Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


Een reactie plaatsen

Kleine burgemeester

kleine bur
Foto: Hugo Wieleman

Nonnetje, paapje, putter, kwak, bokje, snor, voor vogelaars is dat allemaal gesneden koek. Maar iemand die een vogelgids nog nooit van binnen heeft gezien zal allicht een ander beeld daarbij hebben. Dat geldt ook voor de burgemeester.

Als ambtenaar denk ik bij “burgemeester” aan het hoofd van het gemeentebestuur. Maar als vogelaar denk ik aan meeuwen. Misschien wel de spectaculairste meeuwen die er zijn. De Grote burgemeester doet zijn naam ook eer aan. Een bakbeest van een meeuw die met kop en schouders boven de andere meeuwen uitsteekt. In een groep met vretende meeuwen is die ook steevast de dominante gast. En dat is vermoedelijk ook de reden dat hij de burgemeester genoemd wordt.  Maar als je een Grote burgemeester hebt, heb je automatisch ook de kleine burgemeester. Een slag kleiner en minder dominant. Net als zijn grote neef is deze meeuw opvallend getekend.

Eerstejaars burgemeesters zijn licht zandkleurig getekend met zeer lichte vleugelpunten. Een jaar later worden ze nagenoeg wit. Volwassen burgemeesters krijgen vervolgens een licht grijze rug en bovenvleugel. Deze zeer lichte meeuwen vallen direct op als je ze in een groep meeuwen treft. En dat gebeurt niet vaak. In onze contreien zijn het zeldzame soorten, de kleine nog zeldzamer dan de grote. In het binnenland zijn ze beide nog schaarser. Het is in Flevoland met recht een “omrijsoort”.

kleine bur1
Foto: Hugo Wieleman

Maar soms krijg je hem zo maar in de schoot geworpen. Na een soortenzoekactie in het NP NieuwLand stopten Victor en ik nog even bij een groepje meeuwen op industrieterrein de Vaart. Ineens roept Victor “burgemeester!”.  En omdat onlangs nog op Urk een grote Burgemeester was gezien, was dat ook het eerst waar we aan dachten.

Maar het koppie was te rond, de vogel een tikkie kleiner dan de ernaast staande zilvermeeuwen, de snavel te klein en niet de kenmerkende tekening van de grote (een diffuus zwart getekende in plaats van gelig-roze snavel met een schijnbaar in de inkt gedoopte punt). Dit was een heuse Kleine burgemeester!

De Kleine burgemeester broedt op Groenland en in Noord-Canada. Langs de Noordzeekust worden jaarlijks maar enkele vogels gezien, in het binnenland is het ronduit een zeldzaamheid. Via de vogelaars-whatsapp-groep werd het bericht gedeeld en vele vogelaars hebben vervolgens van dit hoge bezoek uit het hoge noorden kunnen genieten. Helaas net buiten het Nationaal Park Nieuwland Dus hij telt niet mee voor het #2021soortenjaar. Misschien toch nog maar bij het Markermeer posten om te kijken of hij daar komt overvliegen.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Strooisel

WhatsApp Image 2021-04-07 at 09.54.38Gewapend met een witte bak en een insectenopzuiger (een zogenaamde zuigexhauter) loop ik met beestjes-zoekmaat André op het Verbindingspad. Af en toe pakken we een handje strooisel van de bosbodem en schudden dat voorzichtig uit in de bak. Zo vinden we mospissebed, gewone wegmier, berkensmalsnuit, glanzende agaathoren, schapenteek.

Deze zoekactie doen we in het kader van de #2021soortenjaar in het Nationaal Park Nieuw Land. Het doel is om de biodiversiteit van dit gebied in kaart, en vooral ook onder een brede aandacht te brengen. We nemen dan ook steevast even de tijd als we door passanten worden aangesproken met de voor de hand liggende vraag: “mag ik vragen waar jullie naar op zoek zijn?” Maar nu is onze aandacht gericht op de bakjes. Met het onderzoeken van de strooisellaag hebben we voor onszelf een heel nieuw biotoop in beeld gebracht. Dat betekent ook dat we een hoop nieuwe soorten vinden. Nieuw voor onszelf, nieuw voor het #2021soortenjaar, soms nieuw voor Almere en soms zelfs nieuw voor Flevoland.

Het determineren van al die beestjes is geen sinecure. Daarvoor moeten thuis boeken en internet worden geraadpleegd. En hoe kleiner het beestje, hoe kleiner ook de details waaraan de soorten onderscheiden worden. Details die alleen onder een binoculair zichtbaar zijn. Voor het meenemen van de beestjes komt dan de zuigexhauster van pas. Daarmee zijn de heel kleine beestjes te verzamelen zonder ze stuk te maken.  Kleine bodemwantsen, heel kleine slakjes en spinnetjes. Op het eerste oog is dat meestal nog wel te zien tot welke groep de beestjes behoren. Ineens valt ons oog op een klein insectje zonder vleugels. Een mier? Nee, dat is het toch niet. Een vleugelloze wespensoort? Zoiets moet het wel zijn. Met de opzuiger wordt het beestje verzameld.

Het standaard bouwplan van een insect is een kop, borststuk en achterlijf, en aan het borststuk 3 paar poten en twee paar vleugels. Maar niet alle soorten houden zich aan die standaard. Dat geldt met name voor die twee paar vleugels. Onder de binoculair is te zien dat ons beestje weldegelijk vleugels heeft, maar heel kleine en waarschijnlijk ongeschikt om mee te vliegen. Rudiment-vleugeltjes zogezegd.  En onder die vleugels zie ik aan weerszijde een staafje met een bolletje. Een zogenaamde halter. Halters zijn de overblijfsels van het tweede paar insectenvleugels en een typisch kenmerk van de vliegen en muggen (de zgn diptera, di-ptera = twee-vleugels). Okee, dit is dus geen wesp maar een vliegje. Dat helpt. Het brengt het aantal te overwegen soorten al weer terug van ca 18.000 insecten naar zo’n 1000.

Het meest doet de vlieg me denken aan een zogenaamde halmvlieg. Kleine vliegjes die wel wat weg hebben van de fruitvlieg, maar tot een andere familie behoren. Die gok blijkt juist. En het gelukkige toeval wil dat er van de ongeveer honderdvijftig verschillende soorten halmvliegen er ééntje is met rudimentvleugels: Elachiptera brevipennis. Deze vlieg wordt maar weinig gezien (op waarneming.nl slechts 55 waarnemingen voor heel Nederland) en het blijkt zelfs de eerste waarneming in Flevoland! Hij staat te boek als vrij algemeen, maar ook hier geldt weer, je ziet het pas als je gaat kijken.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Vervaarlijk

Met het blote oog is het bijna niets. Iets waar je heel makkelijk overheen kijkt. Maar met een loep is het een vervaarlijk monster, een schorpioen!

Ik ben er al een paar jaar naar op zoek, Nederlandse schorpioenen. In het buitenland ben ik ze best vaak tegen gekomen. In gebieden waar je toch iedere ochtend even de schoenen uitschudt om te voorkomen dat de voetzool kennis maakt met de gifklier aan het achterlijf van het beest.  Maar een schorpioen in Nederland? Menigeen zal toch wel even aan dat idee moeten wennen. De soorten die hier voorkomen zijn echter allemaal heel klein, én bezitten niet die vervaarlijke gifklier op het achterlijf. Het zijn dan ook niet echte schorpioenen, het zijn pseudoschorpioenen.

Mijn eerste pseudoschorpioen vond ik onlangs onder een plak hout bij het Wilgenbos. Ik was hier in het kader van het soortenzoekjaar die dit jaar in het Nationaal Park NieuwLand gehouden wordt. Veldbiologen hebben een dwangmatige behoefte om hout dat ze tegen komen, om te draaien. Veel dieren, van nietige springstaartjes tot muizen en padden mogen graag die donkere beschutte vochtige plekken bevolken. En zo kwam ik nu een klein roodbruin beestje tegen. Snel even in een bewaarpotje. Het beestje was zo klein, dat een vergrootglas nodig was om te bekijken wat ik gevangen had.

Het beestje van 2 millimeter groot, stak zijn twee scharen naar mij uit. Scharen die voorop de kop staan. Eindelijk gevonden! In Nederland komen ruim twintig soorten pseudoschorpioenen voor. Het diertje moest dus mee naar huis voor fotografie en determinatie. Thuis onder de binoculair  was ik er snel uit: mosschorpioentje. Na de determinatie en foto heb ik het beestje weer losgelaten onder een blok hout in de eigen tuin. De diertjes hebben dan wel geen gifklier op het achterlijf, in de scharen hebben ze die wel. Volstrekt ongevaarlijk voor ons mensen, maar springstaartjes en ander klein grut hebben er wel voor te vrezen. Wat ze ook niet hebben, zijn vleugels. Toch kunnen ze vliegen! Met een van de scharen klampen ze zich vast aan een muggenpoot en zo liften ze mee, de mug als piloot.

Een paar dagen later ben ik met Victor in het Vaartsluisbos. Weer op zoek naar verschillende soorten. Een oude halfdode wilg met loszittende bast trekt onze aandacht. Ook zo een ecologen-dwangmatigheid, pulken aan losse schors. Net als onder het hout op de grond zit er van alles achter losse boombast. Vaak zijn het pissebedden, kevertjes en duizendpoten. Maar ook nu weer zo een heel klein frutje. En in een bewaarpotje vallen weer die scharen op. Ditmaal blijkt het niet een mosschorpioentje maar een soort die vaak op boombast wordt gevonden: Chernes cimicoides. Jaren vergeefs zoeken en dan in één week twee verschillende soorten vinden. Het kan verkeren!

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Varkenspest en kippenkoorts

In tijden van corona krijgen dierziekten eenvoudig aandacht in de pers. De vogelgriep (Aviaire influenza) en Afrikaanse varkenspest, beide door virussen veroorzaakte veeziekten, worden nu het meest genoemd. De rol die wilde dieren (watervogels en wilde zwijnen) spelen bij de verspreiding van de ziekte, doet de roep toenemen om die wilde dieren in toom te houden.

Voor wilde zwijnen is het wellicht makkelijker om met het geweer de populatie te beperken dan voor watervogels. Vogels vliegen immers beter dan zwijnen. De zwijnenjacht wordt dan ook ingezet voor het indammen van de Afrikaanse varkenspest. Natuurlijk worden ook maatregelen op de boerderijen getroffen. Hygiënische maatregelen en rond het transport van dieren en dier-producten. Het is, op de keper beschouwd, wel vreemd dat wilde zwijnen hier zo een zware tol betalen.  De wilde zwijnen hebben de Afrikaanse varkenspest immers niet zelf uit Afrika geïmporteerd.

Voor vogelgriep ligt dat wat genuanceerder. De hiervoor genoemde capaciteit van vogels tot vliegen stelt het vogelgriep-virus in staat zich over grote afstanden te verplaatsen. En er is een bulk aan bewijs en aanwijzingen dat de sterk ziekmakende (hoog pathogene) vogelgriepvirussen inderdaad door wilde vogels wordt verspreid. En over grote afstanden. Watervogels die in Azië overwinteren en in het hoge noorden broeden, komen na de broedtijd bijeen op grote meren waar ook vogels zich opmaken voor de trek naar Europa. Deze ketting stelt het virus zelfs in staat om van continent naar continent te verplaatsen. De nuance is echter gelegen in het feit dat het ene vogelgriepvirus het andere niet is.

Het vogelgriep (Aviaire influenza, AI) komt in verschillende varianten (genoemd naar de verschillende vormen waarin twee eiwitten op het virus kunnen voorkomen, Hemagglutinine en Neuraminidase). De verschillende stammen worden ingedeeld in hoog-pathogene en laag-pathogene virussen (HPAI en LPAI). De LPAI’s komen van oudsher bij watervogels voor. Omdat deze niet of nauwelijks ziekmakend zijn, vallen ze ook nauwelijks op. Virussen kunnen echter betrekkelijk eenvoudig muteren, onder andere van een laag  pathogene naar een hoogpatogene stam. Daarvoor is echter wel een groot reservoir aan dieren nodig. De HPAI’s ontstaan dan ook op plekken waar zeer veel vogels lange tijd zeer dicht opeen gepakt zitten in situaties waar veel stress heerst. De bekende hoog-pathogene vogelgriepvormen zijn ontstaan in pluimveehouderijen in Azië.

In Azië zijn de hygiënische maatregelen minder strikt dan in West-Europa. In Bangladesh heb ik pluimveehouders met hun stal van duizenden eenden de moerasgebieden in zien trekken. De loopeenden graasden overdag op de plekken waar we in de schemer de wilde watervogels naar toe zagen vliegen. Eenvoudiger is het voor het virus nauwelijks te maken. Net als de wilde zwijnen bij de Afrikaanse varkensgriep zijn onze wilde watervogels onbedoeld het transportmiddel van een door de mensen veroorzaakt probleem.

Indammen van de populaties wilde dieren is niet de oplossing. Het is dweilen met een vol opengedraaide kraan. Het beperken van de overdracht zal vooral bij de bedrijven moeten plaatsvinden. Daarbij kan gekeken worden naar de ruimtelijke spreiding (geen pluimveehouderij in waterrijke gebieden), naar hygiënische maatregelen maar wellicht ligt de best werkende maatregel  in de handen van de consument. Hoeveel vlees eet ú?

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Inheemse bomen

Ramshoorngalwesp op een Wintereik

Ramshoorngalwesp op Europese zomereik

Een Amerikaanse eik van, zeg, honderd jaar oud. In West Europa zal je daarin niet snel boven de twintig verschillende insectensoorten komen. Bekijk een Europese zomereik en je zal, als je ze kan herkennen, snel meer dan vierhonderd verschillende soorten turven. Een krachtiger aanwijzing dat het planten van inheemse bomen en struiken meer biodiversiteit oplevert is nauwelijks denkbaar.

Toch hoor ik daar met enige regelmaat weerwoord op. Er wordt dan gewezen op onderzoek waarbij aangetoond is dat insecten van de inheemse vogelkers overwipten op de amerikaanse vogelkers (ook wel bospest genaamd). En inderdaad, uit onderzoek blijkt dat de amerikaanse vogelkers inmiddels in toenemende mate door inheemse bladvretertjes wordt bezocht. Vretertjes die voorheen alleen bekend waren op inheemse struiken en bomen. Eerst schoorvoetend, de rupsjes van de hangmatmot begonnen wel aan de bospest maar kwamen niet tot wasdom, maar inmiddels lijkt het dat de mot de bospest-code heeft gekraakt. En zo zijn er een aantal soorten die nu in Europa een Amerikaans dieet volgen.

Het weerwoord van aanpassing op de bospest lijkt een krachtig argument om je niet meer tot inheemse soorten te beperken. De natuur komt wel met een oplossing. Toch valt daar naast het trage verloop wel wat meer op af te dingen. Natuurlijk zijn er méér redenen dan alleen biodiversiteit om voor bepaalde planten te kiezen. Esthetische redenen bijvoorbeeld. In het kader van de achteruitgang van biodiversiteit is de vraag echter relevant welke soorten je het best kan kiezen om die biodiversiteit weer te verbeteren. De noodzaak is gelegen in het feit dat de biodiversiteit wereldwijd, maar ook bij ons in Nederland onder druk staat.

De redenen van de achteruitgang zijn legio. Ontbossing, vermesting, vervuiling, intensiever landgebruik, het is maar een greep uit de trits van factoren die de natuur bedreigen. En net als er veel factoren zijn die de natuur bedreigen, zijn er ook veel factoren die juist aan het herstel kunnen bijdragen. We zullen lang niet alle bedreigende factoren kunnen elimineren (direct of op termijn), en dat maakt het dubbel zo belangrijk om alle mogelijke positieve maatregelen te omarmen. Gebruik van inheemse bomen, stuiken en kruidgewassen in tuin, park en bos is daar een belangrijke stap in.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Rellende eksters

In de winterse kale platanen in de straat zijn de twee eksternesten eenvoudig te zien. Rond de nesten is het een drukte van belang. Maar liefst negen eksters vliegen luid krassend rond, vleugelgewapper, staart op en neer slaand. Als ik beter kijk zijn twee vogels het meest actief, die lijken de nesten fel te verdedigen. Is de natuur van slag en is de broedtijd al aangebroken?

Nee, zo een vaart loopt dat nog niet. Maar het is weldegelijk een territoriumdispuut. De straat is het toneel van een zogenaamde Ceremoniele Samenkomst (Ceremonial Gathering), een eufemisme van biologen voor “even lekker rellen”. Eksters zijn het hele jaar territoriaal. Het territorium wordt niet alleen voor en tijdens de broedtijd verdedigd, ook in de winter zien gevestigde eksters andere eksters liever gaan dan komen. Maar hoe beter een territorium (voldoende voedsel, geschikte nestbomen) hoe groter ook de aandrang van nog niet gevestigde jonge eksters om zich daar in te vechten. Uit onderzoek is bekend dat een derde van de territoriumwissels ontstaat doordat één van de gevestigde vogels sterft. Eénderde doordat in het najaar nieuwe vogels vanuit een aanvankelijk klein territorium zich probeert in te wurmen (squizing in) en éénderde via de zogenaamde Ceremoniele Samenkomst.

Wat zich in de straat voltrekt is dus niet zomaar rellen om het rellen, er staat ook wel wat op het spel. Namelijk de kans om in het komend broedseizoen in een goed territorium nageslacht te produceren. Het territorium van een paar eksters meet ongeveer 5 hectare. Als ik die 5 hectare op de kaart uitzet met het betwiste nest in het centrum, kan ik eenvoudig vijf tot tien andere eksternesten vinden die allemaal in de afgelopen jaren door het territoriale paar zijn gebouwd. Die zullen komend jaar niet door andere eksters gebruikt worden. Het zijn stevige bouwwerken en kunnen jaren achtereen in de bomen achter blijven. Nutteloos geworden? Nee, het werkt ook als signaal voor indringers dat hier al een ervaren en sterk paartje eksters aanwezig is.

Vaak wordt het grote aantal eksternesten gezien als teken dat het met de eksterstand uit de hand loopt. Eksters hebben nu eenmaal een slechte naam. Maar die veelheid aan nesten zegt erg weinig over het aantal aanwezige eksters. Hoe meer de eksters met rust worden gelaten, hoe groter de territoria worden (en het aantal daarin gebouwde lege nesten) en hoe kleiner uiteindelijk het aantal eksters! De nesten hebben ook nog een ander onbedoeld effect. Er zijn tal van soorten die de leegstaande woningen kraken zoals torenvalk, boomvalk, ransuil en boommarter.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Lockdown

Het is geen gekke strategie, in november wegkruipen en in april wel weer zien hoe de wereld er dan voor staat. Een gedachte die me met regelmaat in deze pandemie-tijd bekruipt. Ik benijd dan af en toe de egel die al die tijd achter in de tuin in het egelhuisje zijn bivak houdt. Onze egel wordt natuurlijk niet geplaagd door het tumult over avondklokken, bestorming van het Capitool, Brexit, vaccinaties en wat dies meer zij. Hij heeft andere zorgen.

Het menu van de egel is gevarieerd. Regenwormen, slakken, insecten, spinnen, eieren van op de grond broedende vogels. Maar hoe breed het menu ook is, in de winter is die tafel maar spaarzaam gedekt. Egels zijn net als alle zoogdieren warmbloedig en het op temperatuur houden van dat bloed kost energie. De diertjes eten zich in het najaar tonnetje-rond maar dat is niet genoeg om in de winter wakker en warm te blijven. Daarom kruipen ze weg, de lichaamstemperatuur daalt flink, ademhaling en hartslag vertraagt. De vetvoorraad die de egel heeft verzameld is net genoeg om in winterslaap deze periode door te komen. Net als onze winter, is ook winterslaap een rekbaar begrip. Als het warm wordt, kan ook de egel ontwaken en even de benen strekken. In een tuin met rommelige overhoekjes en bladhopen is dan nog vast wel wat te snaaien.

Egels zijn niet de enige zoogdieren in Almere die een winterslaap houden. Al onze vleermuizen, afhankelijk als ze zijn van vliegende insecten, zijn winterslapers. Sommige soorten overwinteren hier in de stad zoals de gewone dwergvleermuis, anderen zoals de meervleermuis trekken weg en overwinteren in grotten (Limburg) en bunkers (duinen). Verder zijn er tal van koudbloedige dieren die als volwassen dier overwinteren. De bruine kikker die ook in onze tuinen voorkomt, kan in dezelfde hoop bladeren wegkruipen als waar de egel winterslaapt. Dagpauwogen overwinteren in schuurtjes en soms op zolder. En van de gewone wesp overwintert de reeds bevruchte koningin als enige om in het voorjaar weer een nieuw volk te stichten.

Welbeschouwd is een winterslaap de ultieme lockdown.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Soorten zoeken

Pantoffeldiertje, zeearend, rietorchis, bever, brazem, vuurzwam, vliervlinder; het is maar een kleine greep uit de soortenrijkdom van het Nationaal Park Nieuw-Land.  En dit jaar gaan er zeker nog 2014 andere soorten volgen. Een aantal instanties en personen gaat namelijk dit jaar die soortenrijkdom van de Lepelaarplassen, Oostvaardersplassen en de Markerwadden in kaart brengen: het “2021 soortenjaar”.

In voorgaande jaren zijn in Almere (onder de noemer Expeditie Darwin) en Lelystad al kleinere gebieden op de biodiversiteit onderzocht. Het ging daarbij steeds om een wijk of park dat op één dag werd uitgevlooid. Maar zo groot en zo lang als het nu gestarte 2021 soortenjaar hebben we nog niet eerder in Flevoland gezien. Die 2021 slaat niet alleen op het jaartal, maar ook op het doel. Meer dan 2000 soorten, is dat niet wat ambitieus? Persoonlijk denk ik dat het niet de vraag is óf we die mijlpaal gaan halen, maar wannéér! En eerlijk gezegd, ik gok dat we daar al best snel zijn. Geen ramp; we stoppen dan niet, maar zullen simpelweg de piketpaaltjes steeds verder voor ons uit gaan zetten.

Op de lijst komen makkelijke soorten als riet en grauwe gans, maar ook heel zeldzame soorten. Nog geen paar dagen onderweg en er is al een zeldzaam vogeltje ontdekt, de bruine boszanger. Het is pas de derde keer dat deze dwaalgast in Flevoland neer is gestreken. Door het gerichte zoekwerk worden ook veel soorten ontdekt die nog helemaal niet eerder in Flevoland zijn aangetroffen, zoals het microscopisch kleine groenwiertje Stigeoclonium helveticum. Die is niet echt zeldzaam, hier is het simpele feit dat niet veel mensen watermonsters met de microscoop onderzoeken de verklaring voor het gering aantal waarnemingen. Je ziet het immers pas als je gaat kijken!

En dat kijken gaan we komend jaar zeker doen. En vanzelfsprekend geldt: hoe meer ogen, des te meer zal worden gezien. Iedereen kan een steentje (of rietstengel)  bijdragen. Zie voor meer details:
https://waarneming.nl/bioblitz/bioblitz-nationaal-park-nieuw-land-2021soortenjaar/
https://www.nationaalparknieuwland.nl/nl/2021soortenjaar

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Hansje pansje kevertje

Nee, een keverspecialist ben ik niet. Van de vierduizend keversoorten in Nederland en ik heb er nog geen tiende deel gezien. Mazzel, doorzettingsvermogen en teleurstelling zijn mijn metgezellen bij het determineren van torretjes. De mazzel bijvoorbeeld, als in de pers breed wordt uitgemeten over een nieuwe soort in Nederland. “De vuurzwamveervleugelkever voor het eerst in Nederland gevonden”.

De charme van deze kever zit verscholen in zijn eigen formaat. Het is het kleinste kevertje van Europa, zo klein dat zijn lange naam wat potsierlijk aandoet. En in het “wetenschaps” is de naam al niet veel korter: Baranowskiella ehnstromi. Een halve millimeter lang, geen wonder dat deze soort pas heel recent (1997) voor het eerst werd beschreven. Na die officiële beschrijving is de kever in diverse Europese landen gevonden, maar Nederlandse waarnemingen ontbraken. Tot 2019 toen de eerste Nederlandse vuurzwamveervleugelkever bij Eindhoven werd ontdekt. Maar hoe ontdek je nou zo een klein frutje?

Het antwoord op die vraag zit besloten in zijn Nederlandse naam. Je moet op zoek naar vuurzwammen, en in het bijzonder naar de bruinzwarte vuurzwam. Zo valt te lezen in die berichten over de eerste Nederlandse vondst. Nu wil de mazzel ook dat deze zwam in Nederland redelijk algemeen is en voorkomt op wilgen. En aan die wilgen hebben we in Almere geen gebrek.  Op waarneming.nl vind ik echter maar weinig meldingen van deze zwam. Dan komt het toch aan op mijn doorzettingsvermogen (met voortdurend de dreiging van teleurstelling). Een paar zoektochten in wilgenbossen levert witte bultzwam, waaiertje, paarse korstzwam en roodporiehoutzwam op. En jawel, eindelijk ook een zieltogende wilg met op de dode takken een paar bruinzwarte vuurzwammen, maar door de kou zullen de kevers niet te zien zijn. Een ecoloog heeft altijd wel een paar potjes op zak, dus ik breek een stukje af om thuis verder te onderzoeken.

Het potje met zwam brandt na enige tijd in mijn broekzak. Of beter nog, ik brand van nieuwsgierigheid. Ik haal het potje weer tevoorschijn en zie direct met het blote oog kleine witte beestjes, door de warmte actief geworden, in en uit de zwamporiën kruipen. Kan niet missen. Dit moeten larfjes zijn van de kever. Toch? Voordat ik naar huis ga, heb ik eerst nog een vergadering over de Almeerse biodiversiteit. Hoe toepasselijk! Later als ik thuis ben en de binoculair op de zwam kan richten wordt het duidelijk, witte keverlarfjes met de laatste achterlijfsegmenten zwart. Precies zoals op de foto bij het bericht over de eerste vondst. Vol vertrouwen voer ik de melding in op www.waarneming.nl. En nu maar wachten op de validatie van deze waarneming door een echte keverspecialist!


1 reactie

Feiten of alternatieve feiten: het factsheet nijlgans.

Het paartje nijlganzen van de Stedenwijk heeft jongen. Vorig jaar bracht dit paar samen met vijf eigen jongen ook nog een grauwe ganzenjong groot. Dit jaar waren ze er laat bij want pas eind augustus zagen we de vogels met een vijftal kleine donskuikens. Vandaag wandel ik weer langs hun favoriete stek en tot mijn tevredenheid zie ik de familie nog compleet. De jongen zijn al flink gegroeid en wandelen al wat verder van de beide oudervogels weg. De hele familie loopt op de grasoever van de vaart, een plek die ze delen met een familie knobbelzwanen.

Van nijlganzen wordt beweerd dat ze agressief zijn ten opzichte van andere vogelsoorten. In de risicobeoordeling van de Europese Unie, en door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit in een “fact-sheet” gekopieerd, staat dan ook dat de soort agressief gedrag vertoont ten opzichte van andere vogels, waardoor deze verdrongen worden en minder foerageergebied hebben. De EU en de NVWA zijn niet de eerste de beste, die doen niet zo maar loze beweringen (las ik onlangs). Er staan gelukkig bronnen bij: onder andere de Atlas van de Nederlandse broedvogels uit 1979. Er zijn twee redenen om die veertig jaar oude atlas er even bij te pakken.

In dit boek wordt een geval aangehaald van een tam paartje nijlgans dat zich vergreep aan andere vogels in de vijver. Maar er wordt ook gesteld: van wilde of verwilderde vogels is dit gedrag niet bekend. En: het verdient aanbeveling eens te onderzoeken in hoeverre concurrentie optreedt tussen nijlgans en inheemse vogelsoorten. Dat onderzoek heeft, meen ik, nooit structureel plaats gevonden. De twee andere genoemde bronnen onderbouwen ook al niet dat er sprake zou zijn van een negatief effect op andere vogelsoorten. Kortom, dit is eerder cherry-picking (en nog 40 jaar oude cherries bovendien!) van de EU en de NVWA dan een goede inhoudelijke onderbouwing van het schadelijk effect.

De andere reden om het stof van die oude atlas af te blazen is de beschrijving van de knobbelzwaan. De Atlas vermeldt dat ook verwilderde knobbelzwanen (men meende ten onrechte dat dat toen voor vrijwel alle knobbelzwanen gold) agressief waren ten opzichte van andere vogels. Maar zien we hier niet de bevederde versie van het aloude verhaal van te veel ratten in één kooi? Een overvolle eendenvijver, concurrentie om voedsel, opgebouwde stress; dan is het toch logisch dat de vogels knorrig worden? Het zogenaamde “fact”-sheet van de NWVA heeft nog een andere bijzondere bewering over de nijlgans. De vogels zouden met hun poep het oppervlaktewater vervuilen. Kennelijk vind met exotenpoep erger dan poep van inheemse vogels. Maar het is wel erg bout om dat als een feit te presenteren.

Ik sta dus deze ochtend kennelijk oog en oog met twee van de meest agressieve vogelsoorten in Nederland. Twee vogelsoorten die in de meest stressvolle periode van het jaar, als ze hun jongen proberen groot te brengen, in volstrekte harmonie en zonder enige onderlinge animositeit op het zelfde stukje grasland vertoeven. De nijlgansjongen scharrelen gewoon tussen de zwanen door. En dit is niet de enige waarneming van vreedzame nijlganzen. Inmiddels heb ik al vele uren besteed aan het observeren van nijlganzen zonder ernstige agressie van de vogels te zien. Dat zijn geen alternatieve feiten meer, mensen!

Ton Eggenhuizen