Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


Een reactie plaatsen

Vogels, vuurwerk en onweer

onweer“Hoe zit dat dan met onweer? Schrikken vogels daar dan niet van?” Een heel logische vraag die ik onlangs kreeg bij een gesprek over vogels en vuurwerk. In de eerste plaats, het zou vreemd zijn als vogels níet schrikken van de bliksem en donder. Maar er zijn weldegelijk aanzienlijke verschillen en bovenal, met onweer als natuurlijk fenomeen kan je moeilijk het effect van vuurwerk bagatelliseren.

Eerst die verschillen. In de meeste gevallen is het naderend onweer – dat bovendien meestal maar oprukt vanuit één hoek – ook te horen. De plotselinge uitbarsting van geluid en lichtflitsen van het vuurwerk is andere koek. Op veel plekken in Nederland is dat 360 graden rondom, én direct nabij. Vogels voelen weersveranderingen bovendien prima aan. Het luchtdrukverschil, elektrische lading in lucht, het zijn signalen waar vogels gevoelig voor zijn, zelfs over aanzienlijke afstanden. Gierzwaluwen zoeken fronten met regen (en onweer) zelfs op waarbij ze flinke vluchten tot een paar honderd kilometer kunnen maken. Onweer is daarom voor een vogel geen ‘donderslag bij heldere hemel’, maar dat voorvoelen van lichtflitsen en gedonder zit er op 31 december natuurlijk niet in.

Dat brengt ons op een ander verschil. Onweer is nagenoeg beperkt tot het zomerhalfjaar. Volgens het KNMI vindt 95% van onweer plaats in de zomermaanden. Voor natuur is dat een wezenlijk verschil omdat de omstandigheden voor overleving dan aanzienlijk groter zijn. In de winter is Schraalhans immers de keukenmeester. Minder voedsel én kortere daglichtperiode maakt het voedsel zoeken tot een uitdaging van formaat. En energieverlies door onrust, opvliegen, verdreven worden naar marginalere plekken hakt er dan forser in. Uit recent onderzoek blijkt dat het effect van Oudjaarsnacht bij vogels nog anderhalve week lang merkbaar is.

En nog iets, onweer is niet te verbieden, vuurwerk wel. Het is niet het één of het ander, vuurwerk komt er – met haar onnatuurlijke verschijningsvorm – nog eens bovenop.

Ton Eggenhuizen

Advertentie


2 reacties

Zwijnen in het riet

waterralDe rietkragen in de stad hebben het groen verloren. Een flinke bult van het verlaten zwanennest herinnert aan het broedseizoen een half jaar geleden. Slechts geel wuivend riet gelardeerd met zwarte meerkoeten met hun witte bles. Voor nu is dit nog het winterse beeld want de winter heeft nog niet echt zijn intrede gedaan. Plots klink een ijselijke kreet, SRCHREEEEEEUW- sreeuw-sreeuw-sreeuw-sreeuw, alsof er een speenvarken wordt gekeeld. Je ziet hem niet, maar je hoort hem wel!

Het is een waterral, familielid van de meerkoet en waterhoen. Hij lijkt wel wat op de laatste maar met een veel langere snavel. Van voren bezien is de ral bovendien heel slank, veel slanker dan de plompe waterhoen. Met dat ranke postuur sluipt hij haast ongehinderd tussen rietstengels door, waar hij op zoek is naar allerhande beestjes.

Voor het broeden en grootbrengen van de jongen zijn de schuwe vogels aangewezen op flinke oppervlakten nat rietland. Als het in het noorden echt wintert en het ook in onze eigen rietlanden koud wordt, zoeken de vogels de rietkragen in de stad op. In de stad is het immers een paar graden warmer en dat kan net het verschil zijn tussen sterven van de honger of overleven. Dat ze de stad nu al opzoeken merken we eigenlijk alleen aan die roepende speenvarkentjes in het riet.

Voor het behoud van het riet is af en toe maaien erg belangrijk. Natuurlijk buiten het broedseizoen, tenzij zeker is dat er geen broedvogels in huizen.  Niet maaien leidt uiteindelijk tot verruiging en op den duur zelfs tot opslag van boompjes. Ook mooi, maar niet overal. In de stad wordt ingezet op variatie. Jong riet, overjarig riet, gemaaid riet en waar mogelijk verruigend riet en moerasbos.

Zoals gezegd, je krijgt ze niet makkelijk te zien. Dat lukt pas als het ook hier echt wintert en de vogels veel actiever moeten zoeken naar voedsel, dat door de kou ook al minder is te vinden. Het is dan niet onmogelijk om meerdere waterrallen rond een stadse rietkraag over het ijs te zien scharrelen. Bij onraad vluchten ze snel weer het riet in, maar door de honger gedreven duurt het niet lang eer de vogels weer in het zicht komen.

Die rietkragen vertegenwoordigen haast jaarrond belangrijke functies. In de broedtijd nestelplaats voor futen, zwanen en karekieten, daarnaast vormt het een veilige slaapplaats voor zwaluwen en mussen, een kraamkamer voor vissen, en in de winter een veilig heenkomen voor de waterral. Totdat het riet in het voorjaar weer groen kleurt en de knobbelzwaan aan broeden begint te denken.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Van dwergmuis tot stadsreus

WhatsApp Image 2022-10-10 at 17.04.15In vijftig jaar tijd van een kale nieuwe polder naar een stad van meer dan 200.000 inwoners. In Nederland kan dat. Dat kan in Almere.

Maar het begon met het inpolderen van een deel van het IJsselmeer. Planten wisten die kale polder als eerste te bewonen. Uitgestrekte rietvelden zover het oog reikte. En in die rietvelden voelde de dwergmuis zich snel thuis. Die rietmuisjes werden zo algemeen dat de kerkuilen van het oude land iedere avond de oversteek maakten naar de polder.

Die rietvelden hebben plaats gemaakt  voor woonwijken. Woonwijken met tuinen waar een imposante grote geelbruine zweefvlieg van vlinderstruik naar vlinderstruik vliegt, een vlieg met de toepasselijke naam: de stadsreus. Zo veranderde de poldernatuur in stadsnatuur: van dwergmuis tot stadsreus. Een korte turbulente natuurgeschiedenis die nu door de Vogel- en Natuurwacht Flevoland in boekvorm is gestaafd.

Van ‘dwergmuis tot stadsreus’ brengt de veelzijdige natuur van Almere in beeld. Aan dit boek werkten een groot aantal mensen van divers pluimage mee. Schrijvers, fotografen, en onmisbare krachten achter de schermen. Allemaal om hun enthousiasme te delen voor de uitbundige natuur die in en rond de stad te vinden is. Door hun verhalen en met hun foto’s hoopt de Vogel- en Natuurwacht dat nog meer mensen de stap van natuurliefhebber naar natuurbeschermer zullen zetten. Dat kan al op het balkon en in de tuin.

Het boek is te bestellen via https://www.vogelwachtflevoland.nl/biodiversiteitsboek/ en zal binnenkort ook bij de boekhandels in Almere liggen.


Een reactie plaatsen

Een bijzondere zwanendame

WhatsApp Image 2022-07-11 at 1.48.37 PMZelfs na (bijna) twintig jaar nauwkeurig kijken kom je als zwanenonderzoeker toch nog voor verrassingen te staan. In Almere-stad zwemt de laatste dagen namelijk een vrouwtjeszwaan met een erg groot aantal jongen. Een eenoudergezin met elf donsjongen, hoe zit dat?

Een zwanennest met elf eieren hebben wij nog niet eerder in Almere gezien, al is het uit de literatuur wel bekend. Gemiddeld komen we op circa zes eieren per nest. We (de Zwanenwerkgroep van de Vogelwacht) volgen vrijwel alle zwanennesten vanaf het begin van het broedseizoen. En vrijwel alle volwassen vogels zijn individueel herkenbaar aan een gecodeerde pootring. Daarom weten we zeker dat deze geschiedenis niet begint met een nest met elf eieren. Het vrouwtje heeft samen met een partner in het Beatrixpark een nest gebouwd waarin zeven eieren gelegd zijn en waar zes jongen uitkropen. Na uitkomst van de eieren koos de familie haar domicilie op een half gezonken boot in de Stedenwijk. Daar bleef het paar behoorlijk trouw aan totdat het mannetje zeer verzwakt, mogelijk door botulisme, op 3 juli door de dierenambulance werd opgevangen. Dezelfde dag overleed deze zwaan en vanaf dat moment stond het vrouwtje alleen voor de opvoedtaken.

En dat doet ze méér dan voorbeeldig. Ze heeft zelfs vijf jongen van een ander paar geadopteerd (of gekaapt?). Wat er precies gebeurd is bij die adoptie weten we niet. Wel is duidelijk dat dit de vijf jongen zijn van het paar dat in het Muzenpark gebroed heeft. Dat Muzenparkpaar heeft ook al een roerig voorjaar achter de rug. Met regelmaat werden ze belaagd door een zwanenpaar met jongen uit de Literatuurwijk. De territoriumgevechten liepen hoog op en meermalen hebben we de rivalen moeten scheiden. Eind juni was de man van het Muzenpaar dermate toegetakeld dat een bezoek aan het Vogelasiel in Naarden noodzakelijk werd. Daar ontsnapte de zwaan en tot op heden is hij niet meer terug gezien. Ook het Muzenpark-vrouwtje is al enige tijd van de radar. Uit de ringgegevens van de vier ouders blijkt overigens dat er tussen deze vogels geen familieverband is.

Hoe nu verder? Zwanen zijn gekend om hun ouderzorg. In de regel zijn die taken gelijk verdeeld, dus de kans lijkt groot dat dit vrouwtje daarin haar spreekwoordelijke mannetje zal staan. Knobbelzwanen? Je zou er een boek over kunnen schrijven! 

Ton Eggenhuizen

(Met dank aan Ben van Doorn en Henk Koffijberg)


Een reactie plaatsen

De zes-vier-twee regel voor zwanenbroedsels

zwaan1De broedzorg van knobbelzwanen is naast erg zichtbaar, ook nog eens legendarisch. Vandaar dat verlies van eieren en/of jongen direct ook tot ophef kan leiden. En de overtuiging dat kwaadwillenden daar dan de hand in hebben gehad. Toch is het maar de vraag of we altijd van ‘verlies’ moeten spreken.

Uit onderzoek blijkt dat ook in ongestoorde populaties van knobbelzwanen niet ieder ei leidt tot een volgroeide vogel. In tegendeel. We hanteren daarvoor de 6-4-2 regel. Binnen een populatie worden per broedpaar gemiddeld zes eieren gelegd. Onbevruchte eieren, predatie en slecht weer zijn er verantwoordelijk voor dat van de zes eieren, gemiddeld maar vier uitkomen. Van die vier uitgekomen eieren redden het er gemiddeld maar twee tot volgroeide vogel. En van die volgroeide vogels blijft ieder jaar de helft ongeveer in leven. Omdat zwanen langlevende soorten zijn (10 jaar is zeker geen uitzondering) is dat voldoende om de populatie in stand te houden.

Uiteindelijk blijven de best aan de omstandigheden aangepaste vogels over. Dit is de survival of the fittest van Darwin. En daarbij verwijst fittest niet naar fitheid, maar naar aangepast (the one that fits the most). Dat lijkt verspilling, maar er wordt in de natuur altijd over geproduceerd om er voor te zorgen dat een deel van het nageslacht het best is aangepast aan de omstandigheden. Die knobbelzwanen zitten er niet mee dat wij als mens daar emoties bij voelen.

Af en toe komt in het nieuws dat eieren en jongen van zwanen geroofd worden. Ze zouden voor “de pot” zijn, of verhandeld als levend ornament voor een vijver in een of ander oliestaatje. De argumentatie is meestal wat dun (mensensporen bij een nest zien we óók bij succesvolle broedgevallen) en een enkel bewezen geval wordt opgeblazen naar de gehele populatie. Al het verlies wordt dan toegeschreven aan die moedwilligheid. Maar stel dat in een stad 50 paar zwanen broedt, dan leggen die gezamenlijk 300 eieren, waarvan 200 uitkomen en maar 100 tot vliegvlug raken. Tweehonderd eieren en jongen zijn niet per se de handel in gegaan.

Er zijn dus verschillende (natuurlijke) oorzaken verantwoordelijk voor de uitval van eieren en jongen. En als de ene oorzaak – bijvoorbeeld slecht weer – een jaar heel laag is, wordt de kans groter dat een andere oorzaak – bijvoorbeeld predatie – juist toeneemt. In de regel leidt dat steeds weer tot gemiddeld die 6-4-2. Maar dat gezegd hebbende, ik wordt echt pissig als moedwillig nesten om zeep worden geholpen. Ettertjes die zwanen sarren, mensen die vinden dat ze moeten ingrijpen “omdat het er anders veel te veel worden”, lieden die er illegaal geld aan willen verdienen, horkerig gedragende watersporters, het is mij een doorn in het oog. Misschien dat het op populatieniveau niets uitmaakt, maar waarom doen mensen dat?


2 reacties

In imperfectie schuilt de schoonheid…

IMG_1257…en biodiversiteit. In planten is zo een onregelmatigheid doorgaans een vergalling, en die wordt dan meestal door beestjes of schimmels veroorzaakt. Je zien niet één plantensoort, maar daarnaast ook de sporen van een galwesp, galmug, galkever, bladluis of meeldauw (om maar wat veroorzakers te noemen).

Het talud langs het Spoorbaanpad is de groeiplaats voor veel kruiden zoals bijvoet, klaproos, boerenwormkruid en teunisbloem. Die laatste trekt mijn aandacht omdat de bloeiwijze nietrechtopstaand is, maar wat bochten vertoont. Van dichtbij zijn al snel vervellingshuidjes van bladluizen te zien. Aangezien de ene bladluis de andere niet is, In Nederland komen meer dan 500 soorten voor, neem ik een stukje mee voor nadere bestudering. Een groot deel van die bladluizen zijn kieskeurig, ze komen maar op een enkele of een paar plantensoorten voor. Daarmee zijn ze redelijk eenvoudig op naam te brengen.

De website www.bladmineerders.nl is een handige tool voor de determinatie van de plantenvretertjes. Weet je de plantennaam, dan is het vretertje meestal door die kieskeurigheid snel gevonden. Zo kom ik er snel achter dat er maar vijf verschillende bladluizen op teunisbloem beschreven zijn. Onder vergroting zie ik kleine groene luisjes met lichte rugtekening en de donkere “knietjes”. Het blijkt een op de teunisbloem gespecialiseerde soort te zijn: Aphis holoenotherae. Officieel geen Nederlandse naam, maar teunisbloemluis ligt wel voor de hand.

Plots valt mijn ook op een larfje dat ik zie kronkelen tussen de vergalde blaadjes. Bleekgroen met
donkere tekening, spitse kop en twee kleine sprietjes op de kont. www.bladmineerders.nl geeft geen
uitsluitsel dus daardoor tast ik geruime tijd in het duister. Plots bedenk ik mij dat die larfjes, inmiddels zie ik er al zeker tien door het optisch vergrootte beeld kruipen, wellicht niet op de teunisbloem, maar op de luizen afkomen. De ingeving “kijk eens bij biologische bestrijding van bladluis” blijkt een schot in de roos. In de handel zijn de larfjes van Aphidoletes aphidimyza te koop en het is ook deze soort die op de teunisbloemluizen jaagt. En wat ik voor vervellingen van luizen hield, blijken dus leeggezogen bladluizen te zijn. Ook weer geen Nederlandse naam, bladluisgalmug dan maar?

Zowel de teunisbloemluis als de bladluisgalmug zijn nog niet eerder in Flevoland waargenomen. Zo blijkt die misvormde teunisbloem een uniek en nieuw stukje biodiversiteit van Almere. Het loont de moeite om eens wat beter naar die vlekjes en knobbeltjes op de planten te kijken.


Een reactie plaatsen

Zwanenlezing

zwaanHet was misschien/hopelijk de laatste volledig-digitale presentatie, afgelopen woensdag bij de Vogelwacht Flevoland. Op 26 januari, daags na de door het kabinet aangekondigde versoepelingen mocht ik namelijk thuis vanachter de laptop mijn knobbelzwanen-boek presenteren. De lezing was al veel eerder aangekondigd en op zulke korte termijn bleek een (deels) fysieke bijeenkomst niet te realiseren.

De Knobbelzwaan verscheen eind vorig jaar. Niet veel later ging in Nederland de boel op slot. Boekpresentaties, lezingen, het viel allemaal daardoor in het water. Jammer, want de knobbelzwaan is mij door het schrijven van het boek nog meer onder de huid gekropen.  De misverstanden in de Nederlandse vogelkundige boeken, de mythes en sagen, de omgang van de mens met de zwaan, het is allemaal zo interessant dat ik er wel een avond mee kan vullen.

En dan, eindelijk, 26 januari de (digitale) première. Enkele tientallen geïnteresseerden – vogelwacht-leden en niet-leden – schakelden in om het verhaal van de zwaan (en de verhalen in het verhaal) te horen. Gezien de vele vragen tijdens de lezing, viel het in goede aarde. De lezing is opgenomen, en zal te zijner tijd wel terug te zoeken zijn.

Maar het is ook mogelijk om mij voor een avond te “boeken”. Dan kan ik desgewenst het boek ook signeren. Zie de pagina met lezingen voor nadere gegevens.


Een reactie plaatsen

Een specht in de gevel.

great-spotted-woodpecker-5213180_1280

Drrrrrrrrrr, drrrrrrrrrrr. De spechtenroffel galmt door het bos. Een onmiskenbare voorbode van de lente. Een prachtig geluid nietwaar? Totdat de specht niet een boom maar de houten gevel van jouw huis als klankkast heeft gekozen. Wonen in of bij het bos kan ook zo zijn nadelen hebben.

Hout als bouwmateriaal is sterk in opkomst. Duurzaamheid, vastleggen van CO2, uitstraling; hout heeft zeker voordelen. Daarnaast proberen we steeds meer de stad en de natuur te verweven. Een groene omgeving is gezond. Maar natuur is niet alleen maar leuk, dat heeft soms ook zijn nadelen. Een specht in de houten gevel bijvoorbeeld die met zijn geroffel flinke gaten in de gevelbepaling kan hakken. Hoe komt die specht erop om in de gevel te hakken? En nog belangrijker, hoe kom je er als bewoner weer vanaf?

Spechten roffelen om te laten weten dat ze er zijn. Een ongepaard mannetje kan wel tot 600 roffels per dag laten horen, een gepaard mannetje nog maar 300. Maar daarmee is het lawaai niet automatisch gehalveerd. Ook vrouwtjes roffelen, zij het minder vaak, korter en zachter. Naast het roffelen kunnen ze ook hakken. Zulke enkelvoudige hakbewegingen met de snavel zijn bedoeld om het nest uit hakken en voor het voedsel zoeken. Een hakkende specht doet dat op alle plekken waar een nest te maken is of waar voedsel achter boombast of in rottend hout te vinden is. De roffel wordt het liefst op een dood droog stuk hout uitgevoerd. Dood droog hout galmt lekker, dus dat is favoriet. Maar ik heb ook ooit wel eens een specht boven op een lantaarnpaalkap de roffel zien uitvoeren. Tamelijk hilarisch omdat hij zich niet goed kon vastgrijpen en hij op zijn eigen roffel steevast bijna van de kap af trilde.

Zit de specht in de gevel alleen te hakken, dan is de kans groot dat hij daarin voedsel aan het zoeken is. En daarmee laat de specht onbedoeld zien dat de gevel wellicht aan vervanging toe is. Een bouwkundige inspectie, zo je wilt. Roffelen is andere koek. De vogel heeft ontdekt dat de gevel een prachtige klankkast is en daarmee een uitgelezen plek om zich zelf te adverteren. En daar valt wellicht wel wat tegen te doen.

Om van de gevelroffel af te komen kan je de “wortel en stok-methode” gebruiken. Lok de specht naar een goede plek om hem te laten roffelen. Een holle houten constructie volstaat. Hang die op een plek waar de specht makkelijk bij kan komen en waar hij zich ook veilig waant. Dichtere begroeiing in de nabijheid zorgen ervoor dat zo een kunstmatige roffelplek eerder gebruikt wordt. Naast deze “lok-wortel”, zal je ook een “wegjaag-stok” moeten hanteren. De vogel moet de plek op de gevel als onveilig gaan ervaren. Dat zou met een opgezette of plastic roofvogel of uil kunnen. Of met wapperende linten, een bandje met angstkreten of een touw met daaraan bungelende oude cd-tjes gebonden. Maar bedenk daarbij wel dat vogels aanvankelijk onder de indruk zijn maar ook snel in de gaten kunnen krijgen dat er weinig dreiging van uitgaat. Een iconisch voorbeeld hiervan is het vogelnestje onder de hoed van de vogelverschrikker. Wisselen van de verjaagmogelijkheden is daarvoor het devies.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Aalscholvers en vis

De Aalscholvers haalden onlangs weer eens de pers. De visserijcommissie van het Europees Parlement (dus niet het hele EP zoals in de pers in eerste instantie werd gesuggereerd) wil korte metten maken met de zwarte watervogels.

De populatie Aalscholvers zouden de pan uit rijzen en veel vissoorten worden bedreigd. Aalscholvers eten vis dus één plus één is voor de geachte afgevaardigden dan al heel snel twee. Maar is dat rekensommetje wel zo simpel te maken? Nog even los van de vraag of die aalscholverpopulatie  (nog) wel zo groeit, het is altijd heel link om twee trends direct met elkaar in verband te brengen. Hier kan namelijk de aloude valkuil ‘correlatie versus causaliteit’ om de hoek kijken.

Twee trends kunnen in dezelfde periode een gelijk verloop kennen (er is een correlatie), maar het één hoeft niet direct het gevolg te zijn van het ander (causaliteit). Als we bijvoorbeeld kijken naar het aantal broedende ooievaars en die (voor de periode 1969-1980) afzetten tegen het aantal geboortes binnen de Nederlandse bevolking, dan zien we een duidelijke correlatie. Hoe minder ooievaar-paartjes in Nederland hoe minder de wiegjes in Nederland gevuld zijn. Zeker een correlatie, maar ik hoef toch niet te onderbouwen dat hier geen sprake is van een causaal verband?

De twee trends kunnen wel indirect een relatie hebben. Er valt namelijk te betogen dat beide een gevolg zijn van de welvaartstoename na de oorlog. Dat correlatie-causaliteit-vraagstuk geldt ook voor aalscholvers en vis. De afname van de hoeveelheid aangelande vis hoeft dus niet direct een gevolg te zijn van toegenomen aalscholverpopulatie.

Bovendien, in de natuur is het maar zelden zo dat maar één factor verantwoordelijk is voor een trend. De aalscholverstand staat bijvoorbeeld onder invloed van vervolging, predatie, klimaat, beschikbaarheid van prooien, beschikbaarheid broedgebied. De visstand staat ook onder invloed van tal van factoren (overbevissing, meststoffen in het water, predatie, klimaat, om er een paar te noemen). Het rekensommetje is dus niet zo simpel.

In het ooievaar-voorbeeld heb ik wat creatief gekeken naar de telreeksen. Ik heb net die periode uit de gegevens geknipt waarmee het punt te maken was. Vóór 1969 daalde de ooievaarstand wel, maar het aantal geboorten niet. En na 1980 steeg het aantal ooievaars veel sterker dan het aantal geboorten. Niet eerlijk? Nou, ook voor de populaties aalscholvers wordt maar selectief gekeken naar het tijdvak waarin we de populatie sterk hebben zien stijgen. Dat de populatie daarvóór door DDT en vervolging sterk was gedecimeerd wordt verzwegen. Dat we met de kunstmatig lage aantallen aalscholvers deels ook een kunstmatig hoge visstand kregen, hoor je in de discussies ook niet terug.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Stadsnatuur – een contradictio in terminis?

bijenOp 16 september stond een groot artikel in de Trouw met als titel: “In dit tempo is Nederland binnenkort wereldkampioen soortenverlies”.  Een niet vrolijk-stemmend verhaal, maar de afname van biodiversiteit is inderdaad ongekend.  Eén zinnetje over herstelkansen trok mijn aandacht. De raadselachtige formulering luidde: “daarbij moeten we ook kijken naar plaatsen waar natuur niet traditioneel aanwezig is, zoals de stad”.

Wat vooral traditioneel is, is de gedachte dat natuur pas zou beginnen bij het bordje van Natuurmonumenten, SBB of het Flevo-landschap. Dat natuur alleen echte natuur is als de mens er met zijn handen van af is gebleven. Ook Frank Berendse, hoogleraar natuurbeheer, lijkt in zijn boek over natuurbescherming in Nederland (Wilde apen) weinig op te hebben met de door mensen beïnvloede natuur. Zo heeft hij het over ‘de toenemende invloed […] van het stedelijk gebied op de stukken natuur die nog over zijn’. Later in zijn boek maakt hij, in een overzicht over natuur, een tweedeling tussen ‘nagenoeg-natuurlijke landschap’ en ‘namaakwildernis’. Vervolgens maakt hij nog een heel klein stapje naar mensennatuur door te stellen: ‘En misschien zouden stadsnatuur en de natuur van het aangeplante bos een aparte plek in het overzicht verdienen’. Misschien?

Het is een romantisch beeld, de niet door mensen aangeraakte natuur. Maar in mijn ogen ook een fout beeld. Los van de vraag of er ergens op de wereld nog een plek te vinden is waar de mens géén invloed heeft (het antwoord daarop is ontkennend), is het ook verkeerd om te denken dat de mens en de natuur twee verschillende los van elkaar staande zaken zijn. 

Die tweedeling is eigenlijk helemaal niet zo vanzelfsprekend. Toen Chautuileo Umeyman uit Chili bij de stem van de Natuur vertelde dat de mensen uit haar volk (Mapucho) geen naam voor “natuur” hebben, viel bij mij het kwartje. Als je net als de oorspronkelijke inwoners uit Zuid-Amerika onderdeel bent van de natuur, is alles natuur. Wij hebben in het westen met het geven van een naam die natuur op afstand gezet. En dat is helemaal sterk als je het een natuurmonument of natuurreservaat noemt. Dan wordt het een gebruiksvoorwerp: iets om te bezoeken, om in te picknicken (of om een bankstel te dumpen).

De natuur is voor de Mapucho in Chili hun alles, hun “huis”. Zo zou ook onze natuur, inclusief de stadsnatuur ons huis moeten zijn. Door stadsnatuur te bagatelliseren, zoals Frank Berendse lijkt te doen, lopen we het risico dat die stadsnatuur met knobbelzwanen in de grachten, bijenorchissen op de oevers daarvan en slechtvalken op de wolkenkrabbers niet het beschermen waard is. Juist deze dicht-bij-de- mensen-natuur verdient aandacht en bescherming. Niet misschien, maar zeker!

Ton Eggenhuizen