Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


1 reactie

Lessen uit de natuur

De Japanse makaak is een intensief bestudeerde apensoort. Veel onderzoek is gedaan naar de hiërarchische structuur van een grote groep makaken op een eiland.

Op een gegeven moment zagen de onderzoekers een vrouwtje gedrag vertonen wat zij nog nooit eerder hadden gezien en wat nog niet in de boeken beschreven stond. Zinvol gedrag, zelfs. Het makaakvrouwtje had uitgevogeld dat fruit wat op het strand lag, in het zeewater kon worden afgespoeld. Ze had geen zand meer in haar bek wat op termijn ook wel minder gebitsslijtage zou opleveren. De onderzoekers waren benieuwd of groepsgenoten het gedrag zouden na-apen. En wie vooral.

Eerst waren het haar eigen kinderen. Dat was vrij logisch. Maar ook niet verwante dieren gingen van lieverlee het fruit eerst afspoelen. Het gedrag verspreide zich steeds sneller. Maar niet iedere aap nam het slimme gedrag over. Op dat moment kwam het uitgebreide onderzoek naar de hiërarchie binnen de apengroep van pas. Het bleek dat alle na-apers een gelijke of lagere positie op de ladder hadden. Dieren hoger op de ladder waren niet geneigd het gedrag over te nemen.

Het na-apen van een dier dat lager op de hiërarchische ladder zit, heeft een risico. Als andere dieren dat zien, kan het als teken van zwakte worden ervaren. Carrièremakers zullen hun kans groot zien om ten koste van de na-aper de ladder te beklimmen. Kopiëren van gedrag van een lager geplaatst dier kan je dus wat treden op die hiërarchie-ladder kosten. Ondanks het feit dat het te kopiëren gedrag profijtelijk was, waren de top-apen niet van zins het te adopteren.

Mensen zijn ook apen. Het wekt dan ook geen verbazing dat het hierboven gedrag soms ook bij mensen is te zien. Maar let wel, wij zijn vooral denkende apen. Echt slimme mensen weten zich aan hun “aap-zijn” meestal wel te onttrekken. De vergelijking met apen gaat gelukkig lang niet altijd op. Ondanks dat, soms schieten mensen dus wel in die apenreflex. En het is voor mensen die het makakenverhaal kennen, zoals nu ook “lezer dezes”, zeer vermakelijk om mensen in die reflex bezig te zien.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Stukken uit de Grauwe Gans

In 2019 zijn een aantal stukken geschreven over de Vogelatlas van SOVON en een stuk over de ringvangsten van de Cetti’s Zanger. Als bijlage zijn deze stukken hier nu ook te lezen:

Eerste stuk over Vogelatlas

Tweede stuk over Vogelatlas

Derde stuk over Vogelatlas

Stuk over vangsten Cetti’s Zanger


Een reactie plaatsen

Het zwanenmeer

Een spierwitte kont steekt uit het water en ernaast peddelen twee zwartgrijze zwanenpoten. Met een lokale bodemdiepte van twee meter zal deze knobbelzwaan met zijn snavel niet in de bodem wroeten. De vogel graast de toppen uit de waterplanten. Als de vogel weer boven komt, zie ik inderdaad de resten van vers geplukt fonteinkruid uit de snavel hangen. Het is dezelfde plant die later in het jaar op deze grote plas tot gemopper en geklaag zal leiden aan dek van de plezierbootjes.

Deze waterplant is in Nederland terug van weggeweest maar is vanwege de korte Almeerse historie een nieuwkomer op het Weerwater. Deze plas is sinds de aanleg troebel geweest met veel algen. De laatste jaren ontstond ook regelmatig de giftig stinkende blauwalgenbloei met de afsluiting van zwemstrandjes tot gevolg. De spectaculaire verbetering van de waterkwaliteit drong de algenbloei terug, verbeterde vervolgens het doorzicht en dat was weer koren op de molen voor de waterplanten. Voor watersporters die klagen over de waterplanten is het goed om ook het alternatief onder ogen te zien, het is óf een heldere natuurlijke groentesoep, of een stinkende giftige erwtensoep.

Voor de watersporters zijn de waterplanten vretende zwanen de natuurlijke bondgenoten. Waterplanten zijn voor de zwanen namelijk niet zomaar een snackje. Dat begint in de winter al. In de ondiepe delen van het meer wordt flink huisgehouden onder de wortelstokken. Deze wortels zijn rijk aan voedingsstoffen en daarmee een geliefde voedingsbron. Zwanen en andere vogels kunnen met gemak twee-derde van alle wortels oppeuzelen. Als de dichtheid van deze wortels flink is afgenomen, gaan de zwanen pas de graslanden op om daar te grazen. De overgebleven wortels groeien in het voorjaar wel weer uit en dan zijn het vooral de jonge groeischeuten die geliefd zijn. En ook daar hebben de vogels een flinke invloed op de groei. De dagelijkse voedselbehoefte van een zwaan is ruim drie kilo waterplanten. In de rui, als de vogels voor de veergroei nog meer energie nodig hebben, loopt de behoefte op tot een slordige vier kilo per dag. Een flinke groep zwanen kan vijf-zesde deel van het oppervlak aan waterplanten weg grazen. Zwanen zijn dus de grote grazers van de recreatieplassen.

Veel mensen in de stad zullen echter denken dat brood, of het nu knipwit, viergranen, casino of turks is, het leeuwendeel van het voedsel uitmaakt. Maar zelfs op plekken waar veel brood gestrooid wordt, vormt dat maar een bijgerecht. De plantsoentjes in de buurt worden namelijk ook luiskaal begraasd.

Dan het voeren met brood. Brood zou slecht voor zwanen en andere watervogels zijn, maar het succes van stadse zwanen valt moeilijk te rijmen met een slecht voedingspatroon. Maar het gaat er natuurlijk wel om hoeveel brood wordt aangeboden. Overdaad schaadt. Het is natuurlijk bevredigend om dieren te helpen, maar als er te veel gevoerd wordt kunnen ook weer problemen ontstaan.

Een voorbeeld. Met het voeren van zwanen ontstond bij het Weerwater een bijzonder treintje van oorzaken en gevolgen dat voor stadhuiselijke hoofdbrekens zorgde. Bovenmatig zwanen voeren leidde tot de vrees voor rattenoverlast. Bovendien kwam een flink deel van de zwanenpoep rijk aan bacteriën op het strand. Geen fijne plek om kleine kinderen zandkastelen te laten bouwen. Verzoek om te stoppen met het voeren bleek gericht aan dovenmansoren. De zwanen werden vervolgens met dranghekken van het strand geweerd. Daarmee verloor de plek inderdaad aan aantrekkingskracht. Maar het strand was ook de uitvalsbasis voor de zwanen om de waterplanten flink onder handen te nemen. De fonteinkruiden werden minder in hun groei belemmerd, dat leverde meer klachten van watersporters en meer kosten om machinaal de waterplanten te maaien.

En de knobbelzwanen? Die steken de kop onder het water en grazen. Per zwaan vier kilo waterplanten. Per dag.


1 reactie

Tureluur weg

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: de tureluur heeft volgens mij nooit aan de tureluurweg gebroed. De naam van deze Almeerse weg is dus geen ironische verwijzing naar het verleden. Hier geen woonwijk op een terrein dat ooit een goed weidevogelgebied was en waar Tureluur-weg, Grutto-weg, kemphaan-weg een wrange waarheid als een koe is.

En ik kan het weten. Ik kom hier als vogelaar al vele jaren. Veertig jaar geleden ontdekte ik het gebied. Dikwijls was ik er alleen, alleen met de horizon. Oneindige steppen met ontginningslandbouw, in de winter stoppelvelden met duizenden vinken, spectaculaire aantallen roofvogels, hermelijnen en vossen, grote aantallen patrijzen. De zomerse luzerne- en koolzaadakkers zaten vol met broedende gele kwikstaarten, velduilen en bruine kiekendieven. Die rijkdom was goed verklaarbaar. De nieuwe zeer voedselrijke bodem leverde zaadrijke pioniervegetatie en de ontginningslandbouw was nog niet productgedreven. Veel zaad en granen zorgden voor veel muizen en vinken, die op hun beurt weer velduilen, sperwers en ruigpootbuizerds aantrokken.

Rond de eeuwwisseling was er van die pionierrijkdom weinig meer over. De vogelrijke steppe werd een “rationeel agrarisch productielandschap”. En daarnaast, de rijke jonge bosaanplant met onkruiden werden bosplantages met jonge bomen. En dat is niet bepaald het meest biodiverse bostype. De aantallen overwinterde buizerds decimeerden, ruigpootbuizerd, velduil en patrijs verdwenen zelfs volledig. Mijn interesse voor het gebied hield gelijke tred met die natuurwaarden.

Een zevental jaar geleden bezocht ik het gebied weer intensief voor het landsdekkende vogeltelprogramma van SOVON dat heeft geleid tot de nieuwe Vogelatlas van Nederland. De agrarische gebieden van Zuidelijk Flevoland vertoonden voor alle vogels van het open veld nog steeds een mager beeld. De bossen daarentegen zijn inmiddels uit die arme stakenfase en nergens in West-Europa tref je zulke hoge dichtheden aan zanglijsters, zwartkoppen en wielewalen als in deze loofbossen op voedselrijke grond.

De grootste veranderingen voltrokken zich echter in de ontwikkelgebieden van het Oosterwold. De opzet van dit gebied is een volstrekte landschapsrevolutie. Geen groene raaigrasweiden en onmetelijke percelen suikerbiet meer, maar woonpercelen met veel groen en blauw. Veel ecologische initiatieven. Een paar keer was ik met wat vrienden te gast bij het Paradijsvogelbosje om de nachtvlinders te onderzoeken. De zwamboorder, het glad beertje en het tweekleurig knoopvlekje werden vastgesteld samen met tientalen andere soorten nachtvlinders. Soorten die nooit eerder in dit gebied – en soms zelfs nog niet eerder in Flevoland – waren aangetroffen. Ik ben van nature behoudend van aard, maar de verandering in dit gebied zijn wel fenomenaal. Opnieuw een gebied om te koesteren.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Schollevaar in de koude morgen

De oosterhemel kleurt van oranjerood naar lichtblauw. Nog even en de zon klimt boven de horizon op deze koude decemberochtend. De telefoonmast naast het zwembad in Almere stad steekt scherp af tegen het ochtendlicht. Bovenop de mast: een aantal zwarte silhouetten. Aalscholvers. Die zitten niet alleen te rusten, de vleugelbewegingen en het hese geluid maakt duidelijk dat de vogels naar elkaar zitten te baltsen. De winter moet nog beginnen maar deze vogels hebben het voorjaar al in de bol.

Ja, voor de aalscholver begint het voorjaar al midden in de winter. Het verenpakkie kleurt vaak al in november naar het “bruidskleed”. De kopveren worden wit en op de dijen verschijnt een helder witte vlek van veren. De naakte delen rond de snavel kleuren geel en oranje. Ze lokken een partner en houden rivalen op afstand met het maken van krorrende gruntende geluiden. De staart ietwat opgewipt, de vleugels laag waarbij de vleugelpunt precies voor de witte dijvlek valt. Door de vleugels te bewegen wordt de dijvlek als een reflector ritmisch getoond. Aan-uit-aan-uit-aan-uit. Onweerstaanbaar voor de goede verstaander.

De eerste eieren worden soms al eind januari gelegd. Als dan alsnog de winter invalt is het een opgaaf om in die kou de eieren warm te houden. Veel broedsels gaan dan toch verloren. Dat is op zich geen probleem, er is nog een lange periode waarin een tweede of zelfs derde broedsel kan worden begonnen. Onder de aalscholvers zien we deze vroege starters maar ook treuzelaars. Verschillende broedstrategieën die onder verschillende omstandigheden verschillende uitkomsten hebben. Aalscholvers doen aan risicospreiding. Het broedseizoen is dan ook erg lang voor de aalscholver, een kenmerk dat ze delen met de andere soorten van de pelikanenfamilie.

Gaan de zwembad-aalscholvers daar broeden? Dat lijkt me niet waarschijnlijk. De kolonies liggen in het Naardermeer, de Lepelaarplassen en de Oostvaardersplassen. Er rusten en baltsen wel vaker aalscholvers op de zend- en hoogspanningsmasten in en rond Almere en tot nu toe heeft dat niet tot een broedgeval geleid. Onmogelijk is het niet, wel ietwat onwaarschijnlijk. De vogels broeden het liefst in ondoordringbare moerassen waar zij zich veilig wanen tegen predatoren en kwaadwillende lieden. De vogels verlaten straks hun zitstek, gaan in de vaarten en op de plassen van Almere jagen en vertrekken straks met volle maag naar de kolonies. Broedstekkie veiligstellen, nest verder opkalefateren, baltsen en wachten op het “voorjaar”.

Ton Eggenhuizen


1 reactie

Red de bij!

De media staat bol van de aandacht voor de bijensterfte. De urgentie is hoog en bij velen nu ook bekend. Menigeen wil zijn steentje bijdragen aan het keren van het tij, hartstikke mooi natuurlijk. Alleen jammer dat vaak naar de verkeerde maatregel wordt gegrepen. Met het plaatsen van bijenkasten doe je niet veel aan het terugdringen van het probleem.

Voor de goede orde, in het kader van de bijensterfte zal je aan andere knoppen moeten draaien. De bijensterfte waar de media het over heeft, gaat niet over de honingbij maar over de wilde bijen waarvan er zo een 350-380 verschillende soorten van in Nederland leven. Juist onder die soorten vallen de grote klappen en dat heeft tal van oorzaken. Voor een deel gaat het dan om zaken waar honingbijen ook onder te lijden hebben zoals gewasbeschermingsmiddelen, eenzijdig aanbod van nectar- en stuifmeelproducenten of een te kort bloeiseizoen doordat bij beplanting daar geen rekening mee wordt gehouden. Om de negatieve effecten van die laatste twee te voorkomen kan een imker dan de kasten verplaatsen naar een andere geschikte plek, desnoods naar de andere kant van het land, maar die wilde bijen kunnen niet zomaar verkassen.

Voor die wilde bijen is het dus ook belangrijk om een lange periode van bloeiende planten te hebben. In het vroege voorjaar zijn wilgen bijvoorbeeld erg belangrijk omdat ze veel stuifmeel aanbieden. In het voorjaar bloeiende struiken langs de zuidkant van een bosperceel, levert snel een warm plekje op met een hoop voedsel. Een bloemenweide waar niet alles steeds wordt weggemaaid, een zaaimengel waar rekening gehouden is met een langbloeiseizoen. Het zijn allemaal maatregelen waar wilde én honingbijen van profiteren. Verder speelt bij de wilde bijen ook dat de voortplantings- en overwinteringsmogelijkheden afnemen door ons te aangeharkt landje. Ook die aspecten spelen bij honingbij veel minder omdat de imker daar juist de bijenkast voor aanbiedt. Voor wilde bijen zijn bijenhotels in zwang, maar bedenk dat we daarmee maar een beperkt aantal soorten helpen. Gelukkig zijn er ook nog andere maatregelen voor wilde bijen denkbaar (een bijenbank bijvoorbeeld, ruigtehoekjes, grasbetontegels in plaats van een gesloten trottoir).

Kortom, voor de honingbij is het voldoende om de voedselsituatie op pijl te brengen, maar voor de wilde bijen zal je niet alleen de tafel moeten dekken, ook moet het bedje worden gespreid. Het is dus feitelijk B&B, Bed and Breakfast. Als je alleen de tafel dekt blijft het onverminderd slecht gaan met de wilde bijen. Er zijn zelfs situaties waarbij honingbijen de wilde bijen weg concurreren, omdat ze door hun onderlinge communicatie bijvoorbeeld veel beter zijn in het zoeken en benutten van voedselbronnen. Waar het bed voor de wilde bij niet gespreid is, zal vooral de honingbij de gedekte tafel leegeten.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Microwereld

Met een pipet laat ik een druppel water op het objectglas vallen, ik schuif schuin het dekglaasje tegen de druppel en laat deze vervolgens rustig over de druppel vallen. De technieken uit de biologieles van vroeger zijn nog niet verleerd. Met de kruistafel breng ik het beeld in de rechter bovenhoek en scan vervolgens van rechts naar links en eronder weer van links naar rechts over deze microwereld, op zoek naar algen, raderdiertjes, amoeben en kiezelwieren.

Het waterleven heeft een enorme diversiteit, ook in Almere. Aanvankelijk verbaasde mij dat wel. Wateren op de voedselrijke zeeklei hebben niet de naam een grote biodiversiteit te herbergen. Vaak zijn het dan enkele soorten die op al dat fosfaat en stikstof erg goed doen, vergelijkbaar met de brandnetel en kleefkruid in onze bossen. Het zijn vooral de geïsoleerde watertjes die interessant zijn. Ik scan voortdurend de stadsplattegrond op zoek naar kleine vijvers, zelfs midden in woonwijken zijn deze interessant. De druppel die ik zojuist op het objectglas pipetteer, komt uit een kraakhelder vijvertje uit de Literatuurwijk.

Het is al vrij snel raak. Ik zie een wimperdiertje (Strombidium sulcatum) de gewone kogelwatervlo en een mosselkreeftje (Potamocypris smaragdina) langskomen. Alle drie soorten die ik nog niet eerder in Almeerse wateren heb aangetroffen. Hoe zijn die beestjes in deze vijver terecht gekomen? Het water staat niet in verbinding met ander water, dus zelfstandig zwemmend is uitgesloten. Daarmee is transport door watervogels het meest voor de hand liggend. Een wilde eend die uit een sloot of plas opvliegt, transporteert met het “aanhangend water” onbedoeld een hele menagerie van plas naar meer en van sloot naar vijver. Maar dat verklaart niet waarom ik bij iedere monstername toch weer een heel eigen flora en fauna per plasje aantref.

Hier speelt toeval een rol, maar ook de specifieke chemische en biologische kwaliteit van het water. Juist door die isolatie ontstaan zelfs in naast elkaar liggende vijvers dus hele unieke gemeenschappen. Ecologen zijn in de regel erg blij met verbindingen tussen natuurgebieden, maar op een andere schaal kan isolatie dus ook erg waardevol zijn.

Ton Eggenhuizen