Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


Een reactie plaatsen

Windvogels

wilzwAls je door de polder rijdt kunnen ze je zelfs in het donker niet ontgaan: de windturbines in het strakke landschap. Ga op een willekeurig punt in de polder staan, draai 360 graden en je telt als snel 200 windmolens om je heen. Maar Flevoland is van oudsher ook een vogelrijke provincie. Bijt dat elkaar niet?

Inmiddels is uit onderzoek wel duidelijk dat windmolens op het land lang de gehaktmolens niet zijn, waar ze vaak voor gehouden worden. Er vliegen wel eens vogels tegenaan (gemiddeld 20-25 per jaar per turbine) maar die sterfte is een schijntje van het aantal slachtoffers dat onder vogels valt in het wegverkeer. Bovendien lopen algemene vogels meer risico dan zeldzame. Op de grote hoop van alle doodsoorzaken, is het doodvliegen tegen windturbines doorgaans dus een klein fenomeen. Er zijn wel een aantal situaties waarbij het aantal slachtoffers flink kan oplopen. In zeer (trek-)vogelrijke gebieden en in gebieden met weinig verlichting op de horizon, blijft het daardoor een slecht idee om molens te plaatsen.

Er zijn twee andere fenomenen die vogelbeschermers meer zorgen baren. Rustende vogels zitten niet graag op een plek waar ze door een onrustige horizon roofdieren niet snel opmerken. Een dergelijk rustgebied zal op den duur aan betekenis inboeten. Het andere is het verleggen van vliegpaden. Vogels vliegen niet graag tussen de turbines door en zullen er dus omheen of overheen gaan vliegen. Dit betekent voor de vogels een aanzienlijk energieverlies en kan ook leiden tot het niet meer gebruiken van gebieden die door de extra te leveren energie niet meer interessant zijn.

Vogels kunnen overigens ook wel wennen aan windturbines en de gewenning loopt sneller als de speelruimte voor de dieren beperkt is. Ze nemen dan kennelijk de onrust en extra energiekosten voor lief omdat het elders nog slechter toeven is. Het is dan ook niet ongebruikelijk om vogels tussen de turbines te zien (zie foto). Maar dergelijke waarnemingen maken het bovenstaande over negatieve effecten niet minder waar. Niet iedere soort zal even snel wennen aan de turbines, en het zijn vooral de plaatselijke vogels – de dieren die al langere tijd in de omgeving zitten – die de windturbines leren accepteren. Doortrekkers en wintergasten hebben er meer moeite mee.

Recent is ook aandacht ontstaan voor de risico’s die vleermuizen lopen. Die vliegen niet snel tegen een rotorblad aan, maar de sterke windwervelingen kunnen wel makkelijk de tere vleugels doen breken. Het onderzoek hiernaar is buitengewoon lastig omdat het vooral ’s nachts optreedt. Het zoeken naar slachtoffers in de vroege ochtend is haast ondoenlijk, omdat het doorgaans zeer kleine diertjes betreft die in het gras bijna onvindbaar zijn. Een vos vindt ze met zijn scherpe neus veel sneller en zal de diertjes opruimen, voordat een onderzoeker hem kan vinden. Wel kan men vlieghoogten van vleermuizen bepalen door de vleermuisroepjes registreren die op verschillende hoogten ten opzichte van het maaiveld worden geproduceerd. Daartoe worden recorders (Bat-detectors) aan ballonnen opgelaten en later uitgelezen. Op basis van vlieghoogten kunnen dan wel schattingen worden gemaakt van het aantal potentiële slachtoffers.

Windenergie levert natuurlijk ook milieuwinst op, die plus mag niet worden vergeten. De natuurbescherming is dan ook voorstander van deze vorm van duurzame energie, maar er moet wel goed worden nagedacht over de locaties waar je de turbines gaat neerzetten.