Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


1 reactie

Raadsel

Raadsels, ik ben er gek op. En gelukkig krijg ik er daar af en toe een van in mijn schoot geworpen. Een bewoner doet een melding van een zwerm hele grote vliegen in de boom tegenover haar huis. Mijn collega’s weten alles van bomen, maar bij vliegen wordt je als ecoloog op pad gestuurd. Ter plekke is het nog niet meteen duidelijk om welke boom het gaat, dus bel ik aan. De bewoonster heeft het nu over grote wespen en wijst het formaat van een hoornaar aan. Maar het is nog erg vroeg in het seizoen voor grote groepen hoornaars. Ze vertelt dat de dieren rond avondschemering te voorschijn komen. Ook dat past niet echt bij het gedrag van hoornaars. Ze zijn er nu dus niet en onverrichter zake ga ik weer weg. ‘s Avonds rond 22 uur ga ik samen met Ton terug naar de plek in Almere Haven. Na even wachten komen ze inderdaad aanvliegen, het worden er steeds meer. Het zijn in ieder geval geen hoornaars, het lijken wel kevers.

Een voorbijganger met een hondje vertelt dat ze in het gras bij de dijk zitten, vlak bij de begraafplaats. In het gras is het eenvoudiger zoeken dan boven in de boom, dus we gaan daar een kijkje nemen. Het blijkt om junikevers te gaan je kunt ze horen vliegen, hun vleugels zoemen en ze vliegen tegen ons hoofd, waar we toch steeds van schrikken. Ze lijken op meikevers, alleen een maatje kleiner. En ze vliegen, zoals de naam al zegt een maand later. Ze hebben prachtige waaiervormige antennes. Deze kevers zijn niet gevaarlijk, ze doen niets. Ze kunnen niet bijten of steken want het zijn pure vegetariërs. We gaan ze als gemeente ook niet bestrijden.

De kevers oriënteren zich niet op lamplicht, maar op silhouetten, niet alleen van bomen, maar ook – zoals we gemerkt hebben – van mensen. Ze vliegen rond hoge bomen om een partner te vinden. De bomen doen dienst als ontmoetingsplaats. Er komen ook vleermuizen op de rondvliegende kevers af. Omdat we een bat-detector bij ons hebben kunnen ze aan de hoogte en patroon van het geluid vaststellen dat het om rosse vleermuizen gaat. Ze hebben een lekker maaltje aan de forse kevers en voorkomen zo dat het een echte plaag wordt.

Raadsel opgelost.

Annemiek Eggenhuizen

Advertenties


Een reactie plaatsen

De gemiste kansen van het Vleermuisprotocol

Het lijkt zo mooi, een wet die plant en dier beschermt tegen onze bouw- en slooplust. Maar we moeten ons er niet op blindstaren. Want daarmee vergeten we de bedoeling van de wet en verliezen we ons volledig in de regels, protocollen en procedures. Er zijn diverse praktijkvoorbeelden te geven waarbij een ontheffing regeltechnisch volledig klopt, maar ecologisch onzin is. Bovendien, de wet vormt slechts de bottom-line voor natuurbescherming, want een beperkt aantal soorten en gebieden is immers maar beschermd. Met de wettelijke bescherming met zijn regeltjes en protocollen alleen, boert de natuur gewoon verder achteruit. Een voorbeeld.

In Almere komen een aantal vleermuizen algemeen voor en enkele hebben verblijfplaatsen in spouwmuren en andere ruimten in en aan gebouwen. Alle vleermuizen zijn strikt beschermd en deze bescherming betreft slaapplekken, foerageergebieden en vliegroutes. De bescherming leidde tot de ontwikkeling van het Vleermuisprotocol door de brancheorganisatie Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging. Het Vleermuisprotocol beschrijft het onderzoek dat nodig is om de aanwezigheid van vleermuizen vast te stellen. Hiermee is een kwaliteitsstandaard ontwikkeld voor de lastige inventarisaties die nodig zijn voor vergunningverlening. Bij sloop of renovatie van op het oog geschikte gebouwen moet volgend het protocol, onderzoek gedaan moet worden naar winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen. Dit onderzoek beslaat vrijwel een geheel jaar.

Wat kan het onderzoek opleveren? Of de vleermuizen zitten er niet, of ze zitten er wel, zou je denken. Maar er is nog een derde smaak: het kan niet uitgesloten worden dat het pand door vleermuizen wordt bewoond. In de praktijk betekent dit dat in de meeste gevallen (van mogelijke bewoning tot zekere bewoning) rekening gehouden zal moeten worden met vleermuizen. Je bent een jaar verder en meestal zal dan toch een ontheffing moeten worden gevraagd en zullen beschermingsmaatregelen getroffen moeten worden. Dat kan slimmer.

Uit globale inventarisaties is per Almeers wijkdeel bekend welke soorten vleermuizen daar voorkomen en ruwweg hoe zij het gebied gebruiken. De inventarisaties hebben echter niet het (kostbare) detailniveau dat vereist wordt volgens het Vleermuisprotocol. Een pragmatischer benadering is om, uitgaande van de bekende en te verwachten soorten en ongeacht of het pand werkelijk door vleermuizen gebruikt wordt, altijd voorzieningen voor vleermuisbewoning te treffen. Het gerichte protocol-onderzoek is dan overbodig geworden. Deze pragmatische benadering is zowel voor de vleermuizen gunstig (er worden immers vaker beschermmaatregelen getroffen dan met de standaard portocolbenadering) en het is voor ontwikkelaars gunstig. Het scheelt tijd en onderzoekskosten, kosten die dan direct en met genoegen in beschermmaatregelen worden gestoken.

De pragmatische benadering is in lijn met de geest van de wet, want het bevorderd ‘de gunstige staat van instandhouding van de soorten’, een centraal begrip in de wet. Het bevoegd gezag (sinds 1-1-2017 is dat de provincie) is echter meestal huiverig en houdt liever vast aan de regeltjes. De ontheffing wordt alleen verleend als volgens het protocol onderzoek wordt gedaan. Een klassiek geval dus waarbij de regeltjes het winnen van de bedoelingen van de wet. En ik snap wel, nadeel van de pragmatische benadering is dat de inschatting van soort en aantal te laag kan uitpakken. Aangezien dit nadeel slechts sporadisch zal optreden, kan dit met gemak wegvallen tegen de positieve effecten. Wie is er dan met het protocol geholpen? De vleermuizen niet, maatregelen worden dan immers alleen maar getroffen als dat wettelijk verplicht is. De Groene Bureaus daarentegen die het onderzoek in opdracht kunnen uitvoeren, ja, die hebben er baat bij.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Windvogels

wilzwAls je door de polder rijdt kunnen ze je zelfs in het donker niet ontgaan: de windturbines in het strakke landschap. Ga op een willekeurig punt in de polder staan, draai 360 graden en je telt als snel 200 windmolens om je heen. Maar Flevoland is van oudsher ook een vogelrijke provincie. Bijt dat elkaar niet?

Inmiddels is uit onderzoek wel duidelijk dat windmolens op het land lang de gehaktmolens niet zijn, waar ze vaak voor gehouden worden. Er vliegen wel eens vogels tegenaan (gemiddeld 20-25 per jaar per turbine) maar die sterfte is een schijntje van het aantal slachtoffers dat onder vogels valt in het wegverkeer. Bovendien lopen algemene vogels meer risico dan zeldzame. Op de grote hoop van alle doodsoorzaken, is het doodvliegen tegen windturbines doorgaans dus een klein fenomeen. Er zijn wel een aantal situaties waarbij het aantal slachtoffers flink kan oplopen. In zeer (trek-)vogelrijke gebieden en in gebieden met weinig verlichting op de horizon, blijft het daardoor een slecht idee om molens te plaatsen.

Er zijn twee andere fenomenen die vogelbeschermers meer zorgen baren. Rustende vogels zitten niet graag op een plek waar ze door een onrustige horizon roofdieren niet snel opmerken. Een dergelijk rustgebied zal op den duur aan betekenis inboeten. Het andere is het verleggen van vliegpaden. Vogels vliegen niet graag tussen de turbines door en zullen er dus omheen of overheen gaan vliegen. Dit betekent voor de vogels een aanzienlijk energieverlies en kan ook leiden tot het niet meer gebruiken van gebieden die door de extra te leveren energie niet meer interessant zijn.

Vogels kunnen overigens ook wel wennen aan windturbines en de gewenning loopt sneller als de speelruimte voor de dieren beperkt is. Ze nemen dan kennelijk de onrust en extra energiekosten voor lief omdat het elders nog slechter toeven is. Het is dan ook niet ongebruikelijk om vogels tussen de turbines te zien (zie foto). Maar dergelijke waarnemingen maken het bovenstaande over negatieve effecten niet minder waar. Niet iedere soort zal even snel wennen aan de turbines, en het zijn vooral de plaatselijke vogels – de dieren die al langere tijd in de omgeving zitten – die de windturbines leren accepteren. Doortrekkers en wintergasten hebben er meer moeite mee.

Recent is ook aandacht ontstaan voor de risico’s die vleermuizen lopen. Die vliegen niet snel tegen een rotorblad aan, maar de sterke windwervelingen kunnen wel makkelijk de tere vleugels doen breken. Het onderzoek hiernaar is buitengewoon lastig omdat het vooral ’s nachts optreedt. Het zoeken naar slachtoffers in de vroege ochtend is haast ondoenlijk, omdat het doorgaans zeer kleine diertjes betreft die in het gras bijna onvindbaar zijn. Een vos vindt ze met zijn scherpe neus veel sneller en zal de diertjes opruimen, voordat een onderzoeker hem kan vinden. Wel kan men vlieghoogten van vleermuizen bepalen door de vleermuisroepjes registreren die op verschillende hoogten ten opzichte van het maaiveld worden geproduceerd. Daartoe worden recorders (Bat-detectors) aan ballonnen opgelaten en later uitgelezen. Op basis van vlieghoogten kunnen dan wel schattingen worden gemaakt van het aantal potentiële slachtoffers.

Windenergie levert natuurlijk ook milieuwinst op, die plus mag niet worden vergeten. De natuurbescherming is dan ook voorstander van deze vorm van duurzame energie, maar er moet wel goed worden nagedacht over de locaties waar je de turbines gaat neerzetten.


Een reactie plaatsen

Eng?

Met een gewicht van 4 tot 8 gram en een lengte van 50 mm – ze passen in een luciferdoosje! – is het één van de kleinste Europese zoogdieren, maar toch vinden vele mensen het maar een eng beest: de dwergvleermuis. En het is maar goed dat veel mensen zich niet bewust zijn van het feit dat ze zelf onderdak bieden aan deze fladderaar.

De dwergvleermuis is de soort die het meest profiteert van menselijke bebouwing. Ze gebruiken kleine kiertjes (stootvoegen) tussen stenen om in de spouwmuur of achter dakbeschot te komen waar ze in grote groepen van wel tientallen tot honderden dieren kunnen slapen. Dwergvleertjes jagen op insecten in de stad want ze storen zich weinig aan straatverlichting en geluid. Sterker nog, de insecten die rond de lantaarns zwermen, worden ook graag opgepeuzeld.

Zelden weet de eigenaar van het huis dat ze een grote kolonie vleermuizen in de spouw hebben zitten. Je merkt er dan ook nauwelijks méér van, dan dat je ze al vroeg in de schemer in de tuin ziet fladderen. Er zijn bij vleermuisonderzoekers kolonies bekend in de honderdtallen, die er al jaren zitten zonder dat de bewoners er iets van meekrijgen. De onderzoekers staan ook vaak voor een dilemma: vertel ik het aan de bewoners met het risico dat de diertjes illegaal worden verjaagd, of vertel ik het niet met het risico dat bij spouwisolatie of renovatie ongewild de kolonie wordt vernietigd.

Zoals zo vaak, lijdt de mens het meest door het lijden dat hij vreest. Als je zegt dat ze vleermuizen in de spouw hebben zitten, vreest men direct geluid- en stankoverlast. Of ze denken dat ze ziekten overbrengen of expres in je haar gaan vliegen. Allemaal ongegronde angst, dat blijkt wel uit het voorgaande over de ongemerkte inwoning. Sterker nog, samen met andere insecteneters zorgen ze voor een beter evenwicht in de natuur en een afname van overlast door insecten. We moeten dus blij zijn met deze dieren.

Alle vleermuizen zijn streng beschermd. Het is verboden om ze te vangen, te doden en hun verblijfplaatsen te vernietigen. Eigenlijk is die strenge bescherming best wel vreemd voor zo een algemene en aan de mens aangepaste diersoort als de dwergvleermuis. En die bescherming zou – vanwege de nuttige functie die ze vervullen – ook eigenlijk niet nodig moeten zijn. De strenge wetgeving is af en toe ook wel star. Werkzaamheden waar vleermuisverblijven schade op dreigen te lopen, worden omgeven met een woud aan compenserende maatregelen. Dit leidt op den duur tot situaties waarbij liever wordt voorkómen dat vleermuizen zich ergens gaan vestigen. In plaats van ruimte bieden, beperken we dus de leefmogelijkheden voor de dieren. Dat is natuurlijk eeuwig zonde. Daarom wordt nu samen met het ministerie gedacht over een andere manier van omgang met vleermuizen in Almere. Het zou mooi zijn als we op voorhand kunnen garanderen dat we een gezonde populatie vleermuizen in de stad hebben, door allerlei positieve maatregelen. Die positieve maatregelen zouden het mogelijk moeten maken om af en toe ook een verblijfplaats te mogen weghalen. Zolang dat maar netjes gebeurt, zouden de vleermuizen kunnen profiteren van deze aanpak.