mensheid.

De problematiek is wel van recenter datum en heeft alles van doen met de wijze waarop wij met onze omgeving omgaan. Blauwalgen die problematisch kunnen zijn in zwemwater, zijn verzot op voedselrijk water (stikstof en fosfaat) met een temperatuur van 20-30 graden. Stikstof en fosfaat is altijd in de natuur aanwezig, maar de mate waarin dit optreed is koren op de blauwalgen-molen. De bron van de meststoffen is veelvormig. Uitlaatgassen, mest, industrie het zijn slechts drie bronnen die tot vermesting leiden. Het opwarmen gebeurt natuurlijk het best in ondiep water. Juist zwemstrandjes zijn daarmee vaak de eerste plekken waar blauwalg opduikt.

Het is opmerkelijk dat blauwalgen veel minder snel opduiken in wateren met een weelderige waterplantenbegroeiing met kranswieren en fonteinkruiden. Bij nadere beschouwing is dat niet zo gek. De waterplanten leggen met hun wortels de bodem vast en daardoor kunnen meststoffen minder makkelijk uit de bodem de waterkolom inkomen. Hetzelfde gebeurt, doordat de planten een dempend effect op de golven hebben waardoor het slib rustig kan bezinken. Bovendien gebruiken de waterplanten zelf ook een deel van de meststoffen om te groeien. Met ons oppervlaktewater is het dus ofwel “erwtensoep” met hoge concentraties algen of “heldere groentesoep” met waterplanten in helder water. Als waterplanten gemaaid worden, schieten de gehalten meststoffen weer omhoog met vervolgens kans op algenbloei.

Waterplanten helpen dus in het beperken van voor algen beschikbare meststoffen die uit het watersysteem (en de bodem) zelf komen. Maar er vindt ook aanvoer van buitenaf plaats. Maatregelen in één gebied zijn minder zinvol als water uit andere gebieden tot nieuwe vermesting kan leiden. Water stroomt, ook dat is al zo oud als de wereld.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Bruinachtig groen of groenachtig bruin

cam06763De essen staan na een regenbui met glimmende stammen in het bos. Tot anderhalve meter hoogte kleuren de stammen aan de natte kant kastanjebruin. Deze verkleuring valt me al een aantal jaren op maar pas recent ben ik er achter dat een groenalg deze verkleuring veroorzaakt. Vooral in de winter en vroege voorjaar is de alg – Trentepohlia umbrina – op gladde stammen eenvoudig te vinden.

Groenalgen kenmerken zich door bladgroen (chlorophyl) dat water en CO2 onder invloed van zonlicht omzet in suikers en zuurstof. Het bladgroen komt ook in alle groene planten voor. Maar het is niet de enige kleurstof die een plant of alg kan kleuren. Ook rode kleurstoffen (carotenen) geven kleur. Een rode beuk heeft zoveel caroteen in het blad dat de groene kleur van het chlorophyl wordt gemaskeerd. Hetzelfde is het geval in de Trentepohlia.

Trentepohlia is een indicator van luchtvervuiling. Net als het dooiermos (een geeloranje korstmos dat veel in Almere te vinden is) reageert Trentepohlia op een hoge stikstofbelasting in het milieu. Veeteelt en verbranding van fossiele brandstoffen zijn verantwoordelijk voor een toename van stikstof.

In de jaren tachtig kwamen berichten over korstmoswoestijnen in de pers. Gebieden waar korstmossen volledig ontbraken. Aan de rand van deze korstmoswoestijnen werden dooiermos en Trentepohlia nog wel aangetroffen. In gebieden waar alleen deze soorten nog worden aangetroffen is het dus slecht gesteld met de luchtkwaliteit. Maar je kan ook stellen dat in gebieden waar deze soorten weer opduiken, het met de luchtkwaliteit de goede kant op gaat.

Ton Eggenhuizen