Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


Een reactie plaatsen

Een pijnlijke gebeurtenis

Na mijn werk nog even bij de supermarkt langs voor wat boodschappen. Op de groente- en fruitafdeling voel ik ineens een scherpe pijn in mijn arm en blijkt dat ik door een insect in mijn arm ben gestoken. Kennelijk heeft het insect op mijn arm in de knel gezeten en is ie kwaad geworden. Ik wil ‘m niet kwaaier maken dan ie al is en begin dan ook niet te slaan, maar schud met mijn arm heen en weer in de hoop dat ie op zoek gaat naar een rustiger plekje. In mijn schrik vergeet ik wel te kijken welk beestje de dader is. Wat ik wel zie is de angel die achter blijft in mijn arm. En bovenop de angel zie ik een pulserend blaasje, de gifklier! Snelle actie om deze te verwijderen is gewenst! Het achterlaten van de angel gebeurt alleen bij sociale bijen en hommels. Die verwacht je niet in de supermarkt, die komen namelijk niet op fruit af zoals wespen dat wel doen. Maar deze supermarkt verkoopt ook bloemen en eenmaal binnen is het lastig om de uitgang weer te vinden. Als het dier zich na de steek los probeert te trekken scheurt de angel met de gifblaas los van het achterlijf. Dit betekent meteen het einde van haar leven.

Veel mensen denken bij bijen en wespen direct aan de pijnlijke steek. Van de honderden soorten die in Nederland voorkomen is alleen een handje vol dat kan steken. Het zijn ook juist die soorten die grote volken bouwen. Deze sociale bijen, hommels en wespen hebben daarmee ook wat te verdedigen. Er is een duidelijk verschil tussen wespen enerzijds en hommels en de honingbij anderzijds. Wespen laten hun angels niet achter en kunnen daardoor meerdere keren steken. Sociale bijen en hommels steken alleen als ze zich bedreigd voelen en omdat de steek direct leidt tot verlies van angel en gifklier vertonen ze geen agressief gedrag zoals wespen. De angel dient ter verdediging van hun kolonie en is in feite een aangepaste legboor. Daar kan zij zich niet meer mee voortplanten, ze kan alleen steken. Een deel van het volk bestaat dus uit vrouwtjes die zich met hun angel volledig ten dienste stellen van dit volk. Naast de zogenaamde sociale bijen en wespen zijn er ook solitaire soorten. Deze bijen en wespen leven niet in een kolonie, maar alleen. Ieder vrouwtje heeft een legboor en maakt een nestje, ze verzamelt stuifmeel dat rijk is aan eiwitten of vangt een rups en legt daar een eitje op. De larve uit het eitje leeft van de aangelegd voedselvoorraad. De larve verpopt en uit de pop komt een nieuwe bij of wesp. Deze soorten leven niet in een kolonie en zullen dus niet steken. Zandbijen leven in de grond, maar anderen zoals metselbijen maken vaak gebruik van insectenhotels. Omdat ze niet zo snel steken kun je dus makkelijk deze dieren van dichtbij bekijken. De insectenhotels geven ook geen overlast voor menselijke bewoners in de buurt van de hotels. Deze wilde bijen bestuiven heel wat planten en zijn dus erg nuttig.

Annemiek Eggenhuizen

Advertenties


Een reactie plaatsen

Wespenplaag!

20150901015939Het is een mooie nazomermiddag. Even verderop op de ligweide wordt een meisje door een wesp gestoken. Haar geschrokken vriendin zegt dat het er dit jaar ook erg veel zijn, “Op de televisie zeiden ze ook al dat er een wespenplaag is”. Als iemand zegt dat er dit jaar veel meer wespen zijn, vraag ik me direct af hoe zo een constatering tot stand komt. Gedegen monitoringonderzoek? Klopt het dat er dit jaar, in vergelijking met voorgaande jaren, werkelijk meer wespen zijn? Of zijn er ook andere factoren die bijdragen aan de wespen-constatering?

In de eerste plaats wordt zo een constatering zelden ondersteund door een goed inventariserend onderzoek. Meestal wordt afgegaan op de herinnering: “zo veel heb ik er de laatste jaren nog nooit gezien”. Dat is natuurlijk geen onomstotelijk bewijs. Wie durft met droge ogen te beweren dat hij nog een gedegen beeld heeft van het aantal wespen dat hij of zij een jaar geleden heeft gezien? Bovendien, die constatering kan door allerlei factoren worden beïnvloed. Om maar een paar te noemen: een wespensteek zal bijdragen aan het idee dat het er veel zijn. Maar ook als het net op een vrije dag lekker warm weer is, is de kans groter dat je wespen ziet. De omstandigheden dragen flink bij aan de kans om wespen te zien. En natuurlijk helpen de media ook. Een item op de TV van een wespenzwerm die een banketbakker in de Lutte teistert gaat makkelijk “viral”. Zo kan één wespennest dat toevallig net naast een bakker in Twente zit via de media iedereen op het idee brengen dat er sprake is van een nationale wespenplaag.

Verder helpt het ook dat wespen altijd wel behoorlijk algemeen zijn. Bovendien hebben we collectief angst voor deze insecten. Dus, je ziet een paar wespen, je vertelt over het TV-item met de Luttense banketbakker, en je toehoorders zullen bij de eerstvolgende wesp het verhaal van de landelijke plaag doorvertellen.

Ik ken maar weinig goed inventariserend wespenonderzoek. Alleen roofvogelonderzoekers als Rob Bijlsma hebben betrouwbare cijfers. Omdat zij de wespendief willen begrijpen, een roofvogel die voor zijn voedsel voor een belangrijk deel afhankelijk is van wespennesten, is ook begrip van de voedselsituatie nodig. Dus zoeken zijn volgens een gestandaardiseerde wijze gebieden af en karteren de wespennesten. Niet zelden worden zij verrast door de media-aandacht voor wespenplagen. Uit hun gegevens blijkt dan helemaal niet dat er dat jaar veel nesten zijn.

Bovendien zijn dat twee verschillende grootheden. Een aantal wespennesten in een bepaald gebied heeft geen één-op-één relatie met de ervaren overlast. Goed terras-weer heeft vermoedelijk een sterkere relatie. Ik ben er nog niet achter waarom we het verhaal van een wespenplaag kennelijk nodig hebben. Willen we onze eigen angst aanwakkeren? Snakken we naar horrorverhalen? Voer voor psychologen. Gelukkig heb ik meer verstand van ecologie…

Ton Eggenhuizen


3 reacties

Goudmijntje in Almere

20150609022923Het zijn in de plantenwereld de dagen van overvloed, alles loopt uit aangejaagd door toenemende temperatuur en langere dagen. Als de zomer straks op zijn hoogtepunt is, is de natuur al op zijn retour. Temperaturen nemen nog verder toe en droogte ligt op de loer. Zo ver is het nu echter nog niet. Nu is alles fris en groen en de natuur toont zich in haar opperste weelde.

Dat valt ook een heel leger aan bladvretertjes op. Die bladvretertjes zijn in te delen in soorten die de boel van buitenaf kaalvreten en soorten die het wat subtieler van binnenuit doen. Deze subtiele knagers vormen blaasjes en gangen onder het oppervlak van het dunne blad. Deze gangen en blazen worden mijnen genoemd en de veroorzakers heten bladmineerders. Ze vreten zich een weg door het meest voedselrijke deel van het blad, tussen de vaak taaiere opperhuid aan de boven- en onderzijde.

De groep van bladmineerders is een indeling op basis van het vraatpatroon, niet op basis van de biologische taxonomie. Zo zijn er wespen en vliegen (en soms kevers) waarvan de larven als bladmineerders optreden, maar ook (micro-)nachtvlinders. Een stelregel (met uitzonderingen) is dat de nachtvlinders vooral op struiken en bomen mineren en de wespen en vliegen vooral op kruidachtige planten. De mineerders zijn op naam te brengen op grond van de vorm van de mijn en larve enerzijds en de plantensoort waar zij inzitten anderzijds.

Er is een sterke relatie tussen plantensoorten en mineersoorten hoewel sommige mineerders ook op meerdere plantsoorten worden aangetroffen. Deze sterke relatie wordt aangejaagd door een chemische oorlogsvoering. De plant probeert de aanval te pareren door gifstoffen aan te maken. De aanvaller past zich aan door resistentie tegen de gifstof te ontwikkelen. De plant gaat vervolgens weer nieuwe stofjes aanmaken, waartegen de aanvaller zich ook weer weet te verweren. Soms voert deze wapenwedloop zo ver dat een plantensoort nog maar één enkele belager heeft.

Het zijn vaak de slechtere exemplaren van een plant, of de zwakkere onderdelen, die vatbaar zijn voor mineerders. Mijntjes zijn vaker aan te treffen op de onderste bladeren van een kruid, terwijl op bomen deze mijnen vooral op de niet door zon beschenen bladeren voorkomt. Planten en bomen die qua bodem, vocht of zonlicht niet op een optimale plek staan, worden ook vaak door mineerders bezocht. Dat is ook vaak in de tuin te zien. Tenminste, die tuintjes die nog wel enigszins groen zijn.

Ton Eggenhuizen