Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


Een reactie plaatsen

Geen klapkont maar moederkoren

20160713_202649Klapstoel, tafeltje, vogelringspullen, we zitten weer in de Ecozone Pampus voor ons oeverzwaluwonderzoek. Twee weken terug vond ik hier een klapkont-vlieg. Omdat het even rustig is, gaat mijn zoon ook op zoek in de grassprieten. Hij vindt geen klapkont, maar wel een andere schimmel waarbij vliegen een rol spelen.

Uit een grasaar steekt een zwartgrijze doorn. Het is een vergroeid graszaadje en de boosdoener is moederkoren. Lager in de aar zitten enkele kleinere helder oranje klontjes. Moederkoren is een beduchte schimmelinfectie van granen (met name rogge) die gelukkig niet veel meer voorkomt. De schimmel is niet beducht omdat hij de oogst teniet doet. Als een moederkoren met het graan is mee gemalen werkt het brood hallucinerend. Voordat mensen op zoek gaan naar het moederkoren wel even een waarschuwing: het blijft namelijk niet bij een trip.

Het verantwoordelijk stofje uit het moederkoren (ergotamine) leidt tot de ziekte ergotisme. Naast de hallucinatie zorgt het voor bloedvatverkramping en dat levert weer slechte doorbloeding op en uiteindelijk afsterven van ledematen (gangreen). Ook braken, buikpijn en helse branderige jeuk behoren tot het palet aan symptomen. Bij afstervende ledematen horen ook mannelijke genitaliën en de bloedvatkrampen kunnen tot abortus leiden. Het gaf in de middeleeuwen voeding aan het geloof dat moederkoren een “gesel Gods was voor de vleselijke ondeugd”. Bovendien werden lijders aan de hallucinaties in de middeleeuwen al snel aangezien voor heksen. Er blijkt een overeenkomt tussen het aantal heksenprocessen en streken waar moederkoren goed kan gedijen.

Moederkoren komt – naast allerlei wilde grassen – voor op rogge en steekt vooral bij vochtig en koel weer op. Gelukkig is onze rogge-consumptie beperkt en is door gewasbescherming toevallige besmetting nagenoeg uitgesloten. Genezing (o.a. door amputatie van de besmette ledematen) werd in vroeger tijden uitgevoerd door de Antonius-broeders, wat weer de naam Sint-Antoniusvuur voor de ziekte verklaart. Ook werd het moederkoren (omen est nomen) ingezet om abortussen te provoceren en om bloedingen na geboorte te stoppen. Gezien de bijwerkingen, een risicovolle behandeling.

Goed, en nu de biologie. De natuurlijke bevruchting van grassen vindt plaats doordat het zeer lichte stuifmeel (pollen) door de uitsteeksels van stampers wordt opgevangen. Die bevruchting verloopt bij koel en vochtig weer traag, waardoor de stampers langer vatbaar zijn voor besmetting met de schimmelsporen van moederkoren. De schimmelspore wordt geproduceerd door oranje vruchtlichamen (“paddenstoeltjes”) die in het voorjaar uit het op de grond liggende moederkoren groeien. Na besmetting vergroeit het graszaad eerst tot een oranje en suikers afscheidend klontje. Vliegen komen op de suikers af en nemen zo ongewild de schimmel mee naar een volgende grasspriet. Net als bij “klapkont” laten de vliegen zich dus ook door deze schimmel lenen voor een effectieve tweede manier van verspreiding.

Ton Eggenhuizen


3 reacties

Goudmijntje in Almere

20150609022923Het zijn in de plantenwereld de dagen van overvloed, alles loopt uit aangejaagd door toenemende temperatuur en langere dagen. Als de zomer straks op zijn hoogtepunt is, is de natuur al op zijn retour. Temperaturen nemen nog verder toe en droogte ligt op de loer. Zo ver is het nu echter nog niet. Nu is alles fris en groen en de natuur toont zich in haar opperste weelde.

Dat valt ook een heel leger aan bladvretertjes op. Die bladvretertjes zijn in te delen in soorten die de boel van buitenaf kaalvreten en soorten die het wat subtieler van binnenuit doen. Deze subtiele knagers vormen blaasjes en gangen onder het oppervlak van het dunne blad. Deze gangen en blazen worden mijnen genoemd en de veroorzakers heten bladmineerders. Ze vreten zich een weg door het meest voedselrijke deel van het blad, tussen de vaak taaiere opperhuid aan de boven- en onderzijde.

De groep van bladmineerders is een indeling op basis van het vraatpatroon, niet op basis van de biologische taxonomie. Zo zijn er wespen en vliegen (en soms kevers) waarvan de larven als bladmineerders optreden, maar ook (micro-)nachtvlinders. Een stelregel (met uitzonderingen) is dat de nachtvlinders vooral op struiken en bomen mineren en de wespen en vliegen vooral op kruidachtige planten. De mineerders zijn op naam te brengen op grond van de vorm van de mijn en larve enerzijds en de plantensoort waar zij inzitten anderzijds.

Er is een sterke relatie tussen plantensoorten en mineersoorten hoewel sommige mineerders ook op meerdere plantsoorten worden aangetroffen. Deze sterke relatie wordt aangejaagd door een chemische oorlogsvoering. De plant probeert de aanval te pareren door gifstoffen aan te maken. De aanvaller past zich aan door resistentie tegen de gifstof te ontwikkelen. De plant gaat vervolgens weer nieuwe stofjes aanmaken, waartegen de aanvaller zich ook weer weet te verweren. Soms voert deze wapenwedloop zo ver dat een plantensoort nog maar één enkele belager heeft.

Het zijn vaak de slechtere exemplaren van een plant, of de zwakkere onderdelen, die vatbaar zijn voor mineerders. Mijntjes zijn vaker aan te treffen op de onderste bladeren van een kruid, terwijl op bomen deze mijnen vooral op de niet door zon beschenen bladeren voorkomt. Planten en bomen die qua bodem, vocht of zonlicht niet op een optimale plek staan, worden ook vaak door mineerders bezocht. Dat is ook vaak in de tuin te zien. Tenminste, die tuintjes die nog wel enigszins groen zijn.

Ton Eggenhuizen